Samenvatting fysiologie 2
Het reflexmodel
Het reflexmodel verwijst naar het concept van een reflex, een onwillekeurige en automatische reactie
van het lichaam op een bepaalde stimulus. Dit model beschrijft de typische sequentie van
gebeurtenissen in een reflexboog, waarbij een stimulus een respons veroorzaakt zonder dat er
bewuste controle nodig is. De basiscomponenten van een reflexboog omvatten:
Receptor: Het deel van het lichaam dat de stimulus detecteert, zoals een zenuwuiteinde in de huid.
Sensorische zenuw: Een zenuwvezel die de informatie van de receptor naar het zenuwstelsel
transporteert.
Centraal zenuwstelsel (CZS): Het centrale deel van het zenuwstelsel, bestaande uit de hersenen en
het ruggenmerg, waar de informatie wordt verwerkt.
Motorische zenuw: Een zenuwvezel die de reactie van het CZS naar de effectoren brengt.
Effector: Het orgaan of de spier die de uiteindelijke respons produceert, bijvoorbeeld het
samentrekken van een spier om een hand terug te trekken na aanraking.
Een klassiek voorbeeld van een reflex is de kniepeesreflex. Wanneer de kniepees wordt getikt, rekt
deze zich uit, waardoor sensoren (receptoren) geactiveerd worden. Deze informatie wordt via
sensorische zenuwen naar het ruggenmerg gestuurd, waar het centrale zenuwstelsel de beslissing
neemt om de spieren in de dij te laten samentrekken. De motorische zenuwen brengen dan het
signaal naar de dijspieren (effectoren), wat resulteert in het onwillekeurig optillen van het been.
Het reflexmodel illustreert de snelheid en efficiëntie van het zenuwstelsel bij het produceren van
snelle, automatische reacties op externe prikkels, vaak als een beschermingsmechanisme voor het
behoud van de homeostase.
Spierweefsel wordt ook wel, extrafusalevezels genoemd.
Alles wat binnen de spoel ligt wordt intrafusaal genoemd.
Een spier levert kracht en dat kan leiden tot beweging.
, Extrafusalevezel
- Kracht
- Pees > bot
- Motor
Intrafusaal
- Sensor
- Proprioscepsis
- H + B gevoel
- II (parallel) geschakeld
- Doel: lengte en snelheid
(Propiosensoren geven informatie over stand en beweging van het lichaam).
3 type spierspoel
Kernzakvezel (nuclearbag)
- Type IA (dikkere zenuwvezel)
- Afferent
- Sneller
- Annulospiralewinding
- Uiteinden: polaire afferente fusimotore uiteinden (type 1 of type 2 vezel)
- Middelste deel: equaforiale deel
Kernketting (nuclearchain)
- Heeft type IA en type II (dunnere zenuwvezel)
- Annulospiralewinding
- Afferent
- Uiteinden, type 1 of type 2 efferente
Efferente:
- Verschillende typen gamma-motorische neuronen
- Respons is sterker
- Gamma D neuronen (dynamische kernzakvezels) > activiteit is hoog in situaties
waarin de lichaamshouding moet worden gehandhaafd
Myotatische reflex model
- Monosynaptisch
- Monosegmentaal
- Ipsilateraal
- Doel: momentele lengte van de spier in stand houden
Myotatische reflex 1:
- Duurt 30 – 50 milisec.
- Shortloop
Myotatische reflex 2:
- Polysegmentaal
- Groter effect > middenhersenen (cerebullum)
- 50 – 80 milisec.
- Longloop
Het reflexmodel
Het reflexmodel verwijst naar het concept van een reflex, een onwillekeurige en automatische reactie
van het lichaam op een bepaalde stimulus. Dit model beschrijft de typische sequentie van
gebeurtenissen in een reflexboog, waarbij een stimulus een respons veroorzaakt zonder dat er
bewuste controle nodig is. De basiscomponenten van een reflexboog omvatten:
Receptor: Het deel van het lichaam dat de stimulus detecteert, zoals een zenuwuiteinde in de huid.
Sensorische zenuw: Een zenuwvezel die de informatie van de receptor naar het zenuwstelsel
transporteert.
Centraal zenuwstelsel (CZS): Het centrale deel van het zenuwstelsel, bestaande uit de hersenen en
het ruggenmerg, waar de informatie wordt verwerkt.
Motorische zenuw: Een zenuwvezel die de reactie van het CZS naar de effectoren brengt.
Effector: Het orgaan of de spier die de uiteindelijke respons produceert, bijvoorbeeld het
samentrekken van een spier om een hand terug te trekken na aanraking.
Een klassiek voorbeeld van een reflex is de kniepeesreflex. Wanneer de kniepees wordt getikt, rekt
deze zich uit, waardoor sensoren (receptoren) geactiveerd worden. Deze informatie wordt via
sensorische zenuwen naar het ruggenmerg gestuurd, waar het centrale zenuwstelsel de beslissing
neemt om de spieren in de dij te laten samentrekken. De motorische zenuwen brengen dan het
signaal naar de dijspieren (effectoren), wat resulteert in het onwillekeurig optillen van het been.
Het reflexmodel illustreert de snelheid en efficiëntie van het zenuwstelsel bij het produceren van
snelle, automatische reacties op externe prikkels, vaak als een beschermingsmechanisme voor het
behoud van de homeostase.
Spierweefsel wordt ook wel, extrafusalevezels genoemd.
Alles wat binnen de spoel ligt wordt intrafusaal genoemd.
Een spier levert kracht en dat kan leiden tot beweging.
, Extrafusalevezel
- Kracht
- Pees > bot
- Motor
Intrafusaal
- Sensor
- Proprioscepsis
- H + B gevoel
- II (parallel) geschakeld
- Doel: lengte en snelheid
(Propiosensoren geven informatie over stand en beweging van het lichaam).
3 type spierspoel
Kernzakvezel (nuclearbag)
- Type IA (dikkere zenuwvezel)
- Afferent
- Sneller
- Annulospiralewinding
- Uiteinden: polaire afferente fusimotore uiteinden (type 1 of type 2 vezel)
- Middelste deel: equaforiale deel
Kernketting (nuclearchain)
- Heeft type IA en type II (dunnere zenuwvezel)
- Annulospiralewinding
- Afferent
- Uiteinden, type 1 of type 2 efferente
Efferente:
- Verschillende typen gamma-motorische neuronen
- Respons is sterker
- Gamma D neuronen (dynamische kernzakvezels) > activiteit is hoog in situaties
waarin de lichaamshouding moet worden gehandhaafd
Myotatische reflex model
- Monosynaptisch
- Monosegmentaal
- Ipsilateraal
- Doel: momentele lengte van de spier in stand houden
Myotatische reflex 1:
- Duurt 30 – 50 milisec.
- Shortloop
Myotatische reflex 2:
- Polysegmentaal
- Groter effect > middenhersenen (cerebullum)
- 50 – 80 milisec.
- Longloop