Hoofstuk 2: pre-anesthetisch onderzoek
Dit voert een para-vet of dierenarts uit, omdat je aan de hand van dit onderzoek het risico van de
operatie kan inschatten. Patiënten worden dan ingedeeld in ASA-classificatie (American Society of
Anesthesiologists).
Sedatie of algehele anesthesie heeft als doel 1 of meerdere:
1. Verminderd bewustzijn
2. Amnesie
3. Pijnbestrijding
4. Spierontspanning
Onderdelen pre-anesthetisch onderzoek:
1. Signalement
2. Anamnese
3. Algemene indruk
4. Lichamelijk onderzoek
- In ieder geval ademhaling, pols, temperatuur, slijmvliezen, turgor en temperatuur
- Lokale anatomie
5. Aanvullende diagnostiek (alleen als er iets in het voorgaande onderzoek afwijkend was)
6. Functies testen
7. Risico analyse
8. Gesprek client
Risico analyse
Naast het anesthesierisico moet ook het operatie risico worden ingeschat
- Soort operatie
- De duur van de operatie
- De mogelijkheden voor de nazorg
, Hoofdstuk 3: algehele anesthesie
4 doelstellingen van algehele anesthesie. Een mogelijke indeling is:
1. Metaal blok: verlies van bewustzijn (hypnose) en geheugenverlies (amnesie) sedatie
2. Sensibel blok: geen pijn (analgesie)
3. Motorisch blok: spierontspanning (spierrelaxtie)
4. Autonome stabiliteit:
Het autonome zenuwstelsel regelt de functies waar je zelf geen invloed op hebt (hartslag,
bloeddruk, functie luchtwegen, organen). De werking en bijwerkingen van narcose middelen
kunnen invloed hebben op de circulatie en respiratie. Stabiele circulatie en respiratie zijn van
belang, zorg daarom dat deze op peil blijven.
De 4 stadia van onder narcose brengen:
1. Premedicatie
2. Inductie
3. Onderhoud
4. Recovery
3.1 Premedicatie
In dit stadium ga je het dier voorbereiden op anesthesie. Je sedeert het dier met de premedicatie, het
dier wordt al een beetje suf. Dit zodat het dier beter meewerkt bij het onder narcose brengen. Hij is
minder bang en evt. pijn wordt al onderdrukt verminderd stress. Dit is prettiger voor het dier en
veiliger voor de omgeving. Daarnaast gaan we met de premedicatie het autonome zenuwstelsel
stabiliseren. Verder is het zo dat de dosis van andere anesthesiemiddelen verlaagd kan worden,
wanneer het dier premedicatie heeft gekregen. Ze versterken elkaars werking.
Bij sommige combi’s van narcosemiddelen versterken de middelen elkaars werking en/of heffen de
middelen elkaars bijwerkingen (gedeeltelijk) op. Denk aan (bij gezels DAP veelgebruikte combi’s):
- Domitor®/ketamine,
- Dexdomitor®/ketamine
- Sedastart®/ketamine.
Ketamine is hierbij het inductiemiddel; de andere middelen zijn premedicatiemiddelen.
Je ziet dus dat premedicatie en inductie nogal eens tegelijkertijd worden toegediend.
3.2 inductie
Dit is het onder narcose brengen van het dier. Denk hierbij aan de voorwaarde van algehele
anesthesie: amnesie, hypnose, spierrelaxatie, analgesie en stabilisatie van het autonome
zenuwstelsel. De paravet houdt het dier goed in de gaten, de gezondheid van het dier en de
maatregelen die praktijk neemt om de risico’s te beperken hebben invloed op de narcose.
3.3 onderhoud
“het onder narcose houden van de patiënt tijdens de behandeling”. Dit kan d.m.v. gasanesthesie of
injectie-anesthesie. De dierenarts bepaalt wat voor narcosemiddelen er worden gegeven, hoeveel en
hoe. De paravet houd de dierenarts op de hoogte van de toestand van de patiënt, zodat het dier
stabiel en ongehinderd onder narcose is.