Theorie Leesvaardigheid A2 – tekstdoelen
Tekstdoel dat wat de schrijver met zijn tekst wil bereiken bij de lezer.
Informeren de schrijver wil dat de lezers van de tekst iets leren. Informerende teksten zijn objectief
en bestaan vooral uit feitelijke uitspraken.
Voorbeelden: menukaarten, lesboeken, handleidingen, nieuwsberichten,
politierapporten, geschiedenisboeken
Objectief neutraal, zonder dat er een mening wordt gegeven.
Feitelijke uitspraken uitspraken die controleerbaar zijn, ze zijn waar of niet waar.
Beschouwen/opiniëren de schrijver wil dat lezers van de tekst een eigen mening vormen over
het onderwerp van de tekst. De schrijver geeft informatie over het onderwerp, zoals voor- en nadelen,
of de mening van deskundigen.
Voorbeelden: sommige krantenartikelen, tijdschriftartikelen met achtergrondinformatie
Overtuigen de schrijver heeft een mening en wil dat de lezers van de tekst deze mening ook krijgen.
De schrijver wil lezers overtuigen van zijn gelijk. De mening/het standpunt/de stelling van de schrijver
wordt uitgelegd met argumenten.
Voorbeelden: betoog, recensies, blog/column, ingezonden brieven in kranten en tijdschriften
Activeren de schrijver wil dat de lezer van de tekst iets gaat doen, dus in ‘actie komt’. Bijvoorbeeld
iets kopen, ergens geld aan geven, ergens naartoe gaan, ergens op stemmen of ergens lid van worden.
Voorbeelden: reclameteksten of advertenties, folders en posters, verkiezingsteksten
Diverteren de schrijver wil dat de lezer van de tekst vermaakt wordt en plezier beleeft aan het lezen
van de tekst. Een diverterende tekst kan een verzinsel zijn of iets wat de schrijver zelf heeft
meegemaakt.
Voorbeelden: gedicht, roman, strip, column/betoog
Theorie Leesvaardigheid A3 - leesstrategieën
Leesstrategie de manier van lezen om je leesdoel te bereiken.
Zoekend lezen zoeken naar informatie in de tekst, die antwoord geeft op je vragen. Of zoeken naar
een tekst die je interessant vindt of kan gebruiken voor bijvoorbeeld onderzoek. Je zoekt
met steekwoorden/trefwoorden om snel te vinden wat je nodig hebt.
Zoekwoorden/trefwoorden woorden om mee te zoeken op het internet of in een catalogus.
Globaal lezen een tekst snel bekijken, zodat je weet waar de tekst over gaat. Je kijkt naar de kopjes,
de eerste en laatste alinea, tussentitels, de eerste zin van de alinea’s en de afbeeldingen. De
hoofdgedachte staat vaak in de inleiding of het slot.
Hoofdgedachte de belangrijkste boodschap van de tekst.
Intensief lezen een tekst helemaal en nauwkeurig lezen, om de tekst goed te kunnen begrijpen. Je
probeert elke zin te begrijpen. Woorden die je niet begrijpt, zoek je op.
Lerend lezen een tekst lezen en leren, om belangrijke informatie te onthouden. Je begint met
globaal lezen, vervolgens lees je de tekst intensief en tot slot maak je een samenvatting of markeer je
de belangrijkste punten.