College 1
-De psychologie als ‘ontplofte confettifabriek’ (Barclay, 1973): De psychologie heeft veel interessante
onderzoeksresultaten die alle kanten op gaan maar niet echt samengaan.
-Tandenborstelprobleem: Probleem dat psychologen graag hun eigen theorieën gebruiken maar niet
die van anderen.
-Losse onderzoekjes zijn leuk, maar wetenschappelijke vooruitgang vereist integratie. Meer focus op
de context van menselijk gedrag kan daarbij helpen.
-AOP-psychologie past psychologische principes, theorieën en onderzoek toe op werk- en
organisatiecontexten.
-Niet iedere organisatie is werk.
-Arbeidspsychologie: Hoe beïnvloeden werkkenmerken het functioneren en de gezondheid van
werknemers.
-Organisatiepsychologie: Wat zijn de effecten van de relatie tussen individuele werknemers en hun
(sociale) werkomgeving?
-Personeelspsychologie: Hoe krijgen we de juiste persoon op de juiste plaats (in de juiste functie)?
-AOP-psychologen vind je bijvoorbeeld…
Als onderzoekers (kennisproductie).
Als docenten, coaches en trainers (kennisoverdracht).
Als consultants en bedrijfspsychologen (kennistoepassing).
-Scientist-practitioner model: Gebruiken van wetenschappelijke methoden en kennis in de AOP-
praktijk.
-Confirmation bias komt voor wanneer men nadenkt over hun eigen ervaringen want deze zijn
selectief. We moeten afhangen van gezond verstand, ‘best practices’ of ervaringen.
-We kunnen praktijkervaringen en -problemen gebruiken om onderzoek te genereren.
-We moeten niet alleen vragen ‘wat werkt er?’, maar ook ‘hoe werkt het?’, ‘waarom werkt het?’ en
‘wanneer werkt het?’.
-We leren over AOP om iets te weten van gedrag en gevoelens op het werk (hoe kan ik zorgen dat hij
beter meewerkt, waarom is zij zo succesvol) is nuttig voor je eigen carrière. Waar je ook in
geïnteresseerd bent, je vindt het terug in AOP.
-Alledaagse theorieën over werk:
Tevreden werknemers leveren het beste werk (niet per se, hangt af van heel veel dingen).
-Rare vragen tijdens sollicitatiegesprekken worden veel gebruikt. Er zijn allerlei methodologische en
ethische bezwaren tegen deze rare vragen. Deze vragen worden ook wel ‘brainteasers’ of ‘oddball
questions’ genoemd en ze zijn niet nieuw.
-Onderzoek suggereert dat kandidaten van rare vragen van streek raken en zich onrechtvaardig
behandeld voelen.
-Er zijn er paar persoonlijkheidstrekken die het gebruik van rare vragen voorspellen; de dark traits,
waaronder:
Narcisme
Sadisme
-Er is een mediator: een gebrek aan inlevingsvermogen (perspective-taking).
,-Mediator: Een variabele die tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele inzit. Verklaren een
relatie.
-Implicaties van de AOP-psychologie:
Theoretisch: hoe zitten mensen eigenlijk in elkaar?
Ethisch: doen we wel wat we zouden moeten doen?
Praktisch: wat werkt, wat is efficiënt of juist niet?
-‘Het hangt er vanaf’ (it depends) is het ultieme antwoord op alle psychologische vragen. De
effectiviteit van personen, eigenschappen, of gedrag hangt meestal af van de situatie.
-Het effectief uitvoeren van een taak valt niet altijd samen met dezelfde eigenschappen.
-De relatie tussen 2 variabelen is niet altijd hetzelfde.
-AOP-psychologen zoeken vaak naar variabelen (contingentiefactoren, condities/voorwaarden,
moderatoren) die ervoor zorgen dat specifieke eigenschappen en gedragingen meer of minder
effectief zijn.
-Moderatoren: Beïnvloedt de relatie tussen 2 variabelen.
-Close monitoring: leidinggevenden die hun medewerkers de hele tijd in de gaten houden. Dit
vermindert het gevoel van autonomie en zorgt dat mensen zich gecontroleerd voelen. Problematisch,
want mensen hechten veel waarde aan autonomie.
-Het kan zijn dat niet voor iedereen close monitoring even problematisch is:
Mogelijke moderator: structuurbehoefte van medewerkers.
-Uit onderzoek blijkt dat er een mediatie ‘ervaren autonomie’ is. Naarmate men meer close
monitoring kregen, voelden ze zich minder autonoom, waardoor ze zich minder
tevreden/gemotiveerd voelen. Ook is ‘rolduidelijkheid’ een mediator. Deze mediators worden
gemodereerd door ‘personal need for structure’.
-Voor weknemers met een lage PNS had close monitoring een negatieve relatie met motivatie en
tevredenheid en deze relatie werd verklaard door een lagere autonomie.
,-Zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan: Behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid.
-Contingentiebenadering: Is dit voor iedereen even problematisch?
-Variabelen zoals leiderschap en persoonlijkheid voorspellen gedrag, motivatie etc. maar dat bepalen
ze niet -> de correlatie is niet perfect!
-Persoonlijkheidstrekken voorspellen gedrag, maar ze bepalen het niet. Waar jij in je
normaalverdeling van je persoonlijkheid zit, hangt ook af van de situatie.
-De grote vraag van de psychologie: waarom doen mensen wat ze doen? Oftewel, hoe kunnen we
variantie in gedrag verklaren?
-Kwantitatief: met nummers, dus meten en manipuleren.
-Kwalitatief onderzoek: observatie, interviews, document-analyse (bestudering van archieven), case
studies, etc. Er is een comeback van kwalitatief onderzoek. Voordelen hiervan zijn rijke, veelzijdige en
herkenbare data, onverwachte vondsten, deelnemers ‘voelen zich gehoord’, mogelijkheid van
vervolggesprekken, etc.
-Kwalitatief onderzoek is ook bijzonder geschikt om hypothesen te genereren.
-Kern van experimenteel onderzoek is controle door random toewijzing.
-Primair (data verzamelen) versus secundair (kijken naar data die er al is) onderzoek.
-Secundair onderzoek: literatuuronderzoek, meta-analyse (is er over de hele linie nou een effect?).
-Kwalitatief organisatie-onderzoek:
Observatie: kijken wat mensen doen en wat daar de resultaten van zijn.
Interviews: mensen vragen naar hun ervaringen, gedachten, etc.
Document-analyse: bestuderen van archieven, beleidsdocumenten, etc.
Case-studies: systematische en uitgebreide beschrijvingen van een specifiek ‘geval’.
-Kwalitatief onderzoek heeft veel voordelen: rijke, veelzijdige en herkenbare data, onverwachte
vondsten, deelnemers voelen zich gehoord (niet altijd de kans bij kwantitatief onderzoek),
mogelijkheid van vervolggesprekken, etc.
-Kwantitatief onderzoek doen we als we al weten wat we willen meten en speculeren. We testen een
specifieke hypothese.
-Kwalitatief onderzoek is bijzonder geschikt om hypothesen te genereren en niet om hypothesen te
testen.
-Kwantitatief (=definitief onderzoek) kwalitatief (=interpretatief onderzoek).
-Nadelen kwalitatief onderzoek: gevoelig voor diverse vertekeningen, beperkte steekproef,
generaliseerbaarheid is erg beperkt, moeilijk en bewerkelijk om uit te voeren, etc.
-Kwantitatief organisatie-onderzoek:
, Experimenteel vs niet-experimenteel onderzoek (= correlationeel onderzoek).
-Correlationeel onderzoek: Je probeert 2 variabelen met elkaar in verband te brengen (is er een
samenhang/relatie?).
-Een correlatie zegt iets over de samenhang tussen 2 variabelen, maar niets over oorzaak en gevolg.
-Bij correlationeel onderzoek kan er sprake zijn van een derde variabele (bv. die invloed heeft op
beide waardoor het lijkt alsof de 2 op elkaar inwerken).
-Voordelen correlationeel onderzoek: relatief makkelijk en snel uit te voeren (bv via de computer),
goed te doen met beperkte middelen, grote steekproeven zijn haalbaar (omdat het makkelijk uit te
voeren is), onderzoek kan gedaan worden in een natuurlijke setting (bv vragenlijst doorsturen),
resultaten mogelijk goed generaliseerbaar (omdat je makkelijker mensen kan bereiken).
-Nadelen correlationeel onderzoek: interne validiteit is laag (geen causale conclusies door
omgekeerde causaliteit, derde-variabeleprobleem, etc.), je bent afhankelijk van de natuurlijke
variantie; scores die je daadwerkelijk waarneemt waardoor extreme gevallen misschien niet
voorkomen in je steekproef omdat het gewoon niet zo vaak voorkomt (of variantie in de ene
variabele samenhangt met variantie in de andere variabelen), correlaties zonder (methodologische of
statistische) controle kunnen misleidend zijn (bv simpson’s paradox; extra bron van variantie waar je
voor moet controleren).
-Variantie: verschillen tussen mensen.
-We kunnen proberen variantie te verklaren door te zien of deze samengaat met variantie op een
andere variabele (covariantie, de basis van correlatie).
-Statistische controle: Verwijderen van de ongewenste variantie uit de data.
-Methodologische (experimentele) controle: Voorkomen van ongewenste variantie (verschillen). Dan
heb je het gelijk al bijna over experimenteel onderzoek.
-Experimenteel onderzoek: willekeurige toewijzing aan groepen zodat groepen maar op 1 aspect van
elkaar verschil, namelijk de conditie waar ze in zitten.
-Experimenten zijn bedoeld om confounding factors uit te sluiten door middel van methodologische
controle. Je wilt zeker weten waar je een effect aan toe moet schrijven. Je moet dus maar 1 variabele
manipuleren.
-Voordelen experimenten: interne validiteit is hoog (causale conclusies trekken) mits het experiment
goed is opgezet en uitgevoerd, in principe kun je elke onafhankelijke en afhankelijke variabele
onderzoeken (mits het experiment ethisch is opgezet en uitgevoerd), je kunt zelf variantie in je
onafhankelijke variabele creëren (bv als je de effecten van extreme of zeldzame situaties wilt
onderzoeken).
-Nadelen experimenten: vaak tijdrovend en ingewikkeld om te doen (zeker in organisaties), daardoor
zijn ze ook duur, grote steekproeven zijn moeilijk (zeker in organisaties), kunstmatige situatie,
generaliseerbaarheid is niet altijd duidelijk (maar die kunstmatige situatie is tegelijkertijd ook de
kracht van experimenten aangezien de echte wereld heel rommelig is en je kan met experimenten
juist heel zorgvuldig de controle uitvoeren, dus controle is waar het experiment om draait).
-Kleine steekproeven leiden tot instabiele resultaten die moeilijk te repliceren zijn.
-Vaak is compleet experimenteel onderzoek in een organisatie niet mogelijk (bv willekeurig indelen is
lastig).
-Quasi-experimenteel onderzoek: Wel toewijzing aan experimentele (of controle-)condities, maar
niet (volkomen) willekeurig. Meestal in combinatie met gebruik van controlevariabelen (bv in
voormeting) om bestaande verschillen zo veel mogelijk uit te sluiten (aangezien je geen totale
controle meer hebt waardoor je bepaalde dingen niet kan uitsluiten); alternatieve verklaringen zijn
nooit helemaal uit te sluiten. Ook vaak weinig controle over manipulatie, zoals bij een natuurlijk
-De psychologie als ‘ontplofte confettifabriek’ (Barclay, 1973): De psychologie heeft veel interessante
onderzoeksresultaten die alle kanten op gaan maar niet echt samengaan.
-Tandenborstelprobleem: Probleem dat psychologen graag hun eigen theorieën gebruiken maar niet
die van anderen.
-Losse onderzoekjes zijn leuk, maar wetenschappelijke vooruitgang vereist integratie. Meer focus op
de context van menselijk gedrag kan daarbij helpen.
-AOP-psychologie past psychologische principes, theorieën en onderzoek toe op werk- en
organisatiecontexten.
-Niet iedere organisatie is werk.
-Arbeidspsychologie: Hoe beïnvloeden werkkenmerken het functioneren en de gezondheid van
werknemers.
-Organisatiepsychologie: Wat zijn de effecten van de relatie tussen individuele werknemers en hun
(sociale) werkomgeving?
-Personeelspsychologie: Hoe krijgen we de juiste persoon op de juiste plaats (in de juiste functie)?
-AOP-psychologen vind je bijvoorbeeld…
Als onderzoekers (kennisproductie).
Als docenten, coaches en trainers (kennisoverdracht).
Als consultants en bedrijfspsychologen (kennistoepassing).
-Scientist-practitioner model: Gebruiken van wetenschappelijke methoden en kennis in de AOP-
praktijk.
-Confirmation bias komt voor wanneer men nadenkt over hun eigen ervaringen want deze zijn
selectief. We moeten afhangen van gezond verstand, ‘best practices’ of ervaringen.
-We kunnen praktijkervaringen en -problemen gebruiken om onderzoek te genereren.
-We moeten niet alleen vragen ‘wat werkt er?’, maar ook ‘hoe werkt het?’, ‘waarom werkt het?’ en
‘wanneer werkt het?’.
-We leren over AOP om iets te weten van gedrag en gevoelens op het werk (hoe kan ik zorgen dat hij
beter meewerkt, waarom is zij zo succesvol) is nuttig voor je eigen carrière. Waar je ook in
geïnteresseerd bent, je vindt het terug in AOP.
-Alledaagse theorieën over werk:
Tevreden werknemers leveren het beste werk (niet per se, hangt af van heel veel dingen).
-Rare vragen tijdens sollicitatiegesprekken worden veel gebruikt. Er zijn allerlei methodologische en
ethische bezwaren tegen deze rare vragen. Deze vragen worden ook wel ‘brainteasers’ of ‘oddball
questions’ genoemd en ze zijn niet nieuw.
-Onderzoek suggereert dat kandidaten van rare vragen van streek raken en zich onrechtvaardig
behandeld voelen.
-Er zijn er paar persoonlijkheidstrekken die het gebruik van rare vragen voorspellen; de dark traits,
waaronder:
Narcisme
Sadisme
-Er is een mediator: een gebrek aan inlevingsvermogen (perspective-taking).
,-Mediator: Een variabele die tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele inzit. Verklaren een
relatie.
-Implicaties van de AOP-psychologie:
Theoretisch: hoe zitten mensen eigenlijk in elkaar?
Ethisch: doen we wel wat we zouden moeten doen?
Praktisch: wat werkt, wat is efficiënt of juist niet?
-‘Het hangt er vanaf’ (it depends) is het ultieme antwoord op alle psychologische vragen. De
effectiviteit van personen, eigenschappen, of gedrag hangt meestal af van de situatie.
-Het effectief uitvoeren van een taak valt niet altijd samen met dezelfde eigenschappen.
-De relatie tussen 2 variabelen is niet altijd hetzelfde.
-AOP-psychologen zoeken vaak naar variabelen (contingentiefactoren, condities/voorwaarden,
moderatoren) die ervoor zorgen dat specifieke eigenschappen en gedragingen meer of minder
effectief zijn.
-Moderatoren: Beïnvloedt de relatie tussen 2 variabelen.
-Close monitoring: leidinggevenden die hun medewerkers de hele tijd in de gaten houden. Dit
vermindert het gevoel van autonomie en zorgt dat mensen zich gecontroleerd voelen. Problematisch,
want mensen hechten veel waarde aan autonomie.
-Het kan zijn dat niet voor iedereen close monitoring even problematisch is:
Mogelijke moderator: structuurbehoefte van medewerkers.
-Uit onderzoek blijkt dat er een mediatie ‘ervaren autonomie’ is. Naarmate men meer close
monitoring kregen, voelden ze zich minder autonoom, waardoor ze zich minder
tevreden/gemotiveerd voelen. Ook is ‘rolduidelijkheid’ een mediator. Deze mediators worden
gemodereerd door ‘personal need for structure’.
-Voor weknemers met een lage PNS had close monitoring een negatieve relatie met motivatie en
tevredenheid en deze relatie werd verklaard door een lagere autonomie.
,-Zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan: Behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid.
-Contingentiebenadering: Is dit voor iedereen even problematisch?
-Variabelen zoals leiderschap en persoonlijkheid voorspellen gedrag, motivatie etc. maar dat bepalen
ze niet -> de correlatie is niet perfect!
-Persoonlijkheidstrekken voorspellen gedrag, maar ze bepalen het niet. Waar jij in je
normaalverdeling van je persoonlijkheid zit, hangt ook af van de situatie.
-De grote vraag van de psychologie: waarom doen mensen wat ze doen? Oftewel, hoe kunnen we
variantie in gedrag verklaren?
-Kwantitatief: met nummers, dus meten en manipuleren.
-Kwalitatief onderzoek: observatie, interviews, document-analyse (bestudering van archieven), case
studies, etc. Er is een comeback van kwalitatief onderzoek. Voordelen hiervan zijn rijke, veelzijdige en
herkenbare data, onverwachte vondsten, deelnemers ‘voelen zich gehoord’, mogelijkheid van
vervolggesprekken, etc.
-Kwalitatief onderzoek is ook bijzonder geschikt om hypothesen te genereren.
-Kern van experimenteel onderzoek is controle door random toewijzing.
-Primair (data verzamelen) versus secundair (kijken naar data die er al is) onderzoek.
-Secundair onderzoek: literatuuronderzoek, meta-analyse (is er over de hele linie nou een effect?).
-Kwalitatief organisatie-onderzoek:
Observatie: kijken wat mensen doen en wat daar de resultaten van zijn.
Interviews: mensen vragen naar hun ervaringen, gedachten, etc.
Document-analyse: bestuderen van archieven, beleidsdocumenten, etc.
Case-studies: systematische en uitgebreide beschrijvingen van een specifiek ‘geval’.
-Kwalitatief onderzoek heeft veel voordelen: rijke, veelzijdige en herkenbare data, onverwachte
vondsten, deelnemers voelen zich gehoord (niet altijd de kans bij kwantitatief onderzoek),
mogelijkheid van vervolggesprekken, etc.
-Kwantitatief onderzoek doen we als we al weten wat we willen meten en speculeren. We testen een
specifieke hypothese.
-Kwalitatief onderzoek is bijzonder geschikt om hypothesen te genereren en niet om hypothesen te
testen.
-Kwantitatief (=definitief onderzoek) kwalitatief (=interpretatief onderzoek).
-Nadelen kwalitatief onderzoek: gevoelig voor diverse vertekeningen, beperkte steekproef,
generaliseerbaarheid is erg beperkt, moeilijk en bewerkelijk om uit te voeren, etc.
-Kwantitatief organisatie-onderzoek:
, Experimenteel vs niet-experimenteel onderzoek (= correlationeel onderzoek).
-Correlationeel onderzoek: Je probeert 2 variabelen met elkaar in verband te brengen (is er een
samenhang/relatie?).
-Een correlatie zegt iets over de samenhang tussen 2 variabelen, maar niets over oorzaak en gevolg.
-Bij correlationeel onderzoek kan er sprake zijn van een derde variabele (bv. die invloed heeft op
beide waardoor het lijkt alsof de 2 op elkaar inwerken).
-Voordelen correlationeel onderzoek: relatief makkelijk en snel uit te voeren (bv via de computer),
goed te doen met beperkte middelen, grote steekproeven zijn haalbaar (omdat het makkelijk uit te
voeren is), onderzoek kan gedaan worden in een natuurlijke setting (bv vragenlijst doorsturen),
resultaten mogelijk goed generaliseerbaar (omdat je makkelijker mensen kan bereiken).
-Nadelen correlationeel onderzoek: interne validiteit is laag (geen causale conclusies door
omgekeerde causaliteit, derde-variabeleprobleem, etc.), je bent afhankelijk van de natuurlijke
variantie; scores die je daadwerkelijk waarneemt waardoor extreme gevallen misschien niet
voorkomen in je steekproef omdat het gewoon niet zo vaak voorkomt (of variantie in de ene
variabele samenhangt met variantie in de andere variabelen), correlaties zonder (methodologische of
statistische) controle kunnen misleidend zijn (bv simpson’s paradox; extra bron van variantie waar je
voor moet controleren).
-Variantie: verschillen tussen mensen.
-We kunnen proberen variantie te verklaren door te zien of deze samengaat met variantie op een
andere variabele (covariantie, de basis van correlatie).
-Statistische controle: Verwijderen van de ongewenste variantie uit de data.
-Methodologische (experimentele) controle: Voorkomen van ongewenste variantie (verschillen). Dan
heb je het gelijk al bijna over experimenteel onderzoek.
-Experimenteel onderzoek: willekeurige toewijzing aan groepen zodat groepen maar op 1 aspect van
elkaar verschil, namelijk de conditie waar ze in zitten.
-Experimenten zijn bedoeld om confounding factors uit te sluiten door middel van methodologische
controle. Je wilt zeker weten waar je een effect aan toe moet schrijven. Je moet dus maar 1 variabele
manipuleren.
-Voordelen experimenten: interne validiteit is hoog (causale conclusies trekken) mits het experiment
goed is opgezet en uitgevoerd, in principe kun je elke onafhankelijke en afhankelijke variabele
onderzoeken (mits het experiment ethisch is opgezet en uitgevoerd), je kunt zelf variantie in je
onafhankelijke variabele creëren (bv als je de effecten van extreme of zeldzame situaties wilt
onderzoeken).
-Nadelen experimenten: vaak tijdrovend en ingewikkeld om te doen (zeker in organisaties), daardoor
zijn ze ook duur, grote steekproeven zijn moeilijk (zeker in organisaties), kunstmatige situatie,
generaliseerbaarheid is niet altijd duidelijk (maar die kunstmatige situatie is tegelijkertijd ook de
kracht van experimenten aangezien de echte wereld heel rommelig is en je kan met experimenten
juist heel zorgvuldig de controle uitvoeren, dus controle is waar het experiment om draait).
-Kleine steekproeven leiden tot instabiele resultaten die moeilijk te repliceren zijn.
-Vaak is compleet experimenteel onderzoek in een organisatie niet mogelijk (bv willekeurig indelen is
lastig).
-Quasi-experimenteel onderzoek: Wel toewijzing aan experimentele (of controle-)condities, maar
niet (volkomen) willekeurig. Meestal in combinatie met gebruik van controlevariabelen (bv in
voormeting) om bestaande verschillen zo veel mogelijk uit te sluiten (aangezien je geen totale
controle meer hebt waardoor je bepaalde dingen niet kan uitsluiten); alternatieve verklaringen zijn
nooit helemaal uit te sluiten. Ook vaak weinig controle over manipulatie, zoals bij een natuurlijk