Energietransitie
Hoofdstuk 1 Aanleiding voor de energietransitie
1.1 Klimaatverandering
Klimaat is de gemiddelde situatie van het weer in een bepaald gebied gedurende een langere periode
(30 jaar). De weertoestand bestaat onder meer uit temperatuur, de hoeveelheid neerslag en
windkracht. Klimatologen kijken zowel naar de gemiddelde waarden van deze indicatoren als naar
extremen en frequentie. Milieu verwijst naar de omgeving waarin iemand leeft.
Een energiebron is hernieuwbaar als deze niet uitgeput raakt door het gebruik ervan, maar dan nog
kan het gebruik van deze energiebron impact hebben op het milieu of klimaat. Duurzaam houdt niet
alleen in dat een energiebron onuitputtelijk is, maar ook dat het gebruik ervan vrijwel geen negatieve
invloed heeft op het milieu en klimaat. Veel factoren zijn van invloed op het klimaat, zoals het
stralingsniveau van de zon, de schommeling van de afstand tussen de zon en de aarde, inslag van
meteorieten, het verschuiven van de continenten en vulkaanuitbarstingen.
De aarde heeft een atmosfeer, een dunne laag van gassen die om de aarde heen hangt.
Warmtestraling van de zon gaat door de atmosfeer richting de aarde, waar een deel van de straling
door het aardoppervlak wordt geabsorbeerd. Hierdoor warmt de aarde op. Het andere deel van de
warmtestraling wordt teruggekaatst richting de atmosfeer. De atmosfeer absorbeert op haar beurt
weer een deel van deze straling, om deze warmte vervolgens deels terug te stralen richting de aarde.
De overige warmtestraling verlaat de atmosfeer, dit wordt het natuurlijk broeikaseffect genoemd. De
gassen die in de atmosfeer warmtestraling absorberen en vervolgens geleidelijk in alle richtingen
weer afgeven zijn broeikasgassen zoals; koolstofdioxide, methaan en distikstofoxide/lachgas.
Het klimaat verandert wanneer de hoeveelheid warmtestraling die de aarde bereikt verandert, of
wanneer de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer verandert (versterking of verzwakking van
natuurlijk broeikaseffect).
Grootschalige ontbossing leidt tot een toename van broeikasgassen in de atmosfeer. Wanneer bomen
groeien nemen ze CO2 op uit de lucht, als de bomen worden gekapt en eindigen in toepassingen
waarbij het hout niet intact blijft (zoals een kampvuur) komt het opgenomen co 2 weer vrij. De
grootschalige productie en toepassing van (kunst)mest en bestrijdingsmiddelen draagt ook bij aan de
toename van broeikasgassen in de atmosfeer. Aardgas is een belangrijke grondstof voor de productie
van kunstmest en ook voor de productie van bestrijdingsmiddelen worden fossiele grondstoffen
gebruikt, daarnaast wordt een deel van de stikstof waaruit (kunst)mest bestaat in de bodem omgezet
naar lachgas (pag. 15).
In principe hoort klimaatverandering bij de aarde en passen platen en dieren zich aan de
veranderende omstandigheden aan, het tempo van klimaatverandering ligt echter zo hoog dat dit
aanpassing lastig maakt. Het uitsterven van dier- en plantensoorten gaat veel sneller dan voorheen,
er dreigen miljoenen soorten te verdwijnen. Er komen minder soorten bij waardoor de biodiversiteit
afneemt, dit kan een bedreiging zijn voor de mens want wij zijn afhankelijk van planten en dieren.
- Het weerbeeld zal nog extremer worden; meer hitte- en koudegolven, meer orkanen, meer extreme
neerslag- en droogteperioden. Hierdoor kunnen gebieden onbewoonbaar worden, waardoor er
migratie zal zijn en de economische schade zal ook erg groot zijn.
- De voedsel- en drinkwatervoorzieningen kunnen onder druk komen te staat wat tot conflicten kan
leiden.
- Grondwater zal op sommige plaatsen verzilten, wat leidt tot ziektes.
- De zeespiegel zal stijgen, waardoor eilanden zullen verdwijnen.
,Het belangrijkste broeikasgas in de atmosfeer is waterdam (H 2O). Waterdamp komt in de lucht
wanneer water uit oceanen, zeeën en meren verdampt. Warmere lucht kan meet waterdamp
bevatten, dus kan dit toenemen wanneer de lucht rondom de aarde opwarmt.
Gletsjers kaatsen meer warmtestraling terug dan gesmolten water. Smeltende gletsjers zorgen dus
niet alleen voor een stijging van de zeespiegel, maar ook voor meet geabsorbeerde warmtestraling.
Permafrost bevat grote hoeveelheden methaan die vrijkomen zodra het ontdooit. De planten en
dieren in de oceanen nemen wereldwijd meer dan de helft van de CO 2 op, door opwarming en
verzuring van het zeewater komt er op bepaalde plaatsen echter steeds minder leven in zee voor en
kan er dus minder CO2 worden opgenomen. Dit alles zorgt voor een sneeuwbaleffect.
1.2 Milieu- en gezondheidsproblematiek
Verbranding van fossiele brandstoffen en biomassa levert behalve de uitstoot van broeikasgassen ook
emissies van fijnstof en andere schadelijke stoffen zoals NO X. NOX is een verzamelnaam voor mono-
stikstofoxiden, de meest voorkomende mono-stikstofoxiden zijn stikstofmonoxide (NO) en
stikstofoxide (NO2). Bij inademing zijn deze stoffen schadelijk voor de luchtwegen van mens en dier,
volgens het RIVM kan het zelfs leiden tot longproblemen. Fijnstof en stikstofdioxiden dragen ook bij
aan de vorming van smog, maar zijn geen broeikasgassen.
1.3 Aardbevingsproblematiek in Groningen
In 1974 werd de laatste kolenmijn gesloten omdat de winning economische niet meer rendabel is. In
de tussentijd begint Shell in 1943 met de exploitatie van het eerste aardolieveld in Nederland, in het
Drentse Schoonebeek. Vijf jaar later, in 1948, worden de eerste economische winbare gasvelden
gevonden in de buurt van Coevorden (Drenthe). De hoeveelheden gewonnen aardolie, kolen en
aardgas was nog klein maar dat verandert in 1959 toen er een gasveld werd ontdekt in de Groningse
gemeente Slochteren. Het blijkt om een van de grootste aardgasvelden ter wereld te gaan.
De ontdekking van aardgas in Groningen leidt tot de beslissingen om de volledige gebouwde
omgeving (het geheel van alle gebouwen) in Nederland aan te sluiten op aardgas, ter vervanging van
steenkool, hout, turf en stadsgas. De aardgaswinning zorgt voor bodemdaling die soms gepaard gaat
met aardbevingen. Het stoppen van de winning en het verbruik van Gronings aardgas betekent niet
per definitie dat ons land minder aardgas gaat verbruiken of dat het minder broeikasgassen gaat
uitstoten, het kan zelfs leiden tot een hogere uitstoot van broeikasgassen.
1.4 Geopolitieke afhankelijkheid en zelfvoorzienendheid
Energie is een basisbehoefte, net als voedsel en water. Op het moment dat een land niet
zelfvoorzienend is op het gebied van energie, kunnen (politieke) ontwikkelingen elders in de wereld
van grote invloed zijn op de leveringszekerheid en betaalbaarheid van de energievoorzieningen.
Tijdens de oliecrisis in 1973 was Nederland genoodzaakt aardolie uit andere landen te importeren,
waardoor de prijs erg steeg.
Nederland raakte toen in de diepste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog met een
stijgende werkloosheid en een inflatie van ongeveer 10%, de prijs van aardolie daalt niet meer terug
naar het oude niveau. De oliecrisis leidt er ook toe dat Westerse landen in hun energievoorziening
minder afhankelijk willen zijn van niet-Westerse landen. Ten slotte zorgt de oliecrisis voor een impuls
bij het onderzoek naar hernieuwbare energievormen als zonne- en windenergie.
,Daar waar de Denen volop hebben ingezet op energiebesparing en hernieuwbare energie, kozen
landen als Frankrijk en Japan ervoor om gebruik te maken van kernenergie ter compensatie van het
gebrek aan eigen fossiele brandstofvoorraden. Door de ontdekking van de gasbel in Groningen heeft
Nederland nooit de behoefte gehad om naar alternatieven te zoeken, maar sinds er is besloten om de
gaswinning in Groningen af te bouwen worden we afhankelijker van het buitenland. China is de
wereldwijde koploper met zijn hernieuwbare energie-industrie. Het land beschikt over de meeste
patenten, heeft de meeste zonnepanelen en windmolens opgesteld en investeert veel in kennis en
innovatie.
1.5 Eindigheid van fossiele brandstoffen
Sinds het begin van de industriële revolutie is het gebruik van fossiele brandstoffen sterk
toegenomen. Omdat de vorming van fossiele brandstoffen miljoenen jaren duurt, is de aanvulling van
de voorraad sinds de industriële revolutie te verwaarlozen. Hierdoor zal de beschikbaarheid van
fossiele brandstoffen een keer eindigen als de winning en consumptie ervan doorgaan. Natuurlijke
hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen (pag. 21).
1.6 Versterken van de economische activiteiten
Welvaart is een economisch begrip dat vaak wordt gemeten door te kijken naar de financiële waarde
van alles dat een land in een jaar verdient, maakt en koopt. Welvarende landen kennen doorgaans
een relatief laag inflatiepercentage en een lage werkloosheid. De Nederlandse economie is een open
economie die zwaar leunt op buitenlandse handel, hierdoor is het belangrijk dat ons land
concurrerend blijft.
In het klimaatakkoord is afgesproken dat niet de internationale concurrentiepositie van Nederland
leidend is voor het innovatiebeleid van de overheid, maar de doelen van de energietransitie. Er wordt
gekeken naar wat nodig is om de energietransitie te laten slagen en daar wordt het innovatiebeleid
vervolgens op ingericht. Innovatie wordt dus gezien als randvoorwaarde om de energietransitie te
laten slagen. De energietransitie is dus niet ingezet om de Nederlandse economische activiteiten en
internationale positie te versterken, maar is wel mooi meegenomen. Tegelijkertijd ziet de
Nederlandse overheid dat er een kans bestaat dat Nederland verdienpotentieel verliest indien ons
land zich niet op tijd aanpast aan de veranderingen die de wereldwijde energietransitie en
klimaatproblematiek met zich meebrengen.
1.7 Kostendaling van hernieuwbare energie
De meest recente windmolenparken op zee worden gebouwd door partijen die hebben aangegeven
geen financiële steun van de overheid nodig te hebben en zonnepanelen leveren ondertussen meer
geld op dan dat ze kosten. De kostendaling van hernieuwbare energie en hieraan gerelateerde
toepassingen, zoals elektrische auto’s, is niet vanzelf tot stand gekomen. Hier zijn gericht
overheidsbeleid en onderzoek voor nodig geweest, en een kleine groep consumenten (‘’early
adopters’’) die bereid was te investeren in producten die op dat moment eigenlijk te duur waren voor
de service die ze leverden.
Op het moment dat grote investeerders massaal minder in fossiele en meer in hernieuwbare
energietechnieken gaan investeren, kan dit de energietransitie versnellen. Samenvattend kan gezegd
worden dat de kostendaling van hernieuwbare energie en hieraan verwante toepassingen in het
verleden geen aanleiding vormen voor de energietransitie, maar dat dit in steeds grotere mate wel
het geval is.
, Zie ‘’goed om te onthouden’’
Hoofdstuk 2 Energie
2.1 Wat is energie?
Energie is het vermogen om arbeid te verrichten of om een verandering te realiseren, er bestaan
verschillende soorten energie:
1. Bewegingsenergie/kinetische energie. Wanneer een bepaald object beweegt bevat dat
bewegingsenergie, om jezelf in beweging te krijgen moet je energie leveren.
2. Thermische energie. Neem een glas koud water, dit wordt niet vanzelf warm. Dat gebeurt pas als je
energie toevoegt aan het water door het bijv. op te warmen in een pannetje op het gasfornuis, op dat
moment wordt de energie die in het aardgas zit omgezet in warmte oftewel thermische energie.
3. Chemische energie. De energie die in brandstoffen (zoals aardgas) zit, deze kan vrijkomen door de
brandstof te verbranden.
4. Potentiële-/gravitatie-energie. Twee of meer massa’s oefenen aantrekkende krachten op elkaar uit,
deze aantrekkende kracht wordt gravitatie of zwaartekracht genoemd. Een mens wordt aangetrokken
door de aarde en andersom, daarom is traplopen zwaarden dan vlak lopen omdat jouw potentiële
energie toeneemt zodra je omhoog loopt.
5. Elektrische energie. In dit geval zit de energie in de beweging van elektrische deeltjes. Energie is
dus niet per definitie elektrische energie.
6. Kernenergie/nucleaire energie. De energie die de kern van een atoom bijeenhoudt wordt
kernenergie of nucleaire energie genoemd, een deel hiervan komt vrij bij een kernreactie waarbij de
kernen van atomen veranderen van samenstelling.
7. Lichtenergie. Zoals het licht van de zon, het is een vorm van stralingsenergie.
Het is mogelijk om de ene vorm van energie in een andere vorm van energie om te zetten, of in
meerder vormen. Wat niet kan is energie creëren of vernietigen, de totale hoeveelheid energie is
altijd constant. Dit principe heet de wet van behoud van energie, ook wel de eerste hoofdwet van de
thermodynamica genoemd. Met energieverlies wordt bedoelt dat de energie voor men of het proces
niet meer nuttig is. De verhouding tussen opbrengst (nuttige energie) en inleg (verbruikte energie)
wordt rendement genoemd.
Energie heeft ook een bepaalde kwaliteit, die kwaliteit zegt iets over de toepasbaarheid van de
energie. Stel, het is koud in je woonkamer en daarom wil je het vertrek verwarmen. Dat lukt vrij
makkelijk wanneer je water van 80 °C door radiatoren laat stromen, het verschil tussen de 80 °C van
het water in de radiatoren en de 16 °C van je woonkamer is vrij groot waardoor de woonkamer snel
opwarmt. De kwaliteit van thermische energie is afhankelijk van de temperatuur. Hoe lager de
temperatuur, des te lager de kwaliteit van de thermische energie. In de toekomst moeten we zoveel
mogelijk, waar dat kan, gebruik maken van energie van lage kwaliteit (zoals warmte op lage
temperaturen).
Grijze energie: energie met een fossiele oorsprong, bijv. elektriciteit geproduceerd in een centrale die
draait op steenkool of aardgas. Bij de opwekken van grijze energie komt CO 2 vrij.
Groene energie: deze energie heeft een hernieuwbare oorsprong, zoals geothermie of elektriciteit
geproduceerd door zonnepanelen. Bij de productie van groene energie komt er geen CO2 vrij.
Blauwe energie: energie met een fossiele oorsprong waarbij de vrijkomende CO 2 grotendeels wordt
opgevangen en opgeslagen of gebruikt.
Kernenergie wordt meestal bij grijze energie geplaatst omdat deze energievorm niet hernieuwbaar is,
voor het produceren van kernenergie is namelijk uranium of plutonium nodig en de voorraad hiervan
is eindig. Over biomassa, ook wel bio-energie genoemd, zijn de meningen verdeeld. Net als bij de
Hoofdstuk 1 Aanleiding voor de energietransitie
1.1 Klimaatverandering
Klimaat is de gemiddelde situatie van het weer in een bepaald gebied gedurende een langere periode
(30 jaar). De weertoestand bestaat onder meer uit temperatuur, de hoeveelheid neerslag en
windkracht. Klimatologen kijken zowel naar de gemiddelde waarden van deze indicatoren als naar
extremen en frequentie. Milieu verwijst naar de omgeving waarin iemand leeft.
Een energiebron is hernieuwbaar als deze niet uitgeput raakt door het gebruik ervan, maar dan nog
kan het gebruik van deze energiebron impact hebben op het milieu of klimaat. Duurzaam houdt niet
alleen in dat een energiebron onuitputtelijk is, maar ook dat het gebruik ervan vrijwel geen negatieve
invloed heeft op het milieu en klimaat. Veel factoren zijn van invloed op het klimaat, zoals het
stralingsniveau van de zon, de schommeling van de afstand tussen de zon en de aarde, inslag van
meteorieten, het verschuiven van de continenten en vulkaanuitbarstingen.
De aarde heeft een atmosfeer, een dunne laag van gassen die om de aarde heen hangt.
Warmtestraling van de zon gaat door de atmosfeer richting de aarde, waar een deel van de straling
door het aardoppervlak wordt geabsorbeerd. Hierdoor warmt de aarde op. Het andere deel van de
warmtestraling wordt teruggekaatst richting de atmosfeer. De atmosfeer absorbeert op haar beurt
weer een deel van deze straling, om deze warmte vervolgens deels terug te stralen richting de aarde.
De overige warmtestraling verlaat de atmosfeer, dit wordt het natuurlijk broeikaseffect genoemd. De
gassen die in de atmosfeer warmtestraling absorberen en vervolgens geleidelijk in alle richtingen
weer afgeven zijn broeikasgassen zoals; koolstofdioxide, methaan en distikstofoxide/lachgas.
Het klimaat verandert wanneer de hoeveelheid warmtestraling die de aarde bereikt verandert, of
wanneer de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer verandert (versterking of verzwakking van
natuurlijk broeikaseffect).
Grootschalige ontbossing leidt tot een toename van broeikasgassen in de atmosfeer. Wanneer bomen
groeien nemen ze CO2 op uit de lucht, als de bomen worden gekapt en eindigen in toepassingen
waarbij het hout niet intact blijft (zoals een kampvuur) komt het opgenomen co 2 weer vrij. De
grootschalige productie en toepassing van (kunst)mest en bestrijdingsmiddelen draagt ook bij aan de
toename van broeikasgassen in de atmosfeer. Aardgas is een belangrijke grondstof voor de productie
van kunstmest en ook voor de productie van bestrijdingsmiddelen worden fossiele grondstoffen
gebruikt, daarnaast wordt een deel van de stikstof waaruit (kunst)mest bestaat in de bodem omgezet
naar lachgas (pag. 15).
In principe hoort klimaatverandering bij de aarde en passen platen en dieren zich aan de
veranderende omstandigheden aan, het tempo van klimaatverandering ligt echter zo hoog dat dit
aanpassing lastig maakt. Het uitsterven van dier- en plantensoorten gaat veel sneller dan voorheen,
er dreigen miljoenen soorten te verdwijnen. Er komen minder soorten bij waardoor de biodiversiteit
afneemt, dit kan een bedreiging zijn voor de mens want wij zijn afhankelijk van planten en dieren.
- Het weerbeeld zal nog extremer worden; meer hitte- en koudegolven, meer orkanen, meer extreme
neerslag- en droogteperioden. Hierdoor kunnen gebieden onbewoonbaar worden, waardoor er
migratie zal zijn en de economische schade zal ook erg groot zijn.
- De voedsel- en drinkwatervoorzieningen kunnen onder druk komen te staat wat tot conflicten kan
leiden.
- Grondwater zal op sommige plaatsen verzilten, wat leidt tot ziektes.
- De zeespiegel zal stijgen, waardoor eilanden zullen verdwijnen.
,Het belangrijkste broeikasgas in de atmosfeer is waterdam (H 2O). Waterdamp komt in de lucht
wanneer water uit oceanen, zeeën en meren verdampt. Warmere lucht kan meet waterdamp
bevatten, dus kan dit toenemen wanneer de lucht rondom de aarde opwarmt.
Gletsjers kaatsen meer warmtestraling terug dan gesmolten water. Smeltende gletsjers zorgen dus
niet alleen voor een stijging van de zeespiegel, maar ook voor meet geabsorbeerde warmtestraling.
Permafrost bevat grote hoeveelheden methaan die vrijkomen zodra het ontdooit. De planten en
dieren in de oceanen nemen wereldwijd meer dan de helft van de CO 2 op, door opwarming en
verzuring van het zeewater komt er op bepaalde plaatsen echter steeds minder leven in zee voor en
kan er dus minder CO2 worden opgenomen. Dit alles zorgt voor een sneeuwbaleffect.
1.2 Milieu- en gezondheidsproblematiek
Verbranding van fossiele brandstoffen en biomassa levert behalve de uitstoot van broeikasgassen ook
emissies van fijnstof en andere schadelijke stoffen zoals NO X. NOX is een verzamelnaam voor mono-
stikstofoxiden, de meest voorkomende mono-stikstofoxiden zijn stikstofmonoxide (NO) en
stikstofoxide (NO2). Bij inademing zijn deze stoffen schadelijk voor de luchtwegen van mens en dier,
volgens het RIVM kan het zelfs leiden tot longproblemen. Fijnstof en stikstofdioxiden dragen ook bij
aan de vorming van smog, maar zijn geen broeikasgassen.
1.3 Aardbevingsproblematiek in Groningen
In 1974 werd de laatste kolenmijn gesloten omdat de winning economische niet meer rendabel is. In
de tussentijd begint Shell in 1943 met de exploitatie van het eerste aardolieveld in Nederland, in het
Drentse Schoonebeek. Vijf jaar later, in 1948, worden de eerste economische winbare gasvelden
gevonden in de buurt van Coevorden (Drenthe). De hoeveelheden gewonnen aardolie, kolen en
aardgas was nog klein maar dat verandert in 1959 toen er een gasveld werd ontdekt in de Groningse
gemeente Slochteren. Het blijkt om een van de grootste aardgasvelden ter wereld te gaan.
De ontdekking van aardgas in Groningen leidt tot de beslissingen om de volledige gebouwde
omgeving (het geheel van alle gebouwen) in Nederland aan te sluiten op aardgas, ter vervanging van
steenkool, hout, turf en stadsgas. De aardgaswinning zorgt voor bodemdaling die soms gepaard gaat
met aardbevingen. Het stoppen van de winning en het verbruik van Gronings aardgas betekent niet
per definitie dat ons land minder aardgas gaat verbruiken of dat het minder broeikasgassen gaat
uitstoten, het kan zelfs leiden tot een hogere uitstoot van broeikasgassen.
1.4 Geopolitieke afhankelijkheid en zelfvoorzienendheid
Energie is een basisbehoefte, net als voedsel en water. Op het moment dat een land niet
zelfvoorzienend is op het gebied van energie, kunnen (politieke) ontwikkelingen elders in de wereld
van grote invloed zijn op de leveringszekerheid en betaalbaarheid van de energievoorzieningen.
Tijdens de oliecrisis in 1973 was Nederland genoodzaakt aardolie uit andere landen te importeren,
waardoor de prijs erg steeg.
Nederland raakte toen in de diepste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog met een
stijgende werkloosheid en een inflatie van ongeveer 10%, de prijs van aardolie daalt niet meer terug
naar het oude niveau. De oliecrisis leidt er ook toe dat Westerse landen in hun energievoorziening
minder afhankelijk willen zijn van niet-Westerse landen. Ten slotte zorgt de oliecrisis voor een impuls
bij het onderzoek naar hernieuwbare energievormen als zonne- en windenergie.
,Daar waar de Denen volop hebben ingezet op energiebesparing en hernieuwbare energie, kozen
landen als Frankrijk en Japan ervoor om gebruik te maken van kernenergie ter compensatie van het
gebrek aan eigen fossiele brandstofvoorraden. Door de ontdekking van de gasbel in Groningen heeft
Nederland nooit de behoefte gehad om naar alternatieven te zoeken, maar sinds er is besloten om de
gaswinning in Groningen af te bouwen worden we afhankelijker van het buitenland. China is de
wereldwijde koploper met zijn hernieuwbare energie-industrie. Het land beschikt over de meeste
patenten, heeft de meeste zonnepanelen en windmolens opgesteld en investeert veel in kennis en
innovatie.
1.5 Eindigheid van fossiele brandstoffen
Sinds het begin van de industriële revolutie is het gebruik van fossiele brandstoffen sterk
toegenomen. Omdat de vorming van fossiele brandstoffen miljoenen jaren duurt, is de aanvulling van
de voorraad sinds de industriële revolutie te verwaarlozen. Hierdoor zal de beschikbaarheid van
fossiele brandstoffen een keer eindigen als de winning en consumptie ervan doorgaan. Natuurlijke
hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen (pag. 21).
1.6 Versterken van de economische activiteiten
Welvaart is een economisch begrip dat vaak wordt gemeten door te kijken naar de financiële waarde
van alles dat een land in een jaar verdient, maakt en koopt. Welvarende landen kennen doorgaans
een relatief laag inflatiepercentage en een lage werkloosheid. De Nederlandse economie is een open
economie die zwaar leunt op buitenlandse handel, hierdoor is het belangrijk dat ons land
concurrerend blijft.
In het klimaatakkoord is afgesproken dat niet de internationale concurrentiepositie van Nederland
leidend is voor het innovatiebeleid van de overheid, maar de doelen van de energietransitie. Er wordt
gekeken naar wat nodig is om de energietransitie te laten slagen en daar wordt het innovatiebeleid
vervolgens op ingericht. Innovatie wordt dus gezien als randvoorwaarde om de energietransitie te
laten slagen. De energietransitie is dus niet ingezet om de Nederlandse economische activiteiten en
internationale positie te versterken, maar is wel mooi meegenomen. Tegelijkertijd ziet de
Nederlandse overheid dat er een kans bestaat dat Nederland verdienpotentieel verliest indien ons
land zich niet op tijd aanpast aan de veranderingen die de wereldwijde energietransitie en
klimaatproblematiek met zich meebrengen.
1.7 Kostendaling van hernieuwbare energie
De meest recente windmolenparken op zee worden gebouwd door partijen die hebben aangegeven
geen financiële steun van de overheid nodig te hebben en zonnepanelen leveren ondertussen meer
geld op dan dat ze kosten. De kostendaling van hernieuwbare energie en hieraan gerelateerde
toepassingen, zoals elektrische auto’s, is niet vanzelf tot stand gekomen. Hier zijn gericht
overheidsbeleid en onderzoek voor nodig geweest, en een kleine groep consumenten (‘’early
adopters’’) die bereid was te investeren in producten die op dat moment eigenlijk te duur waren voor
de service die ze leverden.
Op het moment dat grote investeerders massaal minder in fossiele en meer in hernieuwbare
energietechnieken gaan investeren, kan dit de energietransitie versnellen. Samenvattend kan gezegd
worden dat de kostendaling van hernieuwbare energie en hieraan verwante toepassingen in het
verleden geen aanleiding vormen voor de energietransitie, maar dat dit in steeds grotere mate wel
het geval is.
, Zie ‘’goed om te onthouden’’
Hoofdstuk 2 Energie
2.1 Wat is energie?
Energie is het vermogen om arbeid te verrichten of om een verandering te realiseren, er bestaan
verschillende soorten energie:
1. Bewegingsenergie/kinetische energie. Wanneer een bepaald object beweegt bevat dat
bewegingsenergie, om jezelf in beweging te krijgen moet je energie leveren.
2. Thermische energie. Neem een glas koud water, dit wordt niet vanzelf warm. Dat gebeurt pas als je
energie toevoegt aan het water door het bijv. op te warmen in een pannetje op het gasfornuis, op dat
moment wordt de energie die in het aardgas zit omgezet in warmte oftewel thermische energie.
3. Chemische energie. De energie die in brandstoffen (zoals aardgas) zit, deze kan vrijkomen door de
brandstof te verbranden.
4. Potentiële-/gravitatie-energie. Twee of meer massa’s oefenen aantrekkende krachten op elkaar uit,
deze aantrekkende kracht wordt gravitatie of zwaartekracht genoemd. Een mens wordt aangetrokken
door de aarde en andersom, daarom is traplopen zwaarden dan vlak lopen omdat jouw potentiële
energie toeneemt zodra je omhoog loopt.
5. Elektrische energie. In dit geval zit de energie in de beweging van elektrische deeltjes. Energie is
dus niet per definitie elektrische energie.
6. Kernenergie/nucleaire energie. De energie die de kern van een atoom bijeenhoudt wordt
kernenergie of nucleaire energie genoemd, een deel hiervan komt vrij bij een kernreactie waarbij de
kernen van atomen veranderen van samenstelling.
7. Lichtenergie. Zoals het licht van de zon, het is een vorm van stralingsenergie.
Het is mogelijk om de ene vorm van energie in een andere vorm van energie om te zetten, of in
meerder vormen. Wat niet kan is energie creëren of vernietigen, de totale hoeveelheid energie is
altijd constant. Dit principe heet de wet van behoud van energie, ook wel de eerste hoofdwet van de
thermodynamica genoemd. Met energieverlies wordt bedoelt dat de energie voor men of het proces
niet meer nuttig is. De verhouding tussen opbrengst (nuttige energie) en inleg (verbruikte energie)
wordt rendement genoemd.
Energie heeft ook een bepaalde kwaliteit, die kwaliteit zegt iets over de toepasbaarheid van de
energie. Stel, het is koud in je woonkamer en daarom wil je het vertrek verwarmen. Dat lukt vrij
makkelijk wanneer je water van 80 °C door radiatoren laat stromen, het verschil tussen de 80 °C van
het water in de radiatoren en de 16 °C van je woonkamer is vrij groot waardoor de woonkamer snel
opwarmt. De kwaliteit van thermische energie is afhankelijk van de temperatuur. Hoe lager de
temperatuur, des te lager de kwaliteit van de thermische energie. In de toekomst moeten we zoveel
mogelijk, waar dat kan, gebruik maken van energie van lage kwaliteit (zoals warmte op lage
temperaturen).
Grijze energie: energie met een fossiele oorsprong, bijv. elektriciteit geproduceerd in een centrale die
draait op steenkool of aardgas. Bij de opwekken van grijze energie komt CO 2 vrij.
Groene energie: deze energie heeft een hernieuwbare oorsprong, zoals geothermie of elektriciteit
geproduceerd door zonnepanelen. Bij de productie van groene energie komt er geen CO2 vrij.
Blauwe energie: energie met een fossiele oorsprong waarbij de vrijkomende CO 2 grotendeels wordt
opgevangen en opgeslagen of gebruikt.
Kernenergie wordt meestal bij grijze energie geplaatst omdat deze energievorm niet hernieuwbaar is,
voor het produceren van kernenergie is namelijk uranium of plutonium nodig en de voorraad hiervan
is eindig. Over biomassa, ook wel bio-energie genoemd, zijn de meningen verdeeld. Net als bij de