Hoorcollege 1: inleiding in de gezinspedagogiek
Doel cursus: Beschrijven, begrijpen en optimaliseren
Vier thema’s
1. Inleiding in de gezinspedagogiek
2. Complexiteit van gezinsinteracties
3. Diversiteit
4. Opvoeding ondersteunen
DEEL 1 - Opvoedtaken per ontwikkelingsfase
Vier domeinen opvoedgedrag
1. Verzorgende opvoeding (in fysieke behoeften voorzien (warmen en voeden))
2. Sociale opvoeding (interpersoonlijk gedrag bevorderen en begeleiding
3. Didactische opvoeding (stimulatie om de wereld te leren begrijpen
4. Materiële opvoeding (fysieke uitdaging en begeleiding)
Waarom verschillen domeinen? Deze domeinen kunnen onafhankelijk van elkaar zijn. als professioneel
moet je gedifferentieerd naar verschillende aspecten kijken.
Kerntaak ouders: sensitief zijn
Sensitiviteit: het vermogen om signalen van het kind waar te nemen, juist te interpreteren en er
correct op te reageren.
Welke ouder is sensitiever? (twee vergelijkende plaatjes) Op basis van een enkel beeld kun je soms
moeilijk vaststellen of er sprake is van sensitiviteit. Sensitiviteit is meer dan slechts lief zijn. Het is
belangrijker om te achterhalen of de moeder op het juiste moment heeft geanticipeerd op hetgeen wat
het kind wilt.
Toepassend begrip: Circle of security (tweedelig)
Save haven: je bent er voor je kind om bij terug te komen
Secure base: je bent ook een stabiele basis waarvan uit een kind kan gaan ontdekken
Je kunt er tegen aan lopen dat ouders een secure haven vormen op het moment dat ze eigenlijk een
secure base moeten zijn, of andersom. Dit zie je bijvoorbeeld bij te bezorgde ouders.
In 1957 presenteerde Bowlby zijn integratie van psycho-analytische en ethologische ideeën voor het
eerst in een voordracht. Bowlby na aan dat gehechtheidsgedrag vijf verschillende instinctieve,
aangeboren componenten bevat: zuigen, grijpen, volgen, huilen en lachen. Deze reacties van het kind
op zijn omgeving zorgen ervoor dat het contact met de moeder behouden blijft of hersteld wordt wanneer
het verbroken is. Empirische ondersteuning ontbrak echter voor deze denkwijze. Pas na nieuwe
inzichten van Harry Harlow kreeg de theorie van Bowlby meer poten om op te staan.
De samenwerking tussen Bowlby en Mary Ainsworth maar vervolgens belangrijk voor de
gehechtheidstheorie zoals we die nu kennen. Ainsworth onderscheidde drie verschillende gehechtheid
categorieën: veilig gehecht (secure), onveilig gehecht (insecure) en niet gehecht waarbij sensitiviteit van
de moeder een duidelijke voorspeller bleek te zijn. Studies laten verder zien dat er sprake is van
crossculturele patronen van gehechtheid. Verschillende culturen worden dezelfde patronen van
gehechtheid gevonden waarbij veilige gehechtheid de meest voorkomende vorm is.
,Ontwikkelingsfase 1: Eerste tekenen van gehechtheid: vanaf acht maanden
Vanaf de geboorte zijn kinderen al gericht op allerlei aspecten van de gehechtheid
In het begin is de gehechtheid alleen niet zo specifiek gericht op twee individuen
Angst voor vreemden
Schematisch de vreemde situatietest
1. Opvoeder en kind in vreemde ruimte
Hoe weten we of een kind goed (veilig) gehecht is?
2. Vreemde volwassene komt erbij en gaat met kind
Strange situation procedure (voor kinderen van 12 tot spelen
20 maanden) – Mary Ainsworth 3. Opvoeder verlaat de ruimte
Kinderen in het laboratorium (of een andere kamer) 4. Opvoeder komt weer binnen
gezamenlijk met de moeder plaatsen. Hoe reageert het 5. Opvoeder en vreemde volwassene verlaten vertrek,
kind blijft alleen achter
kind hierop? Durft het op onderzoek uit te gaan? 6. Vreemde komt weer binnen
Vervolgens komt er een vreemde de ruimte binnen. Hoe 7. Opvoeder komt weer binnen.
reageert het kind hierop? Wat gebeurd er als de moeder de
ruimte vervolgens verlaat?
Een veilig gehecht kind: reageert bedroeft en wat angstig. Wanneer de moeder terugkeert is een kind
snel weer getroost.
Vier soorten hechtingstijlen
Onveilig-vermijdend (20%): Deze kinderen laten zo min mogelijk zien dat ze behoefte hebben aan
comfort van het hechtingsfiguur. Dit gebeurt wanneer een hechtingsfiguur niet met warmte reageert
wanneer een kind zoekt naar comfort of hulp.
▪ Ouder: afstandelijk, weinig betrokken
▪ Kind: weinig exploratief, emotioneel afstandelijk bij weggaan en terugkeer ouder
Onveilig-afwerend/ ambivalent (10%): Deze kinderen zoeken veel toenadering bij de opvoeder en
zijn weinig geneigd om zelfstandig activiteiten uit te voeren. De afwezigheid van de opvoeder leidt tot
angst, terwijl de terugkeer van de ouder begroet wordt met boosheid en verontwaardiging. De opvoeder
is vaak inconsequent sensitief, onvoorspelbaar voor het kind en afwezig op cruciale momenten.
▪ Ouder: inconsistent, soms sensitief en soms afstandelijk
▪ Kind: weinig exploratief, overstuur bij weggaan ouder, combinatie van angst, onzekerheid en boos
bij terugkeer
Onveilig - Gedesorganiseerd (5%): Bij deze kinderen is er geen duidelijke hechtingsstijl zichtbaar.
Hun gedrag is wisselend: ze zoeken soms veel toenadering, maar reageren ook met stress of angst in het
bijzijn van hun ouders. Dit kan komen omdat de ouder inconsistent en onvoorspelbaar is in het tonen
van warmte of een onveilig gevoel geeft. Trauma's en andere ingrijpende gebeurtenissen bij het kind en
de ouder kunnen ook bijdragen aan gedesorganiseerde gehechtheid.
▪ Ouder: extreem inconsistent, beangstigend, intrusief of passief
▪ Kind: zeer passief of juist erg boos.
Veilig gehecht (65%): Veilig gehechte kinderen hebben het vertrouwen dat hun hechtingsfiguur er voor
ze zal zijn als ze dat nodig hebben. Vanuit dat vertrouwen vinden ze het makkelijk om fysiek afstand te
nemen van het hechtingsfiguur en op exploratie te gaan. Wanneer er iets gebeurt, weten ze het
hechtingsfiguur goed te vinden.
▪ Ouder: sensitief, responsief en consistent
▪ Kind: exploratief, verdriet bij weggaan van ouders, troost bij terugkeer ouder
, Gehechtheid is van invloed op interne werkmodellen: gedachten en overtuigingen gebaseerd op
eerdere ervaringen over jezelf, anderen en de relatie tussen jezelf en anderen
Beïnvloeden je verwachtingen, actief en reacties in sociale situaties
▪ Veilig gehecht: geloof en vertrouwen in dat je in je behoeften zal worden voorzien.
▪ Onveilig vermijdend: (onbewust) geloof dat je niet in je behoeften zal worden voorzien.
▪ Onveilig ambivalent: er niet van uit kunnen gaan dat je behoeften zal worden voorzien.
▪ Onveilig gedesorganiseerd: verward en zonder strategie over of je in je behoeften zal worden
voorzien.
Gehechtheid over de tijd: redelijk stabiel (70-80%)
Partner- en vriendschapskeuze dragen bij aan consistentie – intergenerationele transmissie van
gehechtheid. Kan wel veranderen (= kans voor optimaliseren)
McElwain & Booth-LaForce (2006)
▪ Doel van het onderzoek: het artikel onderzoekt of de gevoeligheid van moeders voor de signalen
van hun baby’s, vooral bij stress (= de mate waarin een moeder adequaat reageert op de signalen
van haar baby wanneer deze gestrest is zoals huilen of ongemak), een belangrijke voorspeller is van
een veilig hechting tussen moeder en kind.
▪ Onderzoeksmethode: het ging om data, verzameld uit de NICHD Study of Early Child Care
(longitudinaal onderzoek) waarbij 357 moederbaby paren op 6 maanden en 230 paren op 15
maanden werden geobserveerd tijdens speelsessies.
▪ Resultaten: grotere gevoeligheid voor stresssignalen op zes maanden was geassocieerd met een
grotere kans op een veilige hechting op 15 maanden. Gevoeligheid voor niet-stresssignalen (= de
responsiviteit van een moeder op de signalen van haar baby wanneer deze niet gestrest is zoals
glimlachen of brabbelen) had geen significante voorspellende waarde voor hechtingsveiligheid. Een
beschermende functie van de moeder-kind hechtingsrelatie is vooral tijdens de vroege kindertijd
belangrijk.
Ontwikkelingsfase 2: Peuter en kleuter
Model/ typologie van Baumrind: kunnen ouders de juiste mate
van warmte en controle toepassen gedurende opvoeding?
Warmte (deelaspect 1)
▪ Affectie (uitingen van genegenheid, liefde)
▪ Waardering (vriendelijkheid, acceptatie en steun
▪ Positieve emoties (Glim)lachen en humor)
Controle (deelaspect 2) (Joussement et al., 2008)
▪ Vorm 1 controle - Psychologische controle: zorgt er niet voor dat kinderen internaliseren waarom
ze iets niet moeten doen. ze gaan luisteren naar ouders omdat ze bang zijn voor de reactie van de
ouders. Het is een vorm van ouderlijke controle die inbreuk maakt op de psychologische wereld van
het kind, zoals het gebruik van schuldinductie, het terugtrekken van liefde en het ongeldig verklaren
van gevoelens.
▪ Vorm 2 controle - Gedragscontrole: dit verwijst naar het communiceren van duidelijke
verwachtingen over passend gedrag en het monitoren van het gedrag van kinderen in relatie tot die
verwachtingen