BESTUURSRECHT I
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1 (onderwijseditie),
Deventer: Wolters Kluwer, 3de druk 2024
Gemaakt door: Fleur te Wierik
Jaar: 2024-2025
Module: RS0512-242522S
,LEEREENHEID 1
HOOFDSTUK 1,2 EN 7.1 + 7.2
HOOFDSTUK 1 – BESTUURSRECHT
Definitie en functies van het bestuursrecht
Het bestuursrecht reguleert het handelen van de overheid en kent drie functies:
• Legitimerende functie: het bestuursrecht geeft de overheid juridische grondslagen voor
haar handelen, herleidbaar tot de Grondwet en andere wettelijke voorschriften.
• Instrumentele functie: het bestuursrecht dient als middel om overheidsbeleid vast te
stellen en uit te voeren.
• Waarborgfunctie: het biedt burgers bescherming tegen het overheidsoptreden, onder meer
via rechtsbescherming en beginselen van behoorlijk bestuur.
LEGITIMERENDE FUNCTIE
De overheid macht slechts handelen binnen de grenzen van wettelijke bevoegdheden artikel 5:4
Awb. Deze legitimatie vereist dat overheidsoptreden:
§ Procedureel correct verloopt
§ Materieel rechtmatig is volgens geschreven en ongeschreven rechtsregels.
De Awb speelt hierin een centrale rol, vooral door de codificatie van algemene normen zoals,
1) Zorgvuldigheidsbeginsel – artikel 3:2 Awb
2) Motiveringsbeginsel – artikel 3:46 Awb
INSTRUMENTELE FUNCTIE
Het bestuursrecht ondersteunt het bestuur bij beleidsvorming en uitvoering. Overheidsbeslissingen
moeten voldaan aan normen van rechtvaardigheid en recht, en bijdragen aan het algemeen belang.
Voorbeelden hiervan zijn:
§ Het inzetten van bevoegdheden voor infrastructuurontwikkeling
§ Het toepassen van bestuursrecht in bijzondere wetgeving
Een goede balans tussen slagvaardigheid en rechtmatigheid is essentieel, zoals geïllustreerd door
de kinderopvangtoeslagaffaire.
WAARBORGFUNCTIE
De waarborgfunctie biedt bescherming tegen overheidsoptreden via:
§ Algemene en bijzondere bestuursrechtelijke regels (artikel 6 EVRM en beginselen van
behoorlijk bestuur)
§ Rechtsbescherming door bezwaar- en beroepsprocedures
Het bestuursrecht verstrekt de positie van de burger als rechtssubject en biedt garanties zoals:
§ Openbaarheid en inspraak
§ Toegang tot een onafhankelijke rechter – artikel 6 EVRM.
Bestuursrecht omvat zowel het recht voor, van en tegen het bestuur. Het biedt bevoegdheden aan
bestuursorgaan, maar waarborgt ook dat burgers hun rechten kunnen verdedigen tegen
machtsmisbruik.
Samenhang en spanningen tussen functies
De drie functies zijn onlosmakelijk verbonden:
§ De legitimerende functie geeft basis aan bevoegdheden, die via de instrumentele functie
worden gebruikt.
, § De waarborgfunctie verstrekt de legitimiteit door rechtsbescherming en
participatieprocedures.
Er bestaat echter spanning tussen de functies, bijvoorbeeld:
§ Te veel waarborgen kunnen de slagvaardigheid van het bestuur hinderen
§ Omgekeerd kan een gebrek aan waarborgen het vertrouwen van de overheid schaden.
Bestuur als functie binnen de trias politica
Het bestuursrecht wordt gezien als de overheidsfunctie die niet valt onder wetgeving of rechtspraak.
Artikel 1:1 Awb definieert een bestuursorgaan en sluit daarbij de wetgevende en rechterlijke macht
uit. Dit geeft invulling aan het begrip ‘bestuur’ als de uitvoerende macht binnen de klassieke trias
politica.
Kritiek op de scheiding der machten
In de praktijk zijn de functies wetgeving, bestuur en rechtspraak sterk verweven. Voorbeelden
hiervan zijn beleidsvorming en de noodzaak van rechtspraak bij bestuursbesluiten.
• Artikel 3:1 en 8:3 Awb maken uitzonderingen op deze scheiding.
Besturen als meer dan uitvoering
Besturen omvat niet alleen concrete beslissingen die individuen raken (microniveau), maar ook
algemene beleidsvorming en wetgeving (macroniveau). Het algemeen belang staat hierbij centraal,
maar wat precies als ‘algemeen belang’ geldt, wordt grotendeels politiek bepaald. De Grondwet –
artikel 19 t/m 23 Gw en verdragen zoals het EVRM (artikel 2 EVRM) bieden richtlijnen over
overheidsverplichtingen, waaronder sociale grondrechten.
Bestuursrecht in ruime zin
Bestuursrecht is breder dan de Algemene wet bestuursrecht. De Awb vormt de kern van het
algemene deel, maar het bijzondere deel bevat de meeste specifieke bevoegdheden en
verplichtingen. Voorbeelden hiervan zijn; belastingwetgeving, vergunningen en subsidies.
Normatieve basis
De democratische rechtsstaat is gebaseerd op de normatieve gedachte dat de overheid uitsluitend
handelt ter verwezenlijking van recht, gebaseerd op en in overeenstemming met dat recht. Dit vormt
het fundament van de relatie tussen de burger en de overheid. Hoewel deze principes niet altijd
expliciet onderdeel zijn van positief recht, vormen ze het toetsingskader voor bestuursrechtelijke
wetgeving.
DE DEMOCRATISCHE RECHTSSTAAT
De democratische rechtstaat wordt gekarakteriseerd door drie dimensies:
1. Democratie: burgers hebben zeggenschap over het overheidshandelen via democratische
legitimatie, zoals het kiesrecht en volksvertegenwoordiging.
2. Liberale rechtsstaat: beoogt vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid tegenover
overheidsmacht. Dit impliceert bescherming tegen willekeur en de verplichting van de
overheid om transparant en voorspelbaar te handelen.
3. Sociale rechtsstaat: de overheid moet omstandigheden scheppen die sociale
rechtvaardigheid bevorderen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en bestaanszekerheid.
Deze dimensies staan vaak in spanning met elkaar. Het streven naar optimale balans tussen deze
beginselen is een voortdurend proces.
, 1) Democratie
• Kiesrecht en politieke verantwoordelijkheid
Het democratisch stelsel vereist algemeen kiesrecht (actief en passief). Ambtsdragers die
niet rechtstreeks worden gekozen, dienen verantwoording af te leggen aan
vertegenwoordigende organen.
• Inspraak en participatie
Burgers hebben recht op inspraak bij beslissingen die hen raken (artikel 4:7 en 4:8 Awb).
Inspraak gaat verder dan horen: het impliceert daadwerkelijke invloed op beleidsvorming. De
Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet verplichten tot participatieverordeningen
artikel 150 Gemw.
• Openbaarheid van bestuur
Openbaarheid is essentieel voor democratische controle. De Wet open overheid (Woo)
regelt transparantie van documenten en besluitvorming. Archivering en toegankelijkheid van
overheidsinformatie worden beschermd door de Archiefwet 1995 en artikel 11 Auteurswet.
2) Liberale rechtsstaat
• Wetmatigheid en rechtszekerheid
Overheidshandelen moet gebaseerd zijn op kenbare, algemene regels artikel 3:46 Awb. Het
legaliteitsbeginsel en beginselen van behoorlijk bestuur normeren het optreden van
bestuursorganen.
• Machtsverdeling
Om machtsmisbruik te voorkomen, vereist de rechtsstaat een strikte scheiding en controle
van bevoegdheden. Check and balances zijn fundamenteel, hoewel de praktijk in Nederland
vaak afwijkt van de trias politica
• Grondrechten
De overheid mag slechts ingrijpen in burgerlijke vrijheden wanneer noodzakelijk en
proportioneel. Dit ondersteunt particulier initiatief en beperkt bureaucratische groei.
• Rechterlijke controle
Een onafhankelijke rechter moet bindende uitspraken kunnen doen over de rechtmatigheid
van overheidsoptreden – artikel 6 EVRM. Rechterlijke controle biedt zowel objectieve
rechtmatigheidscontrole als individuele rechtsbescherming.
3) Sociale rechtsstaat
• Sociale rechtvaardigheid
De overheid schept omstandigheden die het welzijn van burgers bevorderen. Sociale
grondrechten bijvoorbeeld artikel 19-23 Gw vormen de harde kern van deze dimensie.
• Effectiviteit
Overheidshandelen moet gericht zijn op concrete resultaten, zoals bij Europees recht (effet
utile). Juridische waarborgen dienen verspilling en corruptie tegen te gaan.
• Doelmatigheid
Middelen moeten efficiënt worden ingezet, met controle door de Algemene rekenkamer en
toezichtmechanismen. Dit versterkt de geloofwaardigheid van overheidsoptreden.
Betekenis voor het bestuursrecht
Groei van het bestuursrecht
De verbinding tussen democratie en sociale rechtvaardigheid heeft geleid tot een uitgebreide
regulering van overheidsoptreden. Tegelijkertijd normeren beginselen van de liberale rechtsstaat
deze groei door waarborgen te bieden.
Overheid en samenleving
De democratische rechtsstaat hanteert het primaat van particulier initiatief. Overheidstaken worden
beperkt tot die gevallen waarin burgers en organisaties zelf niet adequaat kunnen handelen.