Soorten elementen
Nederlandse Latijnse naam Nummering
naam
1 Snijtanden (Dentes) incisivi 01-03
2 Hoektand (Dentes) canini 04
3 Valse kies (Dentes) 05-08 (achterste altijd 08 zijn)
premolare
4 Ware kies (Dentes) molares 09-10-11
- Premolaren wisselen wel, molaren niet
Kwadranten: plek waar de tand/kies zich bevindt (1e cijfer)
- 1.RB 2.LB
3.RO 4.LO
- 2e cijfer geeft aan om welke tand het gaat
Tandformules
Diersoort Bovenkaak Onderkaak
Hond I3 C1 P4 M2 I3 C1 P4 M3
Kat I3 C1 P3 M1 I3 C1 P2 M1
Konijn I2 C0 P3 M3 I1 C0 P2 M3
Paard I3 C0/1 P3/4 M3 I3 C0/1 P3/4 M3
- Kleine letters voor melkgebit en grote letters voor blijvend gebit.
- Juiste noteermethode;
Altijd belangrijk om melktanden te verwijderen; kunnen blijvende schade/vervorming aanrichten aan
het blijvende gebit.
- Melktand en blijvende tand mogen nooit tegelijk zichtbaar zijn
- Snijtanden wisselen ca. 3 maanden
- Hoektanden wisselen ca. 6 maanden
- Pulpa holte is als pup op zijn grootst → Cellen maken veel dentine aan → Tandbeen wordt
dikker → Tand/kies verstevigd
- Geen molaren aanwezig in melkgebit
Diersoort Hond Kat
Melkgebit 28 26
elementen elementen
Blijvend gebit 42 30
elementen elementen
, Tandheelkunde
Schedelvormen:
1. Mesocefaal (normaal): gemiddelde lengte en breedte van de snuit. Boven -en ondertanden
sluiten goed op elkaar aan. Hierdoor houdt het gebit zich schoon. Bijvoorbeeld Labrador
Retriever, Duitse herder).
2. Brachycefaal (kortsnuit): korte, brede snuit. Tanden zitten verfrommelt in de bek waardoor ze
niet goed op elkaar aansluiten. Gebit kan zich niet schoonhouden. Bijvoorbeeld Engelse
Bulldog, Franse Bulldog, Boxer, Shih Tzu.
3. Dolichocefaal (langsnuit): lange, smalle snuit. Tanden sluiten niet goed op elkaar aan.
Bijvoorbeeld Dobermann, Slauki, Teckel, Collie, windhonden
- Bij katten zijn deze schedelvormen ook van toepassing
• Brachycefaal: Perzen, Britse Korthaar
• Dolichocefaal: Siamees
Factoren van de beet:
1. De positie van de tand/kies
2. De occlusie: wijze waarop de tanden/kiezen van de boven -en onderkaak op elkaar aansluiten.
o Normale occlusie
o Malocclusie: tanden/kiezen van de boven -en onderkaak sluiten niet goed op elkaar aan.
3. De stand van de onderkaak t.o.v. de schedel en bovenkaak
Slechte beet en malocclusie vergroten de kans op tandplaque en tandsteen.
Dit heeft gingivitis en parodontitis tot gevolg.