Kwestie 3: in hoeverre verandert het wezen van de mens
door onze omgang met techniek?
H7: wij zijn van nature technologische wezens:
Andy Clark meent dat we natural-born cyborgs zijn: wezens die van nature verstrengeld zijn met
objecten uit de omgeving (wezens die steeds in interactie zijn met hun omgeving, waarbij de
omgeving deel wordt van hun activiteiten en zelfs van zichzelf)
- We maken voortdurend gebruik van technieken die we makkelijk incorporeren, deel maken,
van onze lichamelijke ervaring en daarmee van ons denkvermogen
Clark: wij worden geboren als cyborg
Plessner: we zijn van nature kunstmatig
Neuraal optimisme (Clark): als onze hersenen een taak kúnnen uitbesteden doen ze dit ook, we
gebruiken bijvoorbeeld pen en papier om een som op te lossen (menselijke informatie combineren
met activiteiten uit buitenwereld)
Denk aan het experiment waarbij je het aantal keer overgooien van basketballers moet tellen en er
een gorilla door het beeld loopt, dit heb je niet door omdat er niet voortdurend een gedetailleerd
beeld is van de gehele scène in je hoofd
Volgens onderzoekers ook niet nodig: wil je meer detail zien, dan kun je altijd je blik
verplaatsen naar waar het detail zich bevindt, je hoeft geen gedetailleerd intern plaatje te
vormen omdat de wereld zelf het beste plaatje is.
Clark ziet in deze visuele ervaring ook neuraal optimisme: je hebt details slechts gedeeltelijk
‘in het hoofd’. Daarnaast heb je schematische kennis. Details worden enkel ingevuld als dit
nodig is, ‘op aanvraag’ kunnen we deze inzetten.
De wereld kunnen we volgens Clark opvatten als een extern deel van ons geheugen.
Zo hebben we op allerlei manieren dingen uit de omgeving in onze activiteiten geïntegreerd, zoals het
horloge, we hebben tijd meer en meer verweven met ons bestaan.
Door horloges en smartphones is het mogelijk om de wereld in steeds preciezere
tijdseenheden van weken, uren, seconden te ordenen.
Voor Clark vormt taal het beste voorbeeld van hoe de inlijving van iets uitwendigs ons intelligent
handelen en denken naar een hoger niveau tilt (klanken zijn concrete dingen in de buitenwereld)
Het experiment met chimpansees toont aan dat de introductie van een eenvoudige vorm van
symbolen al leidt tot een opmerkelijke uitbreiding van cognitieve mogelijkheden.
- Groep 1 leerde aan de hand van plastic vormen te associëren met een gelijkenis of geen
gelijkenis, groep 2 had deze les niet gehad.
Groep 1 kon dus ook banaan/kopje vs banaan/schoen als gelijkenis zien groep 2 niet (161)
Dit voorbeeld geeft aan hoe objecten – de plastic vormen – cognitieve mogelijkheden uitbreidt. In dat
proces worden cognitieve vaardigheden getransformeerd: ze worden op een niveau getild dat zonder
de uitwendige elementen niet haalbaar was.
, Ons belichaamde brein is van nature in staat om voorwerpen uit de omgeving zo in te lijven dat we ze
ervaren als deel van onszelf:
- Experiment 1: de verlengde neus
- Experiment 2: pijn in het bureaublad
Uit deze experimenten leidt Clark af dat het gevoel van ‘behoren tot het zelf’ voortvloeit uit
correlaties tussen stimuli en feedback. De visuele stimulus domineert hier.
Zo zouden we protheses niet alleen de functie van een ledemaat over kunnen laten nemen
maar ook het gevoel te geven jouw ledemaat te zijn.
Een interface is een schakel tussen twee systemen, bijvoorbeeld het toetsenbord dat de
communicatie tussen mens en computer mogelijk maakt.
H8: Techniek verandert onze zintuigelijke ervaring:
Don Ihde’s werk is belangrijk in de ‘empirische wending’. Hij vond dat techniek een vervreemdend
effect had.
Karl Jaspers betoogde dat de technologie de mens vervreemdt van zichzelf en haar eigen
authenticiteit. De wereld wordt volgens hem een groot apparaat, waarin mensen leven vanuit hun
functie in het systeem.
Martin Heidegger zegt dat alles zijn betekenis ontleent aan maakbaarheid en beheersbaareid: in onze
technische tijd betekend ‘zijn’ inmiddels grondstof zijn, beschikbaar materiaal zijn om iets uit te
vervaardigen.
De empirische wending verandert dit perspectief. In plaats van te spreken over ‘de techniek’ gaat de
techniekfilosofie zich richten op concrete technieken.
- De empirische wending in de techniekfilosofie focust op echte ervaringen en interacties
tussen mensen en technologie, in plaats van abstracte ideeën. Het draait om het begrijpen
van hoe mensen technologie echt gebruiken en hoe het hun ervaringen beïnvloedt, waardoor
we een dieper inzicht krijgen in de relatie tussen mens en machine. (CHATGPT)
Tegenover de ‘vervreemding’ van klassieke techniekfilosofie plaatst Ihde de gedachte van
bemiddeling. Wanneer nieuwe technieken gebruikt worden staan ze niet tegenover de mens maar
bemiddelen ze hoe mensen in relatie staan tot hun omgeving.
- Wie in de auto zit heeft niet alleen een relatie tot de auto maar ook tot het landschap
Volgens Heidegger kan de menselijke relatie tot techniek twee vormen hebben:
- Voorhandenheid: door voor te stellen alsof een hamer voor je handen ligt en te beschrijven
hoe die ruikt, hoe zwaar die is en wat zijn afmetingen zijn begrijp je niet wat timmeren is.
- Terhandenheid: om de hamer te begrijpen moet je hem gebruiken, zodra je dat doet wordt
de hamer terhanden: een soort verlengstuk van je handen
Ihde onderschijdt vier varianten van relatie tussen mens en techniek:
☆ Inlijvingsrelatie: (mens – techniek) wereld: technieken beïnvloeden wel de relatie van de
mens met de wereld maar zonder dat ze door de mens worden ingelijfd
door onze omgang met techniek?
H7: wij zijn van nature technologische wezens:
Andy Clark meent dat we natural-born cyborgs zijn: wezens die van nature verstrengeld zijn met
objecten uit de omgeving (wezens die steeds in interactie zijn met hun omgeving, waarbij de
omgeving deel wordt van hun activiteiten en zelfs van zichzelf)
- We maken voortdurend gebruik van technieken die we makkelijk incorporeren, deel maken,
van onze lichamelijke ervaring en daarmee van ons denkvermogen
Clark: wij worden geboren als cyborg
Plessner: we zijn van nature kunstmatig
Neuraal optimisme (Clark): als onze hersenen een taak kúnnen uitbesteden doen ze dit ook, we
gebruiken bijvoorbeeld pen en papier om een som op te lossen (menselijke informatie combineren
met activiteiten uit buitenwereld)
Denk aan het experiment waarbij je het aantal keer overgooien van basketballers moet tellen en er
een gorilla door het beeld loopt, dit heb je niet door omdat er niet voortdurend een gedetailleerd
beeld is van de gehele scène in je hoofd
Volgens onderzoekers ook niet nodig: wil je meer detail zien, dan kun je altijd je blik
verplaatsen naar waar het detail zich bevindt, je hoeft geen gedetailleerd intern plaatje te
vormen omdat de wereld zelf het beste plaatje is.
Clark ziet in deze visuele ervaring ook neuraal optimisme: je hebt details slechts gedeeltelijk
‘in het hoofd’. Daarnaast heb je schematische kennis. Details worden enkel ingevuld als dit
nodig is, ‘op aanvraag’ kunnen we deze inzetten.
De wereld kunnen we volgens Clark opvatten als een extern deel van ons geheugen.
Zo hebben we op allerlei manieren dingen uit de omgeving in onze activiteiten geïntegreerd, zoals het
horloge, we hebben tijd meer en meer verweven met ons bestaan.
Door horloges en smartphones is het mogelijk om de wereld in steeds preciezere
tijdseenheden van weken, uren, seconden te ordenen.
Voor Clark vormt taal het beste voorbeeld van hoe de inlijving van iets uitwendigs ons intelligent
handelen en denken naar een hoger niveau tilt (klanken zijn concrete dingen in de buitenwereld)
Het experiment met chimpansees toont aan dat de introductie van een eenvoudige vorm van
symbolen al leidt tot een opmerkelijke uitbreiding van cognitieve mogelijkheden.
- Groep 1 leerde aan de hand van plastic vormen te associëren met een gelijkenis of geen
gelijkenis, groep 2 had deze les niet gehad.
Groep 1 kon dus ook banaan/kopje vs banaan/schoen als gelijkenis zien groep 2 niet (161)
Dit voorbeeld geeft aan hoe objecten – de plastic vormen – cognitieve mogelijkheden uitbreidt. In dat
proces worden cognitieve vaardigheden getransformeerd: ze worden op een niveau getild dat zonder
de uitwendige elementen niet haalbaar was.
, Ons belichaamde brein is van nature in staat om voorwerpen uit de omgeving zo in te lijven dat we ze
ervaren als deel van onszelf:
- Experiment 1: de verlengde neus
- Experiment 2: pijn in het bureaublad
Uit deze experimenten leidt Clark af dat het gevoel van ‘behoren tot het zelf’ voortvloeit uit
correlaties tussen stimuli en feedback. De visuele stimulus domineert hier.
Zo zouden we protheses niet alleen de functie van een ledemaat over kunnen laten nemen
maar ook het gevoel te geven jouw ledemaat te zijn.
Een interface is een schakel tussen twee systemen, bijvoorbeeld het toetsenbord dat de
communicatie tussen mens en computer mogelijk maakt.
H8: Techniek verandert onze zintuigelijke ervaring:
Don Ihde’s werk is belangrijk in de ‘empirische wending’. Hij vond dat techniek een vervreemdend
effect had.
Karl Jaspers betoogde dat de technologie de mens vervreemdt van zichzelf en haar eigen
authenticiteit. De wereld wordt volgens hem een groot apparaat, waarin mensen leven vanuit hun
functie in het systeem.
Martin Heidegger zegt dat alles zijn betekenis ontleent aan maakbaarheid en beheersbaareid: in onze
technische tijd betekend ‘zijn’ inmiddels grondstof zijn, beschikbaar materiaal zijn om iets uit te
vervaardigen.
De empirische wending verandert dit perspectief. In plaats van te spreken over ‘de techniek’ gaat de
techniekfilosofie zich richten op concrete technieken.
- De empirische wending in de techniekfilosofie focust op echte ervaringen en interacties
tussen mensen en technologie, in plaats van abstracte ideeën. Het draait om het begrijpen
van hoe mensen technologie echt gebruiken en hoe het hun ervaringen beïnvloedt, waardoor
we een dieper inzicht krijgen in de relatie tussen mens en machine. (CHATGPT)
Tegenover de ‘vervreemding’ van klassieke techniekfilosofie plaatst Ihde de gedachte van
bemiddeling. Wanneer nieuwe technieken gebruikt worden staan ze niet tegenover de mens maar
bemiddelen ze hoe mensen in relatie staan tot hun omgeving.
- Wie in de auto zit heeft niet alleen een relatie tot de auto maar ook tot het landschap
Volgens Heidegger kan de menselijke relatie tot techniek twee vormen hebben:
- Voorhandenheid: door voor te stellen alsof een hamer voor je handen ligt en te beschrijven
hoe die ruikt, hoe zwaar die is en wat zijn afmetingen zijn begrijp je niet wat timmeren is.
- Terhandenheid: om de hamer te begrijpen moet je hem gebruiken, zodra je dat doet wordt
de hamer terhanden: een soort verlengstuk van je handen
Ihde onderschijdt vier varianten van relatie tussen mens en techniek:
☆ Inlijvingsrelatie: (mens – techniek) wereld: technieken beïnvloeden wel de relatie van de
mens met de wereld maar zonder dat ze door de mens worden ingelijfd