HC: 1 Inleiding
De wetenschappelijke studie van de manieren waarop mensen hun gedachten, gevoelens
en gedragingen worden beïnvloed door de (daadwerkelijke en/of voorgestelde)
aanwezigheid van andere mensen
● Fascinatie voor invloed van sociale situaties (en individuele verschillen) op
menselijke gedachten, gevoelens, en gedragingen.
● Brede en precieze discipline.
● Orde, verandering, ongelijkheid
Maatschappelijke onvrede: drie motieven
1. epistemologisch: wat gebeurt hier?
2. existentieel: ben ik veilig en geborgen in deze wereld?
3. identificatie: ik wil me goed voelen over mezelf en de groepen waar ik bij hoor.
Complotdenken leidt tot gevoel van verbondenheid, veiligheid en geborgenheid.
Axioma’s sociale psychologie
● menselijk denken, doen en voelen = of (persoon x situatie) (zie boek). De omgeving
beïnvloedt dus mensen hun gedachten, gevoelens en gedragingen. Want mensen
construeren hun eigen sociale realiteit (social construals), vaak in termen van
persoonseigenschappen (Heider & Simmel).
● situatie → perceptie → cognitie, motivatie, gedrag (kan verklaren waarom mensen op
Trump stemmen)
● sociale omgeving zeer van belang: waarnemen van de ander (en
persoonskenmerken toeschrijven: attributie proces) en zelf ook aanpassen. Denk
aan lift filmje. Heeft invloed op hoe mensen zich ten opzichte van elkaar gedragen:
self-fulfilling prophecy/ pygmalion-effect en zoeken telkens naar bevestiging van
eigen overtuiging: ‘zie je wel’-indruk (verlegen tijdens feestje).
● Bij attributie proces vergeet men vaak de situatie: fundamentele attributie fout.
Shooter bias:
● stereotype worden onbewust automatisch geactiveerd (denk aan schiet experiment)
,HC: 2 Vooroordelen, stereotypen en
discriminatie
● Institutionele discriminatie kan bv verholpen worden dmv anoniem solliciteren.
Waarom treedt het op?
● effecten:
○ openlijke dicriminatie (KKK),
○ ook subtielere vormen (‘’dom blondje’’)
○ Sekse categorisatie begint al vroeg (babies kan je al onderscheiden in
sekse). Zelfde gedrag van baby's, zoals huilen, wordt per sekse anders
geïnterpreteerd (bang vs boos)
○ categorisatie effecten (hokjes denken) (cognitief proces) treden zeer
gemakkelijk op (hoogleraar is man). Individuen als groepsleden zien omdat
ze kenmerken hebben die typerend zijn voor deze groep. Dit is essentieel
voor het (proberen te) begrijpen van de wereld om ons heen.
- snel bruikbare informatie
- helpt nutteloze informatie te negeren
Categorisatie heeft ook negatieve effecten:
- outgroup derogation (superioriteitsgevoel in-group vs
out-group)
- outgroup homogeniteit vs ingroup heterogeniteit
Gevolg hiervan is dat je dus negatiever gaat kijken naar de out-group (out
group derogation) en positiever gaat kijken naar eigen in-group (ingroup
favoritism). Dit ‘wij vs zij’ mentaliteit (motivationeel) leidt tot positief effect
op zelfwaardering van groepsleden, stereotypen kunnen machtsverschillen
legitimeren en outgroup kan als benadering waargenomen worden voor onder
andere mensen.
Denk aan filmpje over klas waarbij kinderen ‘beter’ waren met blauwe ogen
dan bruine ogen. En aan filmpje waarbij twee groepen in A (beter) en B
werden gesplitst: los van elkaar eten, conflicten. (Jaap Rabbie boek)
● definities:
○ Vooroordelen: actief component: pos/neg evaluatie over leden van een
bepaalde groep. Alleen gebaseerd op feit dat iemand lid is van die groep
(generaliseren) (vrouwen kunnen niet leiden, dus Anna kan geen leider zijn)
○ Stereotypen: cognitief component cognitieve raamwerken (cognitieve
frameworks) die bestaan uit gedachten (knowledge and beliefs) over
bepaalde sociale groep (vrouwen zijn emotioneel vs mannen zijn agressief)
○ Discriminatie: gedragscomponent: gedrag (meestal negatief) naar leden
van groep, alleen wanveweg feit dat diegene lid is van bepaalde groep
(daarom mag Anna geen leidinggevende zijn)
, ■ Groep A en B hebben procentueel evenveel neg en pos mensen. Toch
is de kleinere groep geneigd meer negatief over te komen. Vooral bij
kleine groepen of minderheidsgroeperingen (negativiteit valt meer op,
onthoudt beter, beschikbaarheid): illusoire correlatie: je neemt een
correlatie waar tussen negatieve zaken en een bepaald
groepsmaatschappij die er in werkelijkheid niet zo sterk is.)
Mensen uit AZC komen daarom sneller negatief in het nieuws.
● meten van vooroordelen:
○ impliciet meten:
stereotype threat: bedreigd worden met stereotypische gedachten van
anderen over jou: ‘’vrouwen slechter in exacte vakken, wordt hier op
aangesproken en als je dan test doet ‘blijkt’ dit ook zo, want bent cognitief
meer bezig met de stereotype die jou is toegewezen.
Dus: wetenschap dat anderen een negatief stereotype van je hebben →
activeer dit stereotype → stress → slechtere prestatie.
○ Associatie stimuli-valentie: wit/ zwart gezicht op scherm in combinatie met
neg/ pos woorden, de snelheid reactie wordt gemeten.
Implicit Association Test (IAT) : zie hierboven. Impliciete associatie met
allochtone namen: langzamer over kiezen en sneller fouten maken.
■ https://implicit.harvard.edu/implicit/
Wat kun je eraan doen?
● lastig, langzaam, volhouden.
○ maar contact werkt dmv overkoepelende doelen (zomerkamp), wederzijdse
afhankelijkheid (jigsaw classroom)
○ contacthypothese → zien van overeenkomsten, verschillen outgroup-leden,
informatie komt niet meer overeen met stereotiep beeld (kan dus ook
wegverklaard worden: ‘’succes door geluk’’) of compartimentaliseren van
inconsistenties: "carrièrevrouw". Maar bij herhaal inconsistentie verandert
stereotiepe beeld. Staat dus vaak los van motivatie.
○ tragedy of the commons: eigen uitkomsten maximaliseren gaat ten koste
van iedereen (extra koe, is veel koeien)
● Bovendien vinden mensen van zichzelf vaak dat ze hier niet aan doen (stoel →
zitten).
● lastig om aan te passen: want automatisch (zien out-group → startle reflex) en
oncontroleerbaar (of niet?) Hercategoriseren is dus lastig.
, HC: 3 Sociale beïnvloeding
Kurt Lewin: Veldtheorie:
● Mensen bevinden zich in krachtig veld waarbij andere invloed op ons uitoefenen.
● Gedrag = persoon x situatie
Bibb Latané:
● sociale beïnvloeding is afhankelijk van:
○ aantal anderen
○ mate van waarde die aan bron wordt gehecht
○ babijheid van de bron (fysiek of pschologische, aanwezig in gedachten)
● Onderzoek in studentengang: als iemand al helpt, of er anderen aanwezig zijn, dan
helpt meerderheid niet: omstanderrespect. Terwijl als niemand aanwezig is zijn we
meer bereid om te helpen.
Conformiteit:
● Informational: The need to be accurate: doen wat de situatie van ons verwacht.
Weten vaak niet wat te doen, en kijken dit af van de ander
● Normatief: The need to be accepted: iets doen om erbij te horen. Fundamenteel
sociaal-psychologische behoefte. Kan veel minder rationeel uitpakken. Zag je terug
in navolgen Nazi-regime.
Asch:
● geïnteresseerd in normatieve beïnvloeding. Experiment met objectief duidelijk
interpreteerbare stimuli (lijnen). Zonder sociale beïnvloeden gaven wel goede
antwoorden, maar met andere confederates volgden deelnemers het foute antwoord
op van de anderen. → ongemakkelijk gevoel bij proefpersonen tijdens proces naar
beslissing toe
Stanley Milgram:
● ‘’Waarom volgen mensen klakkeloos autoriteiten op?’’
○ Onderzoek naar gehoorzaamheid: elektrische schokken toedienen aan
onderzoeksdeelnemer bij foute antwoorden. Zelfs professionals kunnen
resultaten niet verwachten. Gevolg was dat mensen bereid waren ver te
gaan, ondanks pijnkreten van 'leerling'.
○ Mensen voldoen zich er zeer ongemakkelijk bij, waren niet sadistisch
● Oorzaken
○ Belang van autoriteiten (hoe minder autoritaire iemand eruit ziet, hoe minder
gehoorzaamheid)
○ afschuiven van verantwoordelijkheid
○ nabijheid proefleider vs proefpersoon
○ zijn er wel of geen ongehoorzame anderen erbij