1. Conjunctuur en inflatie
Conjunctuur (of fluctuatie) is de verandering van het groeipercentage van de economie of productie op de
korte termijn. De gemiddelde groei over de lange termijn is de trendmatige groei.
De conjunctuurcyclus (of conjunctuurgolf) geeft weer hoe het gaat met de economie.
In de conjunctuurgolf kom je twee uiterste fases tegen:
Hoogconjunctuur = de opgaande fase in de Laagconjunctuur = de neergangsfase in de
economie. Kenmerken van deze fase zijn: economie. Kenmerken van deze fase zijn:
- Veel bedrijvigheid - Geringe bedrijvigheid
- Geringe werkloosheid - Hoge werkloosheid
- Krachtige bestedingsneiging onder de - Voorzichtige bestedingsneiging onder de
consumenten (veel vraag) consumenten (meer aanbod dan vraag)
- Inflatie (prijspeil stijgt) neemt toe, ook wel - Lage inflatie
bestedingsinflatie, doordat de vraag naar - Weinig vraag naar kredieten en een
producten meer wordt zullen de prijzen ook dalende rente
hoger worden. - Investeren omdat de rente laag is (vaak
- Veel kredietverlening omdat het écht nodig is)
- Stijgende rente
Recessie (ofwel teruggang) = wanneer de economie krimpt daalt de omvang van de productie en ontstaat het
risico op deflatie (dalend prijspeil).
Tegengaan? Mensen moeten hun geld uit willen geven en niet afwachten op prijsdalingen, geld moet
rollen!
Waarom moet er af en toe een recessie komen? Waarom staan we dat toe?
o Vrijemarkteconomie = Een economie waarin vraag en aanbod de prijzen bepalen, iedereen
mag handeldrijven en winst maken.
Hoe komt er een hoogconjunctuur of een laagconjunctuur?
- Het omkeerpunt in een hoogconjunctuur
Door inflatie stijgen de prijzen ontzettend in een hoogconjunctuur. Wanneer het even wat slechter
gaat met bedrijven beslissen ze om (nog) niet te gaan investeren in nieuw materiaal. Zo kan de hele
branche ermee ‘besmet’ worden en dat steekt andere branches weer aan, en hier kan extreem op
worden gereageerd. Dan kom je in een recessie terecht.
- Het omkeerpunt in een laagconjunctuur
Wanneer je machines in de laagconjunctuur (lage rente) toch kapot gaan, moét je wel investeren in
iets nieuws. Doordat de rente laag is kan je goedkoop aan geld komen. Als er in de hele branche
hetzelfde gebeurt en iedereen weer gaat investeren profiteren meerdere branches daarvan en klimt
de economie weer omhoog. Bedrijven moeten mensen aannemen en ze gaan meer verdienen
waardoor ze ook meer gaan uitgeven en de economie naar een hoogconjunctuur wordt getild.
Hoe kan het dan dat het toch weer mis gaat?
Stel: een fabrikant van een stift heeft marktonderzoek gedaan en zegt dat de markt in 2020 met 20% gaat
stijgen, wat betekend 12000 stuks in totaal. Alle stiftfabrikanten denken dat ze zelf 20% gaan groeien (wat
natuurlijk niet waar is), en gaan daar dus ook op produceren. Zo ontstaat er overproductie en is er te veel
aanbod in de markt waardoor twee fabrikanten onnodig zijn, en daardoor vallen de slechtste twee om. De
beste fabrikanten blijven over en dan wordt de economie weer iets beter.
Gemiddeld groeit de economie (trend) met 2%, de oorzaak dat de conjunctuurgolf ineens weer naar beneden
gaat kan door extreme dingen zoals de Brexit.
1
, Actuele economische thema’s
De overheid kan met haar begrotingsbeleid de conjunctuurgolf zowel afzwakken als versterken.
Afzwakken: De overheid kan ervoor kiezen om een conjunctuurbeleid te voeren dat de nadelen van
hoog- of laagconjunctuur beperkt. Dat kan door de overheidsbegroting tegen de conjunctuur in te
laten werken: anti-cyclisch begrotingsbeleid (A).
o Laagconjunctuur:
Investeren om de markt aan te laten trekken
Extra geld uitgeven om de economie aan te laten trekken
Belastingverlaging toepassen
o Hoogconjunctuur:
Bezuinigingen op ambtenarensalarissen (bv) om de economie af te remmen
Meer belastingen heffen om de economie af te remmen
Hyperinflatie voorkomen
Versterken: De overheid kan er echter ook voor kiezen om een beleid te voeren dat de conjunctuur
versterkt. In dat geval spreken we van pro-cyclisch begrotingsbeleid (P). In zo’n geval wíl de overheid
de conjunctuurgolf niet versterken, maar is zij van mening dat andere effecten belangrijker zijn dan de
conjunctuur. Dat zijn dan veelal structurele ontwikkelingen.
o Voorbeeld: De Nederlandse overheid heeft sinds 2002 voortdurend gekozen voor bezuinigingen in een periode dat het
conjunctureel slecht ging. Hierdoor zorgde de overheid voor extra slecht draaien van de economie. De overheid
versterkt de economische malaise. Dat noemen we een pro-cyclisch beleid. De overheid heeft voor dit beleid gekozen
omdat de overheidsschuld anders te sterk oploopt. Deze bezuinigen leiden dan wel tot minder overheidsbestedingen
en dus tot minder economische groei op korte termijn, maar moeten op langere termijn via gezonde
overheidsfinanciën en een gezonde rente de economische groei juist veilig stellen. De structurele ontwikkeling werd
belangrijker gevonden dan de conjuncturele ontwikkeling.
BBP = Bruto Binnenlands Product = Totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en
diensten gedurende een bepaalde periode. Dus alles wat we in Nederland maken.
Goederen + diensten + export – import
Als het BBP stijgt, groeit de economie omdat in heel Nederland er meer wordt geproduceerd.
Als het BPP twee kwartalen achter elkaar daalt, spreek je van een recessie (bedrijven gaan failliet,
rente naar beneden, meer werkloosheid)
De Nederlandse economie groeit voor het vierde jaar op rij harder dan de gemiddelde Eurozone.
Groei van een land wordt gemeten a.d.h.v. het BBP. Groeit dit? Dan groeit de economie!
Redenen voor stagnering van de BBP:
- Personeel te kort
- Brexit
- China die hoort bij de opkomende markten, land met het hoogste aantal personen maar de economie
stagneert daar.
De begroting van 2019 (overzicht van de inkomsten en uitgaves van 2019)
- Hoogconjunctuur: de overheid krijgt meer belasting binnen omdat er meer gekocht wordt door de
BTW en er is minder werkloosheid dus is er meer inkomstenbelasting.
- Als land mag je een begrotingstekort van 3% hebben.
- Meeste uitgaven: sociale zekerheid, dit zal alleen maar toenemen aangezien we te maken hebben met
vergrijzing.
2