Belastingrecht werkgroepantwoorden en aantekeningen
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................................................................... 2
werkboekopgaven................................................................................................................................................2
aantekeningen werkgroep....................................................................................................................................2
week 2........................................................................................................................................................... 3
werkboekopgaven................................................................................................................................................3
Aantekeningen werkgroep...................................................................................................................................4
week 3........................................................................................................................................................... 5
werkboekopgaven................................................................................................................................................5
aantekeningen werkgroep....................................................................................................................................6
week 4........................................................................................................................................................... 7
werkboekopgaven................................................................................................................................................7
week 5........................................................................................................................................................... 8
werkgroep............................................................................................................................................................8
Werkgroepaantekening........................................................................................................................................9
week 6........................................................................................................................................................... 9
werkgroepvragen.................................................................................................................................................9
aantekeningen werkgroep....................................................................................................................................9
, Week 1
werkboekopgaven
open vragen
vraag 1
a. Instrumentele functie, politiek gedreven en om gedrag te beïnvloeden; namelijk
hoogbouw, de budgettaire functie (belangrijkste), belasting heffen om geld te regelen
voor de overheidsuitgaven.
b. Het buitenkansbeginsel en het profijtbeginsel. De gemeente doen investeringen in de
stad om dit aantrekkelijker te maken dus de mensen die in die gemeenten daarvan
profiteren moeten dan wat meer belasting afstaan. Daarnaast worden grondbezitters
‘slapend rijk’, want of een gemeente aantrekkelijk is en inwoners aantrekt e.d. zijn
externe factoren, maar deze leiden wel tot mogelijk onverdiende winsten. Daarom
moeten de mensen met deze meerdere buitenkansen ook meer belasting afstaan.
vraag 2
A – ondernemers,
B – loon
C – 19 en 25,8%
meerkeuzevragen
1. B, men mag gebruikmaken van de haven tegen betaling. Voor wat hoort wat.
2. D, het subject zijn de specifieke ondernemers die opereren rondom die molens met
musea en attracties.
3. C; het gaat niet om een individuele tegenprestatie, omdat het een beleidsmatig
instrument is van de gemeente. De gelden komen in algemene kas en de reden van
deze belasting heeft te maken met het beleid van de gemeente om het parkeergedrag
van alle inwoners te beïnvloeden en niet om jou dat specifieke plekje te gunnen.
4. C
5. A
6. C // 5158 + (26.000 – 24.820) x 0,02471 = 5.187,1578. Dit is de arbeidskorting die
van het inkomen afgaat.
In deze vraag gaat het dus over de 1000 euro die hij extra verdiend. Jip verdiende dus 38.000
euro en verdient nu 39.000 euro.
7. C // 1000 x 0,3697 = 369,70 euro
8. A // 1000 x 0,0,0663 = 66,30 euro, maar dit gaat er dus vanaf, omdat hij meer verdient
dan 24.812 euro en daarna kost het dus geld in plaats van dat het geld oplevert.
9. B // Dit gaat om de invloed van de loonsverhoging op de arbeidskorting. dus: 1000 x
0,02471 = 24,71 en dit komt erbij.
10. 369,70 + 66,30 – 24,71 = 411,29, want wat eraf gaat moet erbij. Dit deel je weer door
1000 en dus kom je op het antwoord B. Dit drukt dus de marginale belastingdruk uit
en dit houdt in hoeveel je meer moet betalen over die 1000 euro die je extra verdient.
aantekeningen werkgroep
rekenen
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................................................................... 2
werkboekopgaven................................................................................................................................................2
aantekeningen werkgroep....................................................................................................................................2
week 2........................................................................................................................................................... 3
werkboekopgaven................................................................................................................................................3
Aantekeningen werkgroep...................................................................................................................................4
week 3........................................................................................................................................................... 5
werkboekopgaven................................................................................................................................................5
aantekeningen werkgroep....................................................................................................................................6
week 4........................................................................................................................................................... 7
werkboekopgaven................................................................................................................................................7
week 5........................................................................................................................................................... 8
werkgroep............................................................................................................................................................8
Werkgroepaantekening........................................................................................................................................9
week 6........................................................................................................................................................... 9
werkgroepvragen.................................................................................................................................................9
aantekeningen werkgroep....................................................................................................................................9
, Week 1
werkboekopgaven
open vragen
vraag 1
a. Instrumentele functie, politiek gedreven en om gedrag te beïnvloeden; namelijk
hoogbouw, de budgettaire functie (belangrijkste), belasting heffen om geld te regelen
voor de overheidsuitgaven.
b. Het buitenkansbeginsel en het profijtbeginsel. De gemeente doen investeringen in de
stad om dit aantrekkelijker te maken dus de mensen die in die gemeenten daarvan
profiteren moeten dan wat meer belasting afstaan. Daarnaast worden grondbezitters
‘slapend rijk’, want of een gemeente aantrekkelijk is en inwoners aantrekt e.d. zijn
externe factoren, maar deze leiden wel tot mogelijk onverdiende winsten. Daarom
moeten de mensen met deze meerdere buitenkansen ook meer belasting afstaan.
vraag 2
A – ondernemers,
B – loon
C – 19 en 25,8%
meerkeuzevragen
1. B, men mag gebruikmaken van de haven tegen betaling. Voor wat hoort wat.
2. D, het subject zijn de specifieke ondernemers die opereren rondom die molens met
musea en attracties.
3. C; het gaat niet om een individuele tegenprestatie, omdat het een beleidsmatig
instrument is van de gemeente. De gelden komen in algemene kas en de reden van
deze belasting heeft te maken met het beleid van de gemeente om het parkeergedrag
van alle inwoners te beïnvloeden en niet om jou dat specifieke plekje te gunnen.
4. C
5. A
6. C // 5158 + (26.000 – 24.820) x 0,02471 = 5.187,1578. Dit is de arbeidskorting die
van het inkomen afgaat.
In deze vraag gaat het dus over de 1000 euro die hij extra verdiend. Jip verdiende dus 38.000
euro en verdient nu 39.000 euro.
7. C // 1000 x 0,3697 = 369,70 euro
8. A // 1000 x 0,0,0663 = 66,30 euro, maar dit gaat er dus vanaf, omdat hij meer verdient
dan 24.812 euro en daarna kost het dus geld in plaats van dat het geld oplevert.
9. B // Dit gaat om de invloed van de loonsverhoging op de arbeidskorting. dus: 1000 x
0,02471 = 24,71 en dit komt erbij.
10. 369,70 + 66,30 – 24,71 = 411,29, want wat eraf gaat moet erbij. Dit deel je weer door
1000 en dus kom je op het antwoord B. Dit drukt dus de marginale belastingdruk uit
en dit houdt in hoeveel je meer moet betalen over die 1000 euro die je extra verdient.
aantekeningen werkgroep
rekenen