Toepassingen van röntgenstraling:
- Diagnose stellen: röntgenfoto, CT-scan, röntgendoorlichting
- Therapeutisch: radiotherapie (bestralen kwaadaardige gezwellen)
Röntgenstraling: elektromagnetische golven. Over deze golven worden energiepakketjes (fotonen)
verplaatst. Hoe korter de golflengte hoe gevaarlijker de straling is.
- In vacuüm is de lichtsnelheid (voortplantingssnelheid) altijd even snel
- Alle soorten elektromagnetische straling hebben een andere golflengte
- Hoe groter de golflengte, hoe lager de frequentie
Molecuul: ontleedbaar deeltje bestaand uit atomen. Een molecuul heeft eigenschappen van de
oorspronkelijke stof.
Atoom: niet-ontleedbare deeltjes van een molecuul. Een atoom is neutraal.
Ion: elektrisch geladen atoom (positief of negatief)
Ioniserende straling: straling die door middel van fotonen elektronen uit de buitenste schil van een
atoom kunnen wegschieten. Hierdoor komt er veel warmte én een kleine hoeveelheid röntgenstraling
vrij.
- Kern bestaat uit protonen en neutronen
- Schillen rondom de kern bevatten elektronen (negatief geladen)
- Atoomgetal: aantal protonen in de kern
- Atoomnummer: aantal protonen en neutronen in de kern
KLM-schil: de schillen kunnen achtereenvolgens 2, 8, 18, en 32 elektronen kwijt.
De buitenste schillen bevatten een hoger energetische waarde dan de binnenste.
Kathode: een gloeidraad van Wolfram (74 protonen). Door deze draad wordt een elektrische stroom
geleid. Hierdoor gaat de draad gloeien en worden elektronen afgevuurd. Kathode is negatief.
, Medische beeldvorming
Anode: tussen de negatieve kathode en positieve anode ontstaat een spanningsverschil. Hierdoor
worden de elektronen met een hoge snelheid naar de anode geschoten.
- Remstraling: ontstaat doordat de versnelde elektronen die op de anode-atomen botsen
(richting elektronenschillen) afgeremd worden. Daarbij komt veel energie vrij: warmte-energie
en een kleine hoeveelheid röntgenstraling.
- K-straling: afgeschoten elektronen botsen op elektronen van het Wolfram. Hierdoor ontstaat
een vrije plek in de elektronenschil. Hiervoor komen andere elektronen voor in de plek. Bij dit
proces komen warmte en röntgenstraling vrij.
K-straling = karakteristieke straling
Effecten van röntgenstraling:
1. Chemisch: zwarting op de film
2. Optisch: beschenen film fluoresceren (weerkaatsen licht)
3. Thermisch: opwarming absorberend materiaal
4. Biologisch:
• Groeibelemmerend
• Epitheelverwoestend
• Ontstekingsopwekkend
• Genenbeschadigend
Eenheden van röntgenstraling:
Becquerel Gray Sievert
De hoeveelheid straling (Bq) De energie de straling De omvang van de schade die
overbrengt op een object (Gy) de straling toebrengt aan het
object (Sv): dit is de effectieve
dosis
De röntgenbuis
1 Thermoschakelaar
2 Olielaag voor koeling
3 Glazen wand
4 Kathode
5 Anode
6 Lood
7 Venster
8 Directe röntgenstraling
Divergerende straling: straling die in de breedte uitloop
Diafragma: door diafragmering komt er minder straling uit de röntgenbuis
Vizier: lichtgevend deel; geeft aan waar straks de straling terecht komt.