H1 Diversiteit
Leerdoelen:
- De verschillende niveaus van biologische organisatie benoemen.
- De betekenis van systeembiologie uitleggen.
- Het verschil tussen een prokaryoot en een eukaryoot benoemen.
- De werking van feedback regulatie in een biologisch systeem uitleggen.
- De 3 domeinen van het leven benoemen en beschrijven.
- De diversiteit van het leven verklaren vanuit de evolutietheorie.
- De termen data en hypothese kunnen uitleggen.
Levenskenmerken
Leven bestaat uit een biologische eenheid (de cel). Het leven is heel divers maar heeft
gemeenschappelijke kenmerken zoals:
- Adaptatie en evolutie
- Aanpassing aan het milieu
- Regulatie
- Conversie van energie (licht → fotosynthese)
- Structuur
- Voortplanting
- Groei en ontwikkeling
Ordening van biologische eenheden
1. Biosfeer → som van alle ecosystemen op aarde
2. Ecosysteem → alle organismen in een gegeven gebied + abiotische factoren som van
levensgemeenschappen.
3. Levensgemeenschap → alle organismen in een bepaald gebied, verschillende
populaties.
4. Populatie → groep organismen van hetzelfde soort dat vruchtbare nakomelingen kan
krijgen.
5. Organisme → levend individu
6. Organen → deel van het lichaam met specifieke functie
7. Weefsels → groep cellen met gemeenschappelijke functie
8. Cellen → functie basis van het leven
9. Organellen
10. Moleculen
Emergente eigenschappen
,→ rangschikken van interactie van losse onderdelen door toename van de complexiteit.
Naarmate je hoger komt in de ordening van de biologie zijn er meer emergente
eigenschappen.
Systeembiologie → een model opzetten om te voorspellen hoe een verandering het hele
biologische systeem beïnvloed.
Biologische systemen
- Cel → kleinste eenheid van een organisme die alle levenskenmerken vertoont
- Eukaryoten (planten, dieren, schimmels)
- Prokaryoten (bacterie en archaea)
Overeenkomst : Verschillen:
Cel omringd door een celmembraan Eukaryoten hebben een celkern .
met DNA, organellen en zijn groot
Cel bevat DNA als genetisch materiaal Prokaryoten hebben geen .
celkern en organellen en ze zijn klein
Genen en genexpressie
Cellen bevatten chromosomen (erfelijk materiaal)
Chromosomen → DNA → genen (1 chromosomen bevat lange DNA keten met veel genen).
, 2 lange ketens van nucleotiden → nucleotide volgorde →
verschillende genen → verschillende eigenschappen.
Genoom → alle genetische informatie van een organisme.
Energieconversie is te vinden in alle levensvormen
Hoog in het hiërarchische structuur van het leven →
ecosysteem
Laag in het hiërarchische structuur van leven → een cel
Energie gaat maar 1 kant op in een ecosysteem.
Terugkoppeling
- Negatieve feedback (terugkoppeling) → deze komt het vaakste voor
- Het eindproduct stopt de productie van het eindproduct
- Positieve feedback regulatie
- Het eindproduct activeert het proces om het eindproduct te vormen.
Interacties
Symbiose → het
langdurig
samenleven van
twee of meer organismen van verschillende soorten waarbij de samenleving voor ten minste
een van de organismen gunstig of zelfs noodzakelijk is.
1. Mutualisme → beide voordelig of noodzakelijk
2. Commensalisme → één voordeel, één neutraal
3. Parasitisme → één voordeel, één nadeel
Domeinen van het leven
1. Archaea (prokaryoten, unicellulair)
2. Bacterie (prokaryoten, unicellulair)
3. Eukarya (eukaryoten, multicellulair) → 4 koninkrijken
a. Schimmels
b. Planten
c. Dieren
d. Protisten (eencelligen)
Evolutie