Speciaal onderwijs
Cluster 1: leerlingen met een visuele beperking.
Cluster 2: dove/ slechthorende leerlingen en leerlingen met een
taalontwikkelingsstoornis.
Cluster 3: leerlingen met lichamelijke en/of verstandelijke handicap en langdurig zieke
leerlingen.
Cluster 4: leerlingen met psychische stoornissen en gedragsproblemen.
Doelen op vier niveaus
Landelijk curriculum kerndoelen wettelijk vastgestelde doelen primair
onderwijs (WPO).
Inhoudslijnen aanbodsdoelen voorbeeldmatige uitwerking van de kerndoelen.
Leerlijnen leerdoelen uitwerking van aanbodsdoelen in schooleigen leerlijnen of
leerlijnen in methode.
Lessen en activiteiten lesdoelen uitwerking van doelen uit leerlijnen of
inhoudslijnen als les- en activiteitniveau.
Referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen
1F = fundamenteel, de basis, dit moet.
1S = streef.
1S+ = beter dan streef, ideaal afgeleverd.
Voorheen: discrepantiecentrum: is er een significant verschil tussen de potentie (IQ) en
specifieke vaardigheid (Bijvoorbeeld lezen of rekenen)?
Dit wordt niet ondersteund door onderzoek
intelligentie niet van belang voor ernst van aard en problemen.
intelligentie niet van belang voor aanpak en effect daarvan.
intelligentiemeting niet de logische eerste stap; er wordt niet gekeken naar hoe het
onderwijs aangepast kan worden.
Nu: response to instruction model
Verantwoordelijkheid in eerste instantie bij het onderwijs (dus minder kindgericht).
Eerst kijken of het onderwijs zo kan worden aangepast dat het kind tot voldoende
leerprestaties komt. Als dit niet helpt wordt er pas naar het kind gekeken. Pas bij goed
onderwijsaanbod en onvoldoende vooruitgang nagaan of sprake is van leerproblemen.
Laag 1: het algemene, reguliere basisaanbod dat alle kinderen krijgen (80% profiteert
hiervan).
Laag 2: leeromgeving aanpassen; remediëren (= als leerkracht probeert door gerichte
hulp problemen te verhelpen) en intensief oefenen in groepjes (15% profiteert
hiervan).
Laag 3: nog meer aanpassingen in onderwijsaanbod; remediëren, in nog kleinere
, groepjes oefenen. Meer op maat aanpak (5% profiteert hiervan).
Laag 3 niet genoeg? In NL extra zorg buiten de school, zoals diagnostiek en
behandelingen van een orthopedagoog (niveau 4 zorgcontinuüm). Ook is naar speciaal
onderwijs gaan een optie.
Er zijn voor en nadelen voor het gebruik van het RTI-model, maar het is het best
beschikbare model.
Zorgcontinuüm Nederland: ondersteuningsniveaus
- Niveau 1:
Goed onderwijs voor alle leerlingen (verantwoordelijkheid van de school)
Betrokkenen: leerkracht en directie
Niveau 2:
Differentiatie in de klas (binnen de groep, bij RTI kan het ook buiten de klas)
Betrokkenen: leerkracht, intern begeleider, bouwcoördinator en mentor
Niveau 3:
Extra zorg buiten de klas maar binnen de school (bijvoorbeeld interne begeleider)
Betrokkenen: intern begeleider, remedial teacher, ouder-kind adviseur, logopedist,
schoolmaatschappelijk werker en schoolpsycholoog/orthopedagoog
Niveau 4:
Diagnostiek en behandelingen buiten school (bijvoorbeeld doorverwijzing naar
orthopedagoog)
Betrokkenen: psycholoog en orthopedagoog
Basisbehoeften: verbondenheid, competentie en autonomie welbevinden, motivatie,
inzet.
Leerlingvolgsystemen: I-V en A-E
I is het beste en V is het slechtste; A is het beste en E is het slechtste.
Generieke vaardigheden
Vaardigheden met een breed effect, brede inzetbaarheid.
Grotendeels aangeboren, evolutionaire relevantie.
Voorbeelden: geheugen, aandacht, spreken en gezichten herkennen, luisteren en
nummer sense.
Moeilijk te identificeren (meten), altijd binnen bepaalde context, ervaring met die
context bepaalt prestaties.
Specifieke vaardigheden
Vaardigheden met een smal effect, een specifieke toepasbaarheid.
Grotendeels aangeleerd (= mesmorised information), culturele overdracht.
Voorbeelden: schaaktechnieken, touwtje springen, rekenen, lezen.
, generieke vaardigheden bepalen hoe makkelijk specifieke vaardigheden worden
geleerd.
Cognitieve belastingstheorie: beperkte geheugencapaciteit (Tricot & Sweller, 2014).
Worked examples (= uitgewerkte voorbeelden): hierbij krijgt de leerling volledig
uitgewerkte voorbeelden, zodat geen geheugencapaciteit nodig is voor nadenken over
mogelijke oplossingen. Volle aandacht voor verwerven oplossingsstrategie voor het
specifieke probleem.
Expertise reversal (= ervaring opdoen): wanneer een oplossingsstrategie is verworven
(het werkt niet meer goed of zelfs tegen), ervaring opdoen door toepassen op zo veel
mogelijk nieuwe problemen om specifieke kennis/ervaring in langetermijngeheugen te
verzamelen.
LITERATUUR
Aspecten van didactisch handelen:
Het stellen van na te streven doelen.
Het bieden van effectieve groepsinstructie.
De rol van klassenmanagement.
Het omgaan met verschillen tussen leerlingen om het onderwijs op hun
ondersteuningsbehoeften te kunnen afstemmen.
Effectief lesgeven:
Expliciete instructie.
Aanbieding van de leerstof in goed opgebouwde, hanteerbare stappen.
Leerlingen met de leerstof laten oefenen en onder begeleiding laten toepassen.
Fasen van het directe instructiemodel
1. Terugblik op vorig les.
2. Het aangeven van de lesdoelen en leerdoelen.
3. De prestatie van de leerkracht.
4. De begeleiding in de oefeningen.
5. De zelfstandige verwerking door de leerlingen.
6. Het bieden van feedback in elke fase.
7. Het terugblikken op doelen en nagaan in hoeverre ze behaald zijn.
Het vertrouwen van de leerling in zijn eigen mogelijkheden heeft het sterkste effect op
het leerrendement.
Klassenmanagement = de handelingen die de leerkrachten ondernemen om een
omgeving te creëren die academisch en sociaal-emotioneel leren ondersteunt en
faciliteert. Een goed klassenmanagement is preventief.
Classroom assessment scoring system (CLASS)
Emotionele ondersteuning: verwijst naar de affectieve kwaliteit van de interacties
tussen de leerkracht en leerlingen.
Klassenorganisatie: verwijst naar aspecten van klassenmanagement die verbonden zijn
met zowel het pedagogisch als het didactisch handelen van de leerkracht.
Instructiekwaliteit: verwijst naar het gebruik van instructie- en feedbackstrategieën en
het taalaanbod door de leerkracht die hogere orde denken, creativiteit en
taalvaardigheid bij leerlingen stimuleren.