Wetenschapsfilosofie, Exploring Humans - Leer door
begrippen!
De tentamenvragen/oefenvragen, 50 vragen, uiteraard inclusief de
antwoorden!
Zie ook het document, de samenvatting door: Studiebegrip,
(425026B6) Snelle Samenvatting, Wetenschapsfilosofie, Exploring
Humans - Leer door begrippen! (2025).
50 Meerkeuzevragen
1. Wat houdt rationalisme in?
A. Kennis komt uit zintuiglijke ervaring.
B. Kennis komt uit het correcte gebruik van ons
redeneringsvermogen.
C. Kennis is volledig subjectief.
D. Kennis wordt uitsluitend door traditie overgedragen.
2. Wat is de kern van het empirisme?
A. De geest is een tabula rasa; alle kennis komt uit ervaring.
B. De geest beschikt over aangeboren ideeën.
C. Er is geen onderscheid tussen ervaring en rede.
D. Kennis wordt uitsluitend verkregen door logische deductie.
3. Wat betekent scientisme?
A. Wetenschap is één van meerdere evenwaardige kennisbronnen.
B. Wetenschap is superieur aan andere vormen van
kennisverwerving.
, C. Wetenschap is gebaseerd op traditie.
D. Wetenschap kan nooit objectief zijn.
4. Wat stelt het scepticisme?
A. Wetenschap levert absolute waarheid op.
B. Er is geen onbetwistbaar bewijs in de wetenschap.
C. Zintuiglijke ervaring is altijd foutloos.
D. Kennis komt uitsluitend door intuïtie.
5. Volgens Plato gaat ware kennis over:
A. De veranderlijke zintuiglijke wereld.
B. Het herinneren van aangeboren ideeën uit een supernatuurlijke
wereld van perfecte vormen.
C. Het opdoen van kennis via experimenten.
D. Het toepassen van inductie.
6. Wat betekent de “wereld van vormen” bij Plato?
A. Alle fysieke objecten zijn perfect.
B. De echte realiteit bestaat uit eeuwige, onveranderlijke vormen.
C. De zintuiglijke wereld bevat alle waarheid.
D. Waarneming is voldoende voor kennis.
7. Wat houdt nativisme bij Plato in?
A. Kennis ontstaat alleen door ervaring.
B. Mensen worden geboren met aangeboren ideeën.
C. Leren is het vergaren van nieuwe kennis.
D. De geest is bij de geboorte een onbeschreven blad.
8. Waarop richt Aristoteles’ empirisme zich?
A. Op kennis via aangeboren ideeën.
B. Op kennis door observatie van de natuur.
C. Op kennis door traditie en autoriteit.
D. Op kennis door mystieke ervaringen.
9. Wat is inductie?
A. Het afleiden van specifieke details uit algemene principes.
B. Het opbouwen van algemene wetmatigheden op basis van
specifieke observaties.
C. Het negeren van individuele waarnemingen.
D. Het gebruiken van alleen deductieve redenering.
10. Welke van de volgende is GEEN van Aristoteles’ vier
oorzaken?
A. Formele oorzaak
B. Materiële oorzaak
C. Efficiënte oorzaak
D. Mystieke oorzaak
,11. Wat bedoelt Bacon met “idolen”?
A. Fundamentele waarheden.
B. Vertekeningen in onze perceptie die tot fouten leiden.
C. Onbetwistbare wetmatigheden.
D. Aangeboren kennis.
12. Welk type idol betreft taalproblemen?
A. Idolen van de stam
B. Idolen van de grot
C. Idolen van de marktplaats
D. Idolen van het theater
13. Waar staat “Cogito ergo sum” voor?
A. Ik besta omdat ik denk.
B. Ik denk, dus ik besta.
C. Ik denk, dus de wereld bestaat.
D. Ik besta, dus ik denk.
14. Wat houdt methodische twijfel in volgens Descartes?
A. Alles accepteren wat de zintuigen geven.
B. Alles in twijfel trekken totdat alleen het onbetwijfelbare overblijft.
C. Alleen redenering vertrouwen.
D. Tradities onveranderd laten.
15. Wat betekent in Descartes’ dualisme “res extensa”?
A. De denkende substantie.
B. De uitgestrekte, fysieke substantie.
C. De spirituele essentie.
D. De universele geest.
16. Wat betekent Locke’s “tabula rasa”?
A. De geest is gevuld met aangeboren ideeën.
B. De geest begint als een leeg blad waarop ervaring kennis schrijft.
C. De geest is volledig irrationeel.
D. De geest onthoudt alles van nature.
17. Wat zijn primaire kwaliteiten volgens Locke?
A. Subjectieve eigenschappen zoals kleur.
B. Eigenschappen zoals vorm en grootte die inherent zijn aan het
object.
C. Emotionele kwaliteiten.
D. Alleen de eigenschappen die door iedereen anders ervaren
worden.
, 18. Wat betekent Berkeley’s “esse est percipi”?
A. Bestaan betekent denken.
B. Bestaan betekent waargenomen worden.
C. Bestaan is onafhankelijk van waarneming.
D. Bestaan is slechts een illusie.
19. Wat stelt Hume’s Copy Principle?
A. Alle ideeën worden origineel gecreëerd.
B. Alle ideeën zijn kopieën van eerdere zintuiglijke indrukken.
C. Ideeën ontstaan uit logische redenering.
D. Er bestaat geen verschil tussen impressies en ideeën.
20. Hoe verklaart Hume causaliteit?
A. Door directe observatie van noodzakelijke verbanden.
B. Als een gevolg van gewoontevorming bij herhaalde observaties.
C. Door deductieve logica.
D. Als een aangeboren kennis.
21. Wat zijn synthetische a priori oordelen volgens Kant?
A. Oordelen die uitsluitend op definities berusten.
B. Oordelen die noodzakelijk en universeel zijn, maar nieuwe
informatie toevoegen.
C. Oordelen die alleen op ervaring zijn gebaseerd.
D. Oordelen die subjectief en veranderlijk zijn.
22. Wat is het verschil tussen de fenomenale en noumenale
wereld bij Kant?
A. De fenomenale wereld is de wereld van ideeën, de noumenale de
wereld van waarnemingen.
B. De fenomenale wereld is zoals deze aan ons verschijnt; de
noumenale wereld is de wereld zoals die in zichzelf is.
C. De fenomenale wereld bestaat uit logica; de noumenale uit
ervaring.
D. Er is geen verschil.
23. Wat is de kern van het positivisme?
A. Alleen theologische verklaringen zijn geldig.
B. Alleen observeerbare feiten en empirische methoden hebben
betekenis.
C. Mystieke ervaringen vormen de basis van kennis.
D. Traditie is de beste bron van waarheid.
24. Waarin bestaat Comte’s Wet van de Drie Stadia?
A. De evolutie van de menselijke moraal.
B. De overgang van theologische, naar metafysische, naar positieve
verklaringen.