Master Rechtsgeleerdheid – VU
Week 1 – Hoorcollege
Wat is IPR?
Het IPR behandelt de niet-materiele aspecten van privaatrechtelijke
grensoverschrijdende (als in: meerdere landen/rechtsstelsels) casussen.
Daarin wordt grofweg onderscheid gemaakt in vier soorten:
- Rechtsmacht (= bevoegdheid)
o Procesrecht: Welke rechters zijn bevoegd, is de Nederlandse
rechter bevoegd?
o Conflictenrecht: Welk recht is van toepassing?
- Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen.
- Internationale rechtshulp en samenwerking.
Het kan voorkomen dat een Nederlandse rechter bevoegd is, maar dat
buitenlands recht van toepassing is. In een dergelijk geval moet de
Nederlandse rechter op basis van vreemd (als in: buitenlands) recht
oordelen.
Er mag dus geen sprake zijn van een 100% intern geval. Dat zijn gevallen
waarin alle aspecten van de casus volledig Nederlands zijn.
Het niet-materiele aspect ziet op de beantwoording van de soort vraag
binnen het IPR. In echtscheidingszaken wordt niet beantwoord: kan de
echtscheiding uitgesproken worden, maar: wie kan de echtscheiding
uitspreken en op basis van welk recht?
De erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen gaat aan
de hand van het Nederlandse IPR, veelal te vinden in Boek 10 BW.
Bronnen van het IPR
Vroeger was het IPR erg lastig toe te passen. Dit kwam veelal doordat
weinig overeenkomstig, of gecodificeerd was. Het IPR bestond vroeger
grofweg uit:
1. Verdragen;
2. Enkele wettelijke bepalingen;
3. Ongeschreven recht.
Eind 19e eeuw is de Haagse Conferentie opgericht. Deze internationale
organisatie vestigt zich in het Vredespaleis (Den Haag) en zijn er op
gericht het privaatrecht meer te harmoniseren en universeler te maken.
Dit bevordert de rechtszekerheid en bevoegdheidsregelingen.
Hierna volgden vele verdragen, waar Nederland vaak partij bij was. Mede
door de vestiging van de Haagse conferentie. De EU (vroeger: EEG) heeft
ook bijgedragen aan de toename van verdragen.
,De NL-wetgever heeft veel verdragsbepalingen overgenomen en
gecodificeerd: Boek 10 BW.
Tegenwoordig bestaat het IPR dan ook uit:
1. Internationale verdragen en Europese verordeningen;
2. Nederlandse wetgeving (Boek 10 BW, Rv)
a. Bevoegdheid: art. 1-14 Rv;
b. Toepasselijk recht: Boek 10 BW;
c. Erkenning & Tenuitvoerlegging art. 431 Rv.
3. Regels van ongeschreven Nederlands Recht.
Verdragen worden vaak opgesteld door internationale organisaties. Deze
verdragen kennen daarom (meestal) geen hoogste rechter. Per land gaat
het dus intern naar de hoogste rechter. Die kan eventueel vragen stellen
Weens Verdragenverdrag.
EU-verdragen en verordeningen worden vaak opgericht om het vertrouwen
in interlandelijke handel en het vrije verkeer van personen/goederen te
versterken. Binnen de EU kunnen rechters prejudiciële vragen stellen
HvJ-EU.
Verdragen zijn van toepassing, als ze voldoen aan de drie
toepassingsgebieden:
Materieel toepassingsgebied:
- Op welk gebied/onderwerp ziet het verdrag?
o Vaak te vinden in de titel, of in de eerste artikelen van een
verdrag/verordening.
o Beantwoord een vraag naar bevoegdheid.
- Bijvoorbeeld: Brussel I bis: Burgerlijke/Handelszaken, maar niet
familie- of faillissementsrecht.
Formeel toepassingsgebied:
- Ruimtelijk werkingsbereik; waar is het verdrag van toepassing?
o Komt eigenlijk alleen aan de orde bij een beperking daarvan.
o Kan ook universeel zijn, dan is het overal van toepassing.
- Bijvoorbeeld: Weens Koopverdrag: alleen van toepassing op
koopovereenkomsten gesloten binnen Oostenrijk, anders niet van
toepassing.
Temporeel toepassingsgebied:
- Vanaf welk moment is het verdrag van toepassing?
o Vaak achterin het verdrag te vinden.
o Kwestie van legaliteit, wanneer trad het in werking?
Alleen als aan alle drie de toepassingsgebieden is voldaan, is het verdrag
van toepassing.
Meerdere van toepassing? (= samenloop) Vaak opgenomen in de
regeling zelf, anders: Weens Verdragenverdrag.
,Internationaal conflictenrecht
Conflictenrecht is het recht dat bepaalt welk recht van toepassing is op
een casus, hiervoor zijn grofweg twee methoden:
1. Statutenleer / Neo-statutisme: Uitgangspunt is de rechtsregel;
2. Verwijzingsmethode (Von Savigny): Uitgangspunt is de
rechtsverhouding.
Savignaanse verwijzingsmethode:
Hierbij is de rechtsverhouding het uitgangspunt. Er moet worden
vastgesteld welk aanknopingspunt een gebeurtenis heeft met een bepaald
stelsel. Dit kan per rechtsverhouding worden bepaald. Doel
Beslissingsharmonie.
Bijvoorbeeld: Een onrechtmatige daad; waar heeft deze plaatsgevonden?
Bijvoorbeeld (Rome II): Echtscheiding wordt beheerst door de staat waar
echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben.
Als alle rechters dit toepassen, zorgt dit voor:
- Neutraliteit: Rechtszekerheid, bij iedere rechter gelijke toetsing.
- Regelblind: Welke regels aldaar gelden zijn niet van toepassing.
- Abstract: Er wordt (nog) niet gekeken naar de omstandigheden van
de casus.
Belangrijke aanknopingsbeginselen zijn:
- Nauwste verbondenheid
- Beschermingsbeginselen (= functionele aanknoping)
o Zwakkere partij wordt beschermd, bijvoorbeeld doordat het
recht van de woonplaats van de gedaagde wordt gekozen.
Ervan uitgaande dat die daar beter bekend mee is.
- Begunstiging (= bescherming voor zwakkere partij)
- Partijautonomie
o Partijen mogen in vrije wil een forumkeuze (= kiezen welke
rechter) maken.
o Art. 8 Rv.
In Nederland is het IPR op dit gebied (deels) gecodificeerd:
art. 10:2 BW Op basis van IPR aangewezen recht ambtshalve toepassen;
art. 79 lid 2 RO Hoge Raad vernietigt niet bij verkeerde toepassing.
Nederlandse rechter zoekt zelf uit, of vraagt partijen om bepaalde
uitlatingen te doen.
Echtscheidingen
Driedeling van toepasselijke bronnen in echtscheidingsprocedures:
Bevoegdheid Brussel II-ter
Art. 4 lid 1 Rv Brussel II-ter
Art. 9 Rv.
, Toepasselijk recht Art. 10:56 BW
Erkenning Brussel II-ter
Art. 10:57-59 BW
Bevoegdheid:
- Brussel II-ter:
o Materieel toepassingsgebied: art. 1 lid 1 B II-ter;
o Formeel toepassingsgebied: art. 3-6 B II-ter;
o Temporeel toepassingsgebied: art. 100 B II-ter.
- Art. 4 lid 1 Rv Verwijst binnen Nederland alsnog naar B II-ter, zelfs
als het niet kan.
- Art. 9 Rv Noodbevoegdheid voor de Nederlandse rechter.
Gewone verblijfplaats bevat twee elementen (HvJ MPA r.o. 44):
“het begrip „gewone verblijfplaats” in beginsel wordt gekenmerkt door
twee aspecten, te weten, ten eerste, de wil van de betrokkene om het
gewone centrum van zijn belangen op een bepaalde plaats te vestigen en,
ten tweede, de omstandigheid dat de betrokkene met een voldoende
mate van bestendigheid aanwezig is op het grondgebied van de betrokken
lidstaat”
1. Centrum van belangen van de betrokkene is daar aanwezig;
2. Omstandigheid dat de betrokkene veel aanwezig is.
Toepasselijkheid:
- Art. 10:56 BW Of echtscheiding kan worden uitgesproken wordt
bepaald door Nederlands recht, tenzij:
o Verzoekers samen kiezen voor een ander recht;
o Een verzoeker kiest voor een ander recht en dit
onweersproken blijft;
o Een verzoeker kiest voor een ander recht en beide
echtgenoten hebben een werkelijke band met die nationaliteit:
Objectief: Taal spreken, werken, familie enz.
- Doel: Voorkomen dat onwenselijk buitenlands recht wordt toegepast.
o Bijvoorbeeld Ierland: Eerst 4 jaar scheiding van tafel en bed,
voordat de echtscheiding kan worden uitgesproken.
Erkenning:
- Art. 30 B II-ter Erkenningen binnen lidstaten worden automatisch
erkend.
o Tenzij art. 38 van toepassing is, dat zijn de weigeringsgronden.
- Art. 10:57 Erkenning uitspraak rechter indien:
a. Uitspraak door bevoegde rechter/autoriteit.
- Art. 10:58 BW Erkenning eenzijdige verklaring, indien:
a. Overeenstemming met nationaal recht van de echtgenoot die
het huwelijk heeft ontbonden; en
b. Ontbinding heeft een rechtsgevolg; en
c. Andere echtgenoot stemt in of berust.
Marokkaanse Khoel (vrouw verzocht, man stemt in/berust)