Kenmerkend Aspect: De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in
economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.
De bijzondere plaats in staatkundig opzicht: Republiek is een statenbond met
particularisme.
In de Republiek is er geen centraal bestuur maar hebben we particularisme. Er waren 7
zelfstandige staten in Nederland. De hoogste macht lag bij de Gewestelijke Staten (= naam
van het bestuursorgaan). Dit was een statenvergadering die door de regenten bestuurd werd
(=aristocratie). De bestuurders in ieder gewest en in de steden werden regenten genoemd.
De Staten Generaal ( vertegenwoordiging van de 7 gewesten) vergaderde in Den Haag
onder leiding van de Raadpensionaris. De Staten Generaal besliste met eenstemmigheid
over de buitenlandse politiek, defensie, en het bestuur van de Generaliteitslanden.
Vaak is er een strijd om de macht tussen de Stadhouder (opperbevelhebber van leger en
vloot) en de Raadpensionaris. De achtergrond daarvan is dat Holland uitgaven voor
landleger wil beperken. Stadhouders willen het liefst evenveel macht als koningen in andere
landen. Het gewest Holland had de meeste invloed van alle 7 gewesten samen.
Bloei in economisch opzicht
Landbouw: Doordat de grond in Holland heel ongeschikt was voor akkerbouw, kwam er een
graaninvoer uit Oostzeegebied (=moedernegotie). Veel boeren gaan zich daarom
specialiseren in veeteelt (zuivel) en handelsgewassen (hennep, vlas en meekrap).
Holland wordt dankzij de gunstige ligging aan zee de stapelmarkt in Europa (bulkgoederen
als graan en hout werden opgeslagen en later met winst verkocht = vorm van
handelskapitalisme: eerst investeren, dan winst!)
Handel: Daarnaast werd de handel overzee steeds belangrijker. Hiervoor werden de V.O.C.
(1602) en de W.I.C opgericht. De V.O.C. werkte op basis van aandelen en kreeg het
monopolie voor handel met het Azië. Deze compagnie is opgericht met als doel handel
drijven met Azië en om het beconcurreren van handelaren onderling te voorkomen. Doordat
handelaren elkaar beconcurreerden daalden de prijzen steeds verder, terwijl nu de prijzen
gewoon constant konden blijven (monopolie). De handel werd gedreven via factorijen aan
de kust en de politieke bemoeienis is minimaal, tenzij de handelsbelangen in gevaar komen.
De W.I.C. had het handelsmonopolie in het Atlantisch gebied door middel van de
driehoekshandel die daar gedreven werd. Tot 1648 was daar veel kaapvaart (Oorlog met
Spanje) maar na dit jaar richtte de W.I.C. zich op de handel in slaven welke zeer
winstgevend was.
Amsterdam groeide uit tot de belangrijkste havenstad van Europa dankzij de gunstige ligging
in Europa, de moedernegotie, de specialisatie in zuivel en handelsgewassen en de
specerijenhandel. Alle goederen van binnen en buiten Europa waren daar te vinden op de
stapelmarkten.
Ambacht/nijverheid: omdat er in Amsterdam alle grondstoffen te vinden waren zorgde dit
ook voor bloei in de ambacht/nijverheidssector. Van wol werd laken gemaakt, van hennep
touw. Het hout werd verwerkt in de scheepsbouw.
Bloei op cultureel gebied
In alle Europese landen zijn de koning/adel/kerk de opdrachtgevers van alle kunst en dat