BPO3, micro-economie werkgroep 1, Femke Spijkers en Daniëlle Zonjee
a) p1 = 10
p2 = 8
De inverse vraagfunctie is: 𝑝 = 16 − 4√𝑞
𝑝 − 16 = −4√𝑞
1
√𝑞 = 4 − 𝑝
4
1 2
𝑞 = (4 − 𝑝)
4
1 2
𝑞= 𝑝 − 2𝑝 + 16
16
Om het consumentensurplus te berekenen moet je q als een functie van p
integreren. Door de integraal te nemen en hierbij de oude prijs (p1) en de nieuwe prijs
(p2) in te vullen en deze vervolgens van elkaar af te halen, kunnen we de verandering
van het consumentensurplus berekenen bij een prijsdaling van 10 naar 8.
10
1
∆𝐶𝑆 = ∫ ( 𝑝2 − 2𝑝 + 16)
8 16
1 1 3 1 2
= [16 ∗ 3 𝑝 − 2 ∗ 2 𝑝 + 16𝑝] 10 8
1
= [48 𝑝3 − 𝑝2 + 16𝑝] 10 8
1 1
= (48 (10)3 − (10)2 + 16 ∗ (10)) − (48 (8)3 − (8)2 + 16 ∗ (8))
125 32
= 6
− 100 + 160 − ( 3 − 64 + 128)
485 224 37
= 6
− 3 = 6
1
∆𝐶𝑆 = 6
6
1
Het consumentensurplus neemt dus toe met 6 6
Het consumentensurplus zal stijgen omdat de prijs daalt, hierdoor wordt het
consumentensurplus groter.
b) p1 = €2,- voor een smoothie
p2 = €3,- voor een smoothie
q1 = €18/€2 = 9
q2 = €18/€3 = 6
Het budget is €18 per week en April ontleent al haar nut aan het consumeren van
smoothies.
Compenserende variatie geeft aan hoeveel het zakgeld van April moet stijgen om
gecompenseerd te worden voor de prijsstijging van de smoothies om zo haar nut
gelijk te houden.
Equivalente variatie houdt in dat het zakgeld van Avril moet dalen. Dit moet net
zoveel zijn als dat haar nut verminderd is door de prijsstijging.
Compenserende variatie
a) p1 = 10
p2 = 8
De inverse vraagfunctie is: 𝑝 = 16 − 4√𝑞
𝑝 − 16 = −4√𝑞
1
√𝑞 = 4 − 𝑝
4
1 2
𝑞 = (4 − 𝑝)
4
1 2
𝑞= 𝑝 − 2𝑝 + 16
16
Om het consumentensurplus te berekenen moet je q als een functie van p
integreren. Door de integraal te nemen en hierbij de oude prijs (p1) en de nieuwe prijs
(p2) in te vullen en deze vervolgens van elkaar af te halen, kunnen we de verandering
van het consumentensurplus berekenen bij een prijsdaling van 10 naar 8.
10
1
∆𝐶𝑆 = ∫ ( 𝑝2 − 2𝑝 + 16)
8 16
1 1 3 1 2
= [16 ∗ 3 𝑝 − 2 ∗ 2 𝑝 + 16𝑝] 10 8
1
= [48 𝑝3 − 𝑝2 + 16𝑝] 10 8
1 1
= (48 (10)3 − (10)2 + 16 ∗ (10)) − (48 (8)3 − (8)2 + 16 ∗ (8))
125 32
= 6
− 100 + 160 − ( 3 − 64 + 128)
485 224 37
= 6
− 3 = 6
1
∆𝐶𝑆 = 6
6
1
Het consumentensurplus neemt dus toe met 6 6
Het consumentensurplus zal stijgen omdat de prijs daalt, hierdoor wordt het
consumentensurplus groter.
b) p1 = €2,- voor een smoothie
p2 = €3,- voor een smoothie
q1 = €18/€2 = 9
q2 = €18/€3 = 6
Het budget is €18 per week en April ontleent al haar nut aan het consumeren van
smoothies.
Compenserende variatie geeft aan hoeveel het zakgeld van April moet stijgen om
gecompenseerd te worden voor de prijsstijging van de smoothies om zo haar nut
gelijk te houden.
Equivalente variatie houdt in dat het zakgeld van Avril moet dalen. Dit moet net
zoveel zijn als dat haar nut verminderd is door de prijsstijging.
Compenserende variatie