De oorzaken van de wetenschappelijke revolutie in de 17 e eeuw waren:
- Ontdekkingsreizen
- Wetenschappelijke invloeden op ambachten
- Boekdrukkunst voor het verspreiden van ideeën
- Humanistische tekstanalyse
- Empirisme (waarnemen en ervaringen)
- Rationalisme
De ideeën waren tegenstrijdig met het geloof, waardoor het veel discussie was
over het geloof. Daarom beslotem mensen zelf te bepalen waarin ze geloofden.
Uit de wetenschappelijke revolutie ontstond de Verlichting:
- Nadenken met de ‘rede’
Er kwamen nieuwe ideeën over opvoeding, onderwijs en dit werd verspreid met
de nieuwe media: pamflet en boek.
Hierbij werd nagedacht over de maatschappij hoe die verbeterd kon worden. Hij
werd getoest op hoe redelijk hij was. Er kwamen nieuwe sociale verhoudingen dat
tegen de standensamenleving was. De samenleving moest op de rede gebaseerd
zijn ipv erfelijkheid.
Verlichte denkers waren voor scheiding van kerk en staat, want de kerk mocht
niks zeggen over de samenleving. De staat moest in handen zijn van vertrouwde
verlichte personen.
Er waren verschillende verlichte denkers:
- John Locke was voor vrijheid en gelijkheid, hij vond dat God rechten had
bedacht die voor iedereen geldde. Hij was grondlegger van liberalisme.
Wanneer de vorst zich niet hield aan deze rechten mocht het volk hem
afzetten.
- Jean-Jacques Rousseau was voor volkssoevereiniteit. Hij was voor een
directe democratie waarin het volk bepaalde wat er gebeurde in de
maatschappij: algemene wil. Ook was hij voor gelijkheid en geen privébezit
- Montesquieu was voor scheiding van de machten (uitvoerend, rechterlijk,
wetgevend) dit is de trias politica. Grondlegger sociologie
- Adam Smith was voor de vrijemarkteconomie, waarin vraag en aanbod de
economie bepaalden. Iederen moest vrij zijn hoe hij geld verdiende en
uitgaf. Grondlegger kapitalisme.
Rousseau en Locke kwamen met het sociaal contract. Dit was een denkbeeldig
contract tussen de vorst en het volk. Als het volk iets niet goedkeurde gebeurde
dat ook niet.
Toch wilde vorsten absolute macht en kwamen met het droit divin. Sommige
vorsten waren verlicht absolutist. Zij deden alles voor het volk, maar niets door
het volk.