onderbouw
Hoofdstuk 1: Rekenen-wiskunde in groep 1 en 2
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe het boek in elkaar zit. Daarnaast zijn de kerndoelen en het overzicht van
de hoofdstukken 3 tot en met 8 uitgeschreven.
Beknopte leerstofoverzicht voor groep 1 en 2
Hoofdstuk 2: Begrippen
en zelfpeiling bij deel 1
§2.1 Professionele gecijferdheid
Om goed rekenen-wiskunde te geven, moet je professioneel gecijferd zijn. Je moet over de volgende
vaardigheden beschikken:
Het herkennen van wiskunde in de omgeving
Gericht zijn op oplossingsprocessen, door te reflecteren
Inspelen op het wiskundig denken van de leerlingen
Verder in het hoofdstuk wordt uitgelegd hoe het boek in elkaar zet. Ook wordt de beginpeiling aangegeven.
, Hoofdstuk 3: Weerspiegelingen
§3.1 Spiegels in het water
In het voorbeeld laat een juf een regenplas zien op het schoolplein. De kinderen zien zichzelf en de school op z’n
kop.
§3.2 Eerst ervaring opdoen
Het is belangrijk dat kinderen eerst veel kunnen ervaren door te onderzoeken en waar te nemen, om vervolgens
te vertellen wat ze zien. Op basis hiervan kan de leerkracht beslissen of het onderwerp geschikt is om
verdiepingsvragen te stellen en de kinderen er verder over na te laten denken.
Uitleggen bij meetkunde in groep ½ gaat vooral om ervaren en vragen stellen. Een uitdagende goed
voorbereide leeromgeving is hiervoor van belang.
Spiegelen valt onder het domein meetkunde. Bij meetkunde gaat het om begrijpen van de ruimte (ontwikkelen
van het ruimtelijk voorstellings- en redeneervermogen). Kinderen ontwikkelen hun meetkundig inzicht volgens
drie fases: ervaren, verklaren en verbinden. Bij kleuters gaat het vooral om ervaren: het verkennen en
waarnemen van de omgeving.
§3.3 Meetkunde taal
Wanneer kinderen (aan elkaar) vertellen wat zij doen/zien, maken zij hun meetkunde taal eigen. Deze taal is
nodig om ruimtelijke/meetkundige begrippen (links, onder), voorstellingen, handelingen (draaien) en
redeneringen te kunnen beschrijven.
Meetkundige activiteiten voor jonge kinderen zijn onder te verdelen in 3 soorten:
Oriënteren: heeft betrekking op het plaats bepalen in de ruimte.
Construeren: kinderen die bezig zijn met blokken bouwen of knutselen (iets maken).
Opereren: het gaat om het verschuiven, spiegelen, draaien en projecteren van vormen en figuren en
combinaties hiervan.
§3.4 Onzichtbare blokjes en bouwtekeningen
Het is voor kinderen in groep ½ lastig om blokjes te tellen die zij helemaal niet of niet direct kunnen zien. Het is
dus belangrijk om te oefenen dat je voorwerpen kunt zien vanuit een verschillend perspectief.
Om een stapje verder te gaan, kun je het kind het bouwwerk laten tekenen en daarmee zijn werk te
schematiseren. Dit is een activiteit voor groep ¾, maar voor sommige kinderen erg uitdagend (zone van de
naaste ontwikkeling).
§3.5 Een onverwachte wending
Bij jonge kinderen kan een les zomaar een andere wending krijgen als hun aandacht door iets anders wordt
getrokken. Het is de kunst voor de leerkracht om de initiatieven van de kinderen te volgen en te verdiepen.