Binnen SPSS krijg je te maken met 3 verschillende vensters:
- Het databestand (.sav) waarin variabelen en waarnemingen of scores worden
weergegeven;
- De syntax (.sps) waarin wordt bijgehouden welke commando’s worden uitgevoerd;
- De output (.spv) waarin uitkomsten van analyses worden weergegeven.
Data View en Variable View
Binnen SPSS zijn er twee verschillende schermen:
- Data View: hier zie je de gegevens, oftewel antwoorden van respondenten
- Variable View: hier je zie je alle variabelen, hoe ze werken en wat de antwoorden in
data view betekenen
Descriptives en frequencies
Descriptives
Analyze > Descriptive Statistics > Descriptives (>options)
Hier kan je bij ‘options’ allerlei beschrijvende statistieken van variabelen opvragen, zoals de
mean, sum, minimum, maximum, range, std. deviation, variance, range en skewness.
Frequencies
Analyze > Descriptive Statistics > Frequencies (>statistics)
- Hier kan je een frequentietabel opvragen. Dit geeft aan hoe vaak een bepaald
antwoord voorkomt. Ook staan hier de percentages. ‘Valid percent’ neemt in deze
tabel de missing waarden niet mee. Percent doet dit wel.
- Daarnaast kan je ook hier bij ‘statistics’ dezelfde statistieken opvragen maar ook nog
meer zoals: sum, mode, median, quartiles en percentiles.
- Wanneer je moet bepalen welke cetrummaat je wil gebruiken, geef je eerst aan wat
het meetniveau is. Bij een kwantitatief meetniveau gebruik je in principe het
gemiddelde.
- Daarnaast kan je hier in de output ook zien hoeveel ‘missing waarden’ er zijn voor
een bepaalde variabele.
- Je kan binnen een frequentieverdeling ook 4 verschillende klassen maken. Als je dit
wil doe je:
Analyze > Descriptive Statistics > Frequencies > Statistics
Mogelijk wil je hier geen frequentietabel bij. Je kan dan het vinkje bij ‘Display
frequency tables’ uitzetten. Bij het opdelen in 4 groepen krijg je de kwartielen. Als
het 25e percentiel bijvoorbeeld 18 is, betekent dit dat 25% van de respondenten 18
of lager heeft gescoord.
Grafieken in SPSS
In SPSS zijn er twee manieren op grafieken te maken:
1. Graphs > Legacy dialogs
2. Analyze > Descriptive Statistics > Frequencies > Charts
, Bij Legacy dialogs kan je vervolgens kiezen wat je wil maken, zoals een staafdiagram,
histogram of scatter/dot.
Bar (staafdiagram)
Zet de variabele waarvan je een staafdiagram wil bij ‘Category Axis’.
De tweede manier werkt ook. Je krijgt dan een frequentietabel met een bijbehorende
grafiek, zoals een staafdiagram of histogram.
Compute en Count
Compute
Transform > Compute Variable
Hiermee kunnen we een nieuwe variabele aanmaken, zoals een gemiddelde score of het
totaal van 3 variabelen.
LET HIERBIJ OP (HAAKJES)!!!
Eventueel kan je gebruik maken van MEAN. Je vult dan als formule in: MEAN (… , … , …) met
op de puntjes de variabelen waarvan je het gemiddelde wilt.
Count
Transform > Count Values within Cases
Hiermee kunnen we bijvoorbeeld zien hoe vaak een bepaald antwoord is gegeven op een
bepaalde variabele. Je krijgt daar dan een nieuwe variabele van. Dit is handig als je
bijvoorbeeld wil weten hoe vaak er ‘ja’ is gezegd op 5 vragen in totaal.
Bij ‘Define Values’ kan je aangeven welk antwoord geteld moet worden. Als bijvoorbeeld
ja=1 op de vragen, dan vul je bij ‘value’ 1 in.
Verschil
Het verschil tussen compute en count, is dat compute iets al registreert als een missende
waarde wanneer 1 van de antwoorden berekent. Count telt ze gewoon alsnog bij elkaar op
en herkent deze missende waarden niet. Er is gewoon 1 waarde die niet wordt
meegenomen.
Ook bij het berekenen van het gemiddelde zoals hieronder zie je verschillen. De eerste
manier neemt bij een missende waarde de uitkomst niet mee.