Inhoudsopgave
HC8 Membraan transport (H13) (10)........................................................................................................................2
HC9 Cel signalering (H15) (10).................................................................................................................................12
HC10 Apoptose (H18) (8)........................................................................................................................................22
HC11 Cel-cyclus (H17) (12)......................................................................................................................................30
HC12 Cel-cel contacten (H19) (9)............................................................................................................................42
HC13 Stamcellen (H22) (11)....................................................................................................................................51
HC14 Cancer therapy (gast) (6)...............................................................................................................................62
1
,HC8 Membraan transport (H13) (10)
Inhoud
Intracellulaire membraan traffic
Transport van het ER door de Golgi apparaat
Transport van de Trans Golgi netwerk naar lysosomen
Intracellulair verkeer
Wat zijn de voordelen van intracellulaire compartimenten?
• Concentreer reactanten: substraten/enzymen/cofactoren
• Isoleer potentieel gevaarlijke reacties: lysosomen/peroxisomen
• Vergroot oppervlak voor membraangebonden reacties
Wat maakt compartimenten anders?
o Eiwit samenstelling
o Lipiden samenstelling
o pH, andere ionen concentraties
• Transport tussen de verschillende componenten van het endomembraansysteem is
vesiculair
Vesiculair transport: Endocytose en Secretie en Retrieval pathways
Vesiculair transport stelt membraancompartimenten in staat om
componenten uit te wisselen zonder identiteit te verliezen
Monomere GTPases van de Rab-familie reguleert vesikeltransport en docking
Effectoren: motorproteïnen, tethers, membraanfusieproteïnen
GEF's: Guanine-exchange factor -> activering Rab
GAP's: GTPase-activerend proteïne (inactivering)
Als Rab geactiveerd is kan hii jook weer andere eiwitten activeren, waaronder ook
weer een GEF die vervogelns een andere Rab kan activeren
Een geactiveerde Rab kan ook weer een GAP activeren en dus zorgen voor het
tegenovergestelde, namelijk inactivatie van een andere Rab
En zo heeft elk compartiment zijn eigen Rab en hierdoor kunnen vesicles weten wrm
ze naar een bepaalde plek moeten.
Eiwitspecificiteit in de endomembraan compartimenten: Rab-eiwitten
Op vesicle zit v-SNARE en op target zit t-SNARE en die vormen een SNARE
complex, maar hoe de juiste vesicle naar de juiste target gaat, daar zijn dus de
Rab eiwitten bij betrokken.
Rab-GTP zit op een vesicle en die worden herkend door een tethering protein
(Rab effector) op het target membraan. Rab die bindt eraan en hierdoor krijg je een
conformatie verandering van tethering protein waardoor hij het vesicle dichter bij
het membraan brengt en dan kunnen de SNAREs een interactie met elkaar aangaan
en het SNARE complex vormen en die kunnen uiteindelijk kracht genereren om die
twee membranen met elkaar te fuseren.
Tijdens het docken wordt de GTPase (Rab) geïnactiveerd tot Rab-GDP en die wordt
gebonden door Rab-GDP-dissociatie inhibitor (GDI)
2
,Eiwitspecificiteit in de endomembraan compartimenten: Rab-eiwitten
Je hebt dus veel compartimenten en die hebben elk een Rab die ze elk naar hun
eigen locatie toe bewegen. En sommige zijn echt specifiek voor 1 compartiment
Rab-familieleden (>60) identificeren intracellulaire compartimenten
o Rab3A: synaptich vesicles, secretory vesicles
o Rab5: Early endosomes plasmamembraan, clathrin-coated vesicles
o Rab7: Late endosomes (multi vesiculair body, MVB)
Vorming van een Rab5-domein op een early endosoom
• Je hebt een inactieve Rab5-GDP met GDI
• Rab5-GDP wordt geactiveerd door Rab5-GEF
• Conformatieverandering (lipide klapt naar buiten) en membraaninsertie van Rab5-
GTP en gaat dan weer andere eiwitten activeren
• Activering PI3-kinase, ze teen fosfaat (P) op een fosfolipide (PI) -> PI(3)P-vorming
• PI(3)P Rekruteert meer Rab-5-GEF (positieve feedback) en Rab-effectorproteïnen
• En dan krijg je plekken op het membraan waar veel van die eiwitten bij elkaar zitten
en waar vesicles dus het liefst een interactie aan gaan
Verschillende Phosphatidylinositol lipiden markeren organellen en membraandomeinen
• Naast die eiwit verschillen hebben de compartimenten ook verschillende lipide
samenstellingen
• Ze hebben plextrin homology (PH) gekoppeld aan een fluoriscentie (YFP) en de PH
bindt specifieke fosfolipiden waardoor je ze kan zien
• En zo zie je dat verschillende membranen uit verschillende fosfolipiden bestaan
o PI3P dus speicifek voor early endosomen
o PI(4,5)P2 is vooral voor hele plasmammebraan met op sommige specifieke
plekken PI(3,4,5)P3
Fosfatidylinositollipide: Zijn georganiseerd in lipide-rafts
Lipide-rafts zijn lokale veranderingen van de lipide samenstelling
1:1:1-mengsel van: Fosfatidylcholine, Sphingomyeline, Cholesterol. En dan zie je dat
cholesterol met een van de twee gaat zitten en dan gescheiden van de rest,
waardoor je dus ziet dat ze op aparte plekken/stippen zitten
vormen lipidedomeinen/rafts
Phosphatidyl Inositol lipiden
• Fosfaatgroep hecht de inositolring aan de glycerol backbone
o 2 vetzuurstaarten aan de OH van glycerol en daaraan zit fosfaat
groep met daaraan inositolring (met 6 koolstof posities)
• Inositolring kan alleen gefosforyleerd worden op posities 3, 4 en 5
• Groen pijltje is fosfatase en rood pijltje is kinase en je kan dus van ene lipide vorm
naar de andere gaan door toevoeging/verwijdering van fosfaat
• Door verschil in 1 of 2 fosfaatgroepen op en inositol ring, kunnen ze dus door
verschillende eiwitten herkend worden die dus of 1 of 2 fosfaatgroepen herkennen
o vb kinase: PI-3 kinase die dus geactiveerd werd door Rab5. Maakt van Pi, PIP
o een andere PI-3 kinase, die betrokken is bij signaling. Die maakt van PiP2, PiP3
3
,Het rekruteren van specifieke kinasen en fosfatasen naar membraandomeinen en
compartimenten
Dus door specifieke kinases naar een organel te rekuteren krijg je daar een
andere fosfolipiden samenstellling en kun je daardoor weer andere eiwitten
daarheen rekruteren
En als eenmaal zo’n bepaalde samenstelling gevormd is dan blijft dat zo bestaan
Intracellulair transport Vesicle coats
Door de verschillende eiwitten en lipiden, kunnen er ook verschillende
coats om verschillende vesicles heen zitten. Er zijn 4 verschillende:
o COPII: zit bij het ER
o COPI: zit bij alle transport in golgi en ook bij retrieval
o Clathrin: bij endocytose-> vesicles gaan naar early endosoom. Ook bij
trransport van trans golgi naar late endosoom en ook bij retrieval van
transgolgi vesicles terug naar de transgolgi
o Retromer: bij vesicles van endosoom terug naar transgolgi
Dit is vooral betrokken bij vesicles als ze van transgolgi naar endosoom
gaan om daar eiwitten af te geven, dan wil je die zelfde vesicles terug
brengen want die hebben de juist receptoren en samenstelling. Dus
die eiwtten en lipiden op membraan worden herkend door retromeer
en die zorgen ervoor dat hij dan terug gaat
Verschillende lagen op verschillende blaasjes
• Functies van de laag:
o 1) selecteren van cargo moleculen: op cargo eiwitten binden
adaptor eiwitten en daarop binden de coat eiwitten
o 2) stabiliseren van membraan kromming:
• Clathrin coat: Endocytose. Is bedoeld om de vorm van het vesicle vast te houden. Dus
ze induceren niet de vorm (daar zijn andere eiwitten bij betroken), maar ze
behouden de vorm van een vesicle als het gevormd wordt.
• COPI: Bud van Golgi
• COPII: Bud van ER
• Retromer: Retrieval naar Golgi
Clathrine-gecoate vesikel assemblage
Cargo receptoren binden een cargo die signal geeft voor endocytose.
Adaptorproteïnen (AP): selectie van cargo moleculen
1) Fosfolipide-geïnduceerde binding van adaptorcomplex 2 (AP2)
2) AP2 bindt PiP2 -> Conformatieverandering van AP2 waardoor 2 andere
domeinen open gaan.
3) Deze domeinen hebben hoge affiniteit voor cargo receptoren
4) Bindt eerst 1 en daarna al snel 2e cargo receptor en dan vindt er dimerisatie plaats
van de receptoren ofterwel clustering van cargo receptoren. -> kuiltje wordt gevormd
Bij EGF als cargo is het vaak dat de cargo receptoren zelf een hoge affiniteit krijgen
voor elkaar en gaan dimeriseren. Maar soms (zoals in dit vb) is er 3e eiwit bij
betrokken die zorgt voor dimersiatie van de receptoren
4
,Clathrine gecoate pit vorming
• BAR-domein bevattende eiwitten induceren membraanbuiging, wat
kromming induceert. Ze kunnen ook de fosfolipiden samenstelling
veranderen door fosfolipiden met meer onverzadigde binden erin stoppen
waardoor de vetzuurstaarten meer uit elkaar gaan (minder sterk gebonden)
• Clathrine triskelionen fixeren het gebogen membranen en zetten het dus vast
Clathrin-coated vesicles: Structuur en vorm
Clathrine triskelion bestaat uit 3 heave chains en 3 light chains
Clathrine-lattices zien eruit als een honingraatstructuur
Lokale actinepolymerisatie helpt bij het budden van membraanblaasjes
Uiteindelijk heb je een bud en wordt ie steeds ronder, en uiteindelijk moet de er af
en daar zijn dynamine (GTPase) en actine (+motor eiwitten) bij betrokken
Dynamine zorgt voor het afsnoeren van de vesicle
Actine + motoreiwitten zijn betrokken bij het wegtrekken van het membraan
Dynamin is een GTPase die fissie (afsnoering) induceert
Dynamine monomeren vormen een dynamine dimer en die vormen samen
een dynamine spiraal dmv interactie van GTPase domeinen en die
interacteren ook weer als ze weer bij elkaar komen. En als ze GTP hydrolyse
doen dan zorgen ze voor conformatie verandering van het membraan en
snoeren ze het vesicle af
Assemblage en demontage van met clathrine gecoate blaasjes
Coated vesikel uncoating
• Hydrolyse van PI(4,5)P2 door een specifieke fosfatase (AP2 affiniteit is verzwakt). en
die defosforyleert PiP2 en dan krijg je Pi(4)P en daar hebben de adaptor eiwitten
(AP2) weinig affiniteit voor dus de kans dat ze loslaten wordt groter. En als ze loslaten
laat ook de clathrine los (AP en clathrine hebben een lagere bindingskans)
Samenvatting deel 1
• De eukaryote cel heeft veel processen en reacties gecompartimenteerd
• Verschillende organellen zijn moleculair en biofysisch verschillend: verschillende
eiwitten (bijvoorbeeld Rabs), verschillende fosfolipiden, verschillende pH
• Transport van de ene naar de andere wordt mogelijk gemaakt door vesiculaire fissie-
en fusiegebeurtenissen
• Verschillende soorten vesikels hebben verschillende vrachtreceptoren,
adaptorproteïnen en vesikelmantels.
• Verschillende vesikelmantels: Cop II, Cop I, rectomeer en Clathrin
Transport van het ER door de de Golgi Apparaat
Intracellulair transport
ER->Cis->Golgi
ER retrieval pathways
Sorting in de golgi
Glycosylatie
5
,ER naar Golgi en ER retrieval
COPII wordt gemaakt aan ER: voor transport ER naar golgi
COPI voor ER retrieval
Formatie van COPII coated vesicles (op het ER)
Sar1-GDP (Sar 1 is ook een GTPase) wordt geactiveerd door Sar1 GEF
Sar1-GTP conformationele verandering, waardoor het het membraan gaat binden:
o Amfifiele helix voegt zich in het ER-membraan
o Is nu actief en rekruteert adaptorproteïnen aan (Sec23 en Sec24)
Adaptorproteïne bindt vervolgens aan:
o Cargo receptoren
o Cop II-coat proteïnen (Sec 13 en Sec 31)
Zijn ook weer eiwitten betrokken die BAR domeinen hebben
Rekrutering van membraan en cargo in ER-transportblaasjes
Hierbij heb je ER resident protein en die mist het interactie domein met het cargo
receptors die in die COPII coat vesicles zitten dus die blijven in het ER
Oplosbaar cargo protein met erop een exit signal moet naar golgi, PM of lysosoom.
En met die exit signal kan die aan de cargo receptoren binden en meegenomen
worden door dus een COPII vesicle formatie
Speciale gevallen: packaging van zeer grote cargo, zoals matrixvezels (pro-collageen)
Pro-collageen zit veel in bindweefsel (pezen bv) en dat bestaat dus voornamelijk
uit ECM dat voor groot deel uit collageen bestaat. En dat collageen wordt door de
fibroblasten (blauwe stipjes in het roze collageen) gemaakt.
De eiwitten worden in het ER van de fibroblast gemaakt en moeten dan van het ER
naar het golgi. Collageen zijn grote moleculen die groter zijn dan de cel zelf dus hoe
kan dat nou. Ten eerste wordt collageen getransporteert als pro-collageen en dat
wordt in hele langewerpige tubulaire vesicles gestopt en gaat dan wel gwn via het ER
via secretie vesicles naar het PM. En aan de buitenkant van de cel worden er stukken
afgeknipt van het pro-collageen en dan worden die stukken die overblijven aan
elkaar gezet en vormt het collageen.
Er zijn dus specifieke eiwitten die het COPII mechanisme een beetje aanpassen.
Hierbij wordt het laatste stadium (o.a. afsnoering) van vesicle formatie uitgesteld
waardoor hij dus langwerpig wordt
Speciale ER resident packaging proteïnen (o.a. E3 ubiquitine ligase & SAR1 GAP)
o SAR1 GAP -> inactiveren Sar1 (GTPase) sneller, waardoor hij later weer
geactiveerd kan raken
o E3 ubiquitine ligase: de coat krijgt mono-ubiquitinatie van Sec 31 (coat
protein). Hierdoor wordt het vormen van een ronde vesicle uitgesteld en
wordt hij dus langer. (ubiquitinatie heeft dus meer functies dan eiwit afbraak!
Hierdoor wordt het vormen van een ronde vesicle uitgesteld en wordt hij dus een
langwerpig tubulaire vesikels
ER naar Golgi en ER retrieval
Tegelijkertijd dat de vesicles getransporteert worden, gaan de homotypic
vesicles ook versmelten/fuseren met elkaar
6
, Vesicles kunnen alleen fuseren als de coat er af is. Beide vesicles hebben t-SNARES en
v-SNAREs en die zorgen ervoor dat de vesicles met elkaar kunnen fuseren.
Ze vormen dan een Vesicular tubular cluster: een langwerpig structuur dat naar het
golgi netwerk getransporteert wordt. En tegelijk dat hij ontstaat worden er ook weer
vesicles afgesnoert en gecoat (COPI) voor retrieval
Retrieval van oplosbare ER-eiwitten terug naar het ER
1) Oplosbare eiwitten: C-terminale KDEL-sequentie
2) Transmembraaneiwitten: C-terminale KKXX-sequentie
Oplosbare eiwitten retrieval: Cargo (geel) gaat gwn in vesicles naar het
golgi maar oplosbare ER resident eiwitten kunnen perongelijk mee gaan
en komt dus in het vesicular tubular cluster en gaat daar al meteen aan met zijn
KDEL-sequentie aan de KDEL-receptor binden. Ze binden alleen aan de KDEL-receptor
in organellen/vesicles buiten het ER en niet in het ER, dit komt omdat de affiniteit van
de KDEL-receptor voor de KDEL-sequentie pH-afhankelijk is (Golgi-lage pH).
Gebonden aan een KDEL-receptor vormt het een COPI coated vesicles en wordt het
teruggebracht naar het ER. Eenmaal bij het ER heeft het vesicle zijn coat verloren en
fuseert het met het ER en daar is de pH neutraler dus daar is de affiniteit voor de
KDEL-sequentie van de receptor lager dus hij laat los in het ER lumen en is terug waar
hij moet zijn.
De transmembraaneiwitten: deze zitten al vast in het membraan dus die binden
direct aan de COPI eiwitten (geen receptor nodig) en die gaan dan terug naar ER
Golgi-apparaat: een enkele structuur in veel zoogdiercellen, meerdere stacks in planten-
en insectencellen: Er is dus verschil in structuur van het golgi tussen organismes
Het Golgi is een geordende reeks compartimenten (in zoogdieren)
Cis golgi netwerk (CGN) onvangt de vesicular tubular vesicles. Daarna cis cisterna,
medial cisterna, trans cisterna. En dan Trans gogli netwerk (TGN), die vormt weer
secretoiry vesicles. De cisternal zijn ook chemisch verschillend
Er zijn twee modellen over hoe dit transport gaat: 1) door transport van het inhoud
dmv vesicles tussen de verschillende lamellen, of 2) door transport van de gehele
lamellen waar ze veranderen van identiteit bij elke volgende compartiment
Processen van Gogli:
o 1) Sorting: sorteert de eiwitten die naar de organellen van het
endomembraansysteem moeten
o 2) Proteïnemodificatie: bekendste is glycosylering.
Verschillen in cisterna: Sugar processing in Golgi-compartimenten
De cisternal zijn ook chemisch verschillend en er vinden verschillende
soorten processen plaats met elk lamel zijn eigen functie.
Je hoeft niet te kennen wat er allemaal in welke lamel gebeurt.
Functie van glycosylering van lipiden en eiwitten
• 1) Eiwitvouwing: solubilisatie (oplosbarisatie) voorkomt aggregatie
• 2) Resistentie tegen proteasen (bijvoorbeeld lysosooom)
7
, o Protease in lysosoom zijn enorm geglycosyleert en dat beschermd ze ook
tegen de enzymen die in het lysosoom zelf aanwezig zijn
• 3) Vorming van slijmlaag (glycocalyx/ cellaag)
o Bescherming tegen schade (epitheel: darm, huid, long, etc.): Mechanisch,
Chemisch, Pathogenen
De suikergroepen trekken namelijk water aan waardoor slijm gemaakt
kan worden
• 4) Signalering (Notch): Notch moet geglycolyseert zijn om door Delta herkent te
worden
Er zijn twee soorten glycosylering: 1) N-linked glycosylering
N-linked glycosylering: en bloc in ER en gemodificeerd in het Golgi
o N-linked oligoscharide: 2 N-acetylglucosamine, 9 mannose, 3 glucose
N-linked oligosaccharide wordt op een asparigine (N) residu geplaats door
oligosaccharyltransferase in het ER. De 3 glucose moleculen worden dus
eerst er af gehaald voordat het eiwit uit het ER kan gaan. Daarnaast
wordt ook 1 mannose eraf gehaald nog in het ER
In het golgi wordt de hele N-linked oligoscharide gemodificeerd: er
worden eerst 3 mannose moleculen eraf gehaald en dan hou je een high-
mannose oligosaccharide over. Dan gaan ze hem weer opbouwen door er weer N-
acetylglucosamine toe te voegen en dan weer 2 mannose eraf gehaald en dan weer
nieuwe N-acetylglucosamine toegevoegd en uiteindelijk heb je drie n-
acetylglucosomine groepen waar elk een N-acetylneuramic acid aan toe wordt
gevoegd waardoor je een complex oligosaccharide hebt
Je hoeft de prc modificaties niet te kennen! alleen weten dat het dus gemodificeerd
wordt in het golgi (en deels nog in ER)
Er zijn twee soorten glycosylering: 2) O-linked glycosylering
O-linked glycosylering: in het Golgi (niet in het ER)
o Dit gebeurt op een Threonine of Serine (hebben beide een OH groep die
gefosforyleerd kan worden)
o Ook mogelijk op hydroxy Proline en Hydroxy Lysine: specifieke az die
aangepast worden in bijv collageen en die dus ook later geglycosyleert
kunnen worden
Dit kunnen ook poly oligosccharide zijn maar die worden er 1 voor 1 op geplaats
en niet en bloc zoals in het ER bij N-linked oglycosylering
Samenvatting deel 2
• Transport van het ER naar het Golgi wordt gemedieerd door Cop II-gecoate vesikels
• Cop II-gecoate vesikels vormen vesiculaire tubulaire clusters
• Vesiculaire tubulaire clusters gebruiken Cop I-gecoate vesikels voor zowel secretie als
retrieval
• Ophalen van ER-residente eiwitten door KDEL- en KKXX-sequenties
• Functie en mechanismen van glycosylering in het Golgi
8
,Transport van de Trans Golgie Netwerk (TGN) naar lysosomen
Het endomembraan systeem verzuurt geleidelijk
De verschillende compartimenten in het endomembraan hebben dus ook
verschillende ionenconcentraties, waaronder protonen (H+). En die zorgen
ervoor dat de pH veranderd tussen de compartimenten, waardoor het van ER
(7,2) naar Cis (6,7) naar trans (6) naar early endosoom (6,3) en in late endosoom (5,5)
en uiteindelijk naar lysosoom (4,7, zuurste) steeds zuurder wordt.
Lage pH van lysosomen is het resultaat van de H+ ATPase
• H+ ATPase verzuurt het binnenste van het lysosoom, door H+ erin in te pompen.
• Hydrolytische enzymen functioneren alleen bij lage pH.
• Dit is nuttig omdat mochten ze eruit lekken dan krijgen ze een hele conformatie
en zijn ze niet meer actief.
Sorting van lysosomale eiwitten van de trans-Golgi -> endosomen -> Lysosomen
Lysosomale eiwitten gaan vanuit het trans-golgi eerst naar endosoom en dat
matureert vaak naar een lysosoom (dus nie via transport).
Dit komt door een Manose-6-phospate receptor. Lysosome eiwitten hebben
namelijk N-linked oligosaccharide met een fosfaat op manose 6 (M6P).
N-acetylglucosamine fosfotransferase herkent een signaalpatch en draagt een
GlcNAc-fosfaat over naar een mannose op de glycogeenzijketen. (GlcNAc wordt
later verwijderd?). De Mannose-6-fosfaatreceptor herkent M6P-residuen en
sorteert deze in met clathrine gecoate vesicles voor transport naar het endosoom.
M6P op een lysosomale eiwit wordt herkend in het trans golgi netwerk door een
M6P-receptor en dat wordt in een apart vesicle gestopt dat is gecoat door clathrine.
Dan wordt het vesicle getransporteert en verlies zijn coat en fuseert met een
endosoom. Ook in het endosoom is een H+ ATPase en die verzuurd het endosoom en
door die verzuring veranderd de affiniteit van M6P voor zijn receptor en hierdoor
loslaat en dan wordt de fosfaat er ook afgehaald zodat hij niet perongelijk terug kan
gaan. De M6P receptor gaat wel terug en wordt herkend door de retromeer complex
en die vormt een vesicle dat terug getransporteeert wordt naar het trans gogli
netwerk.
Endosoom maturatie (rijping): het endocytische pathway van het PM naar lysosomen
Trans golgi netwerk geeft zijn vesicles af aan hele boel soorten endosomen.
Verschil tussen early en recycling endosoom is maar beperkt te zien, maar verschillen
vooral doordat recycling vaak een grillerige vorm hebben, en dat early endosomen
naarmate ze matureren naar late endosoom een meer ronde vorm hebben
Door afgifte van eiwitten van het trans golgi netwerk naar de verschillende
endosomen, matureren ze van een early endosoom naar een late endosoom.
Er is dus geen vasiculair transport van de een naar de andere endosoom, maar
beginnen als early endosoom en matureren langzaam tot late endosoom
Er worden ook intralumenal vesicles gevormd, dit zijn vesicles in het endosoom
Fusie van laat endosoom/multivesiculair body met lysosoom resulteert in een
endolysosoom
9
, Vier transportroutes van het PM naar het lysosoom
Endocytose: vesicles fuseren met early endosoom en matureren tot late
endosoom en daarna lysosoom.
Macropinocytose: opname van ionen in vesicles en dat fuseert in het late
endosoom en matureert later tot lysosoom
Fagocytose: alleen witte bloedcellen kunnen van de zoogdiercellen. Opname
van bacterie in een vesicle en die fuseert later met een late endosoom of lysosoom
Autofagie: Opruimen van organellen die niet meer goed functioneren in de cel, vaak
mitochondrieen. Ongezonde mitochondrien kunnen heleboel reactieve oxygon
soorten maken (betrokken bij parkinson), en die wil je niet dus wordt opgeruimt.
Hierbij vormen ze een dubbelmembraan en dat fuseert later met een lyosoom
Autofagie
Een beschadigde mitochondrien is ge ubiquitineert op het buitenste membraan (ook
poly-ubiquitine chain) en deze wordt herkend door ubiquitine-afhankelijke receptor
op een autofagosoom membraan (dubbellaag). Dus uiteindelijk bij opname van
mitochondrie heeft het 4 membranen. Dit fuseert met een lysosoomm of late
endosoom en daar wordt alles stuk gemaakt.
Fagocytose
• Hierbij komen bacteriën van buiten de cel en deze zijn gemarkeert met
antibodies (ABs) en deze worden herkend door Fc receptor op witte
bloedcel. Dan worden er met actine filamenten een instulping omheen
gemaakt en dan wordt hij ingesloten en dan zit hij in een membraan vesicle en die
kan weer fuseren met een lysosoom voor afbraak.
• Hierbij worden de fosfolipiden (Pi(4,5)P2) in het PM om de bacterie gefosforyleert
door PI 3 kinase tot Pi(3,4,5)P3 fosfolipiden
• Fagocytose wordt alleen gedaan door:
o Eencellige organismen (protozoa)
o Neutrofiele granulocyt (witte bloedcel)
o Macrofaag (aangeboren immuunsysteem)
o Microglia (zenuwstelsel)
o Dendritische cel (immuunsysteem)
Endocytose: Recycling van de receptor en Receptor downregulatie
Recycling receptor: Hierbij wordt vesicle gevormd door clatherin coating
en bij transport wordt het vesicle uncoated en fuseert het met early endosoom. Dan
worden bepaalde cargo receptors weer recyclert terug naar het PM door clatherin
coated vesicles. En de cargo eiwitten blijft in het early endosoom en deze matureert
tot een late endosoom en fuseert vervolgens met een lysosoom waardoor je een
endolysosoom krijgt en die matureert uiteindelijk terug tot een lysosoom
Receptor downregulatie: receptoren in early endosoom membrane
kunenn gemultiubiquitineerd worden en dit zorgt tijdens de maturatie
van het endosoom voor invaginatie van de receptor en pinching off tot
een intralumenal vesicle. Hierdoor heb je een multivesiculair body en
deze fuseert met een lysosoom tot een endolysoom die vervolgens weer
terug matureert tot lysosoom. En hier worden de receptoren dus afgebroken
10