Psychologie 2
Hoofdstuk 1 – Psychodiagnostiek
Stepped care model = een uitgebreider psychodiagnostisch onderzoek uitvoeren afhankelijk van de
ernst en hardnekkigheid van de klachten.
Intaker = In het eerste contact met de client uitzoeken wat er aan de hand is.
Diagnosticus = Klachten en problemen kaderen.
Psychodiagnosticus = de klachten en problemen diepgaand begrijpen.
Diagnostische cyclus =
1) Klachtenanalyse
2) Probleemanalyse
3) Verklaringsanalyse
4) Indicatieanalyse
Klachtenanalyse = wat is de vraag?
- Wat is de aanleiding om onderzoek aan te vragen (rechtbank, huisarts, client zelf)?
- Wat verwacht de aanvrager van het onderzoek?
- Wat is de hulpvraag van de aanvrager?
Probleemanalyse = wat is het probleem?
Er wordt gebruik gemaakt van informatie over de client die in de intakeprocedure verzameld is in
anamneses.
Anamneses = intake gesprek / ziektegeschiedenis.
1) Gestandaardiseerde klachteninventarisatie
2) Speciele anamnese
3) Psychiatrische anamnese
4) Observaties tijdens onderzoekgesprekken
5) Biografische anamnese en heteroanamnese
6) Huidig functioneren
7) Beschrijvende diagnostiek
Gestandaardiseerde klachteninventarisatie = gestandaardiseerde vragenlijsten.
Routine Outcome Monitoring (ROM) – procedure = bedoeld voor het waarborgen van de kwaliteit van
de zorg (primair). Het is ook geschikt voor het monitoren van behandelresultaten.
1
,Outcome Questionnaire (OQ-45) = meet drie functiedomeinen:
1) Intrapsychisch
2) Interpersoonlijk
3) Sociale rolvervulling.
Geeft inzicht in de aard en ontstaanswijze van de klachten waarmee de client zich meld, vooral als deze
antwoorden andere problemen laat zien dan die door de client gemeld zijn in het interview.
Speciele anamnese = intakegesprek waarbij de intaker de specifieke klachten van de client in beeld
probeert te brengen, waarbij het accent ligt op de huidige problemen.
Luxerende factoren = zijn gebeurtenissen die een psychiatrische aandoening uitlokken zoals verlies of
ontslag.
Interferentie = de mate waarin sociale, relationele en functionele aspecten in het leven van de client
belemmerd worden door de problemen.
Psychiatrische anamnese = richt zich op het systematisch samenvatten van de psychiatrische
symptomen van de client; zowel objectieve als subjectieve waargenomen symptomen worden
meegenomen.
1) Verschijning en psychomotoriek
2) Orientatie
3) Aandacht en geheugen
4) Waarneming
5) Spraak en denken
6) Stemming en affect
7) Persoonlijkheid
Observaties tijdens de onderzoeksgesprekken = omvatten de minder tastbare aspecten van hoe de
client overkomt.
1) Stevig of kwetsbaar
2) Manier van omgaan met gevoelens.
Biografische anamnese = het uitvragen naar factoren uit de levensgeschiedenis van de client die de
client beschermen of juist ontvankelijk maken voor het ontwikkelen van psychopatologie bij de client
zelf.
Heteroanamnese = het uitvragen van bovenstaande informatie bij belangrijke informanten zoals ouders
of verzorgers, partner etc.
Huidig functioneren =
1) Kwaliteit sociale relaties
2) Maatschappelijke situatie
3) Organische (medische) factoren
Beschrijvende diagnostiek = classificatie van de symptomen (DSM-5). Hier wordt aangegeven wat de
belangrijkste klachten zijn, hoe ernstig, de aanleiding en hoe de klachten begrepen kunnen worden op
basis van de huidige wetenschappelijke kennis.
2
,Onderkennende diagnostiek = diagnostiek waarin een omschrijving wordt gegeven maar geen
verklaring.
Verklaringsanalyse = waar komen de problemen vandaan?
Onderzoekt waar de klachten vandaan komen en hoe ze verklaard kunnen worden.
1) Vragenlijsten
2) Interviews
3) Tests
Opbouw van de verklaringsanalyse:
1) Onderzoeksvraagstellingen en hypothesen
2) Keuze van instrumenten en methode
3) Uitvoering onderzoek
4) Interpretatie van de resultaten
5) Integratie van de onderzoeksresultaten
6) Terugkoppelingsgesprek
Semi-gestructureerde interviews = om op systematische wijze informatie te verzamelen, en de vragen
en antwoord mogelijkheden zijn voor een groot deel al vastgelegd.
Structural Clinical Interview for DSM-5 disorders = een brede systematische checklist van criteria voor
stoornissen die veel gebruikt wordt.
Capaciteiten test = worden gebruikt om bepaalde vaardigheden en intelligentie te meten en vergelijken
met een normgroep. Rekening houden met cultuur en taalvaardigheid van de client, zo nodig non-
verbale test.
Zelfrapportage vragenlijsten = beeld vormen van klachten, persoonlijkheid, coping en sociale
vaardigheden.
Indirecte methoden = meten van informatie waar de client zich niet direct bewust van is.
Projectieve test = spanning opbouwen en kijken hoe client reageert. Vooral als client in
zelfrapportagevragenlijsten een heel sociaal wenselijk beeld laat zien. Uit test blijkt meer een impulsieve
en boze indruk echter.
Gestructureerd persoonlijkheidsinterview = onderdeel van de psychodynamische theorie. Deze
onderscheidt 3 persoonlijkheidsorganisaties:
1) Neurotisch
2) Borderline
3) Psychotische persoonlijkheid
Weinig structuur bieden aan gesprek waardoor client gedwongen word om zelf helderheid te scheppen.
Afweermechanismen worden zo geactiveerd bij de client.
Dynamische persoonlijkheidsdiagnostiek = een theorie gestuurd raamwerk om hypothesen over
persoonlijkheidsorganisaties te toetsen, de interviews worden aangevuld met vragenlijsten en
projectieve tests, blijft controversieel.
3
, Indicatieanalyse = wat is de beste aanpak?
Is een voorstel voor behandeling gebaseerd op de resultaten van het diagnostisch proces en wensen en
mogelijkheiden van de client.
Predictie = een uitspraak doen over de veranderbaarheid van de klachten en het probleemgedrag in de
toekomst, en de voorwaarden van deze veranderbaarheid. Voorspelling kan op emperische gronden
gegeven worden door gebruik te maken van:
- Gevalideerde risicotaxatie-instrumenten
- Klinische indruk.
Confirmation bias = de neiging om informatie te zoeken en als zodanig te interpreteren die de eerste
klinische indruk bevestigen.
4