Samenvatting deeltoets 1 Familie & Gezin
hoorcolleges 1-5 + bijbehorende literatuur
Door Danique Visser, student Pedagogische Wetenschappen.
Overzicht
Inleiding in de gezinspedagogiek .............................................................................................. 2
Literatuur McElwain, N. L., & Booth-LaForce, C. (2006) ......................................................... 2
Literatuur Joussemet, M., Landry, R., & Koestner, R. (2008). ................................................... 3
Literatuur Hoofdstuk 4: van IJzendoorn, M., H., & van Rosmalen, L. (2016). ............................ 4
Hoorcollege 1: Inleiding in de gezinspedagogiek ..................................................................... 5
Kind-gezin transacties ............................................................................................................... 8
Literatuur Kiff, C. J., Lengua, L. J., & Zalewski, M. (2011) ......................................................... 8
Literatuur Hoofdstuk 19: van IJzendoorn, M., H., & van Rosmalen, L. (2016). ........................ 10
Hoorcollege 2: Complexiteit in gezinsinteracties .................................................................. 12
Mind-mindedness .................................................................................................................... 16
Literatuur Meins, E. (2013). .................................................................................................. 16
Hoorcollege 3a: Mind-mindedness ....................................................................................... 17
Brusjes van kinderen met een beperking ............................................................................... 19
Literatuur Veldhorst C. et al. (2023) ..................................................................................... 19
Hoorcollege 3b: Brusjes van kinderen met een beperking .................................................... 20
Vaders en opvoeding ............................................................................................................... 23
Literatuur Cabrera, N. et al. (2014). ...................................................................................... 23
Literatuur Hoofdstuk 9: van IJzendoorn, M., H., & van Rosmalen, L. (2016). ......................... 26
Hoorcollege 4: Vaders en coparenting .................................................................................. 27
Gezinsstructuren ..................................................................................................................... 34
Literatuur Bos, H.M.W. & Gartrell, N. (2020)......................................................................... 34
Literatuur Lamb, M.E. (2012) ................................................................................................ 35
Hoorcollege 5: Gezinsstructuren .......................................................................................... 37
, 2
Inleiding in de gezinspedagogiek
Bijbehorende literatuur college 1:
o McElwain, N. L., & Booth-LaForce, C. (2006). Maternal sensitivity to infant distress and
nondistress as predictors of infant-mother attachment security. Journal of Family
Psychology, 20, 247-255.
o Joussemet, M., Landry, R., & Koestner, R. (2008). A self-determination theory
perspective on parenting. Canadian Psychology, 49, 194–200.
o Hoofdstuk 4: van IJzendoorn, M., H., & van Rosmalen, L. (2016). Pedagogiek in beeld.
Een inleiding in de pedagogische studie van opvoeding, onderwijs en hulpverlening.
Houten: Bohn Stafleu van Lochum.
Literatuur McElwain, N. L., & Booth-LaForce, C. (2006)
Het artikel onderzoekt de relatie tussen de gevoeligheid van moeders voor signalen van distress (angst
of ongemak) en nondistress (algemene interacties) van hun baby’s en de veiligheid van de gehechtheid
tussen moeder en kind. Dit is gebaseerd op Bowlby’s theorie van gehechtheid als een biobehavioraal
systeem voor veiligheid. De auteurs gaan in op de vraag of gevoeligheid voor distress een sterkere
voorspeller is van een veilige hechting dan gevoeligheid voor nondistress.
Methode:
o Data: NICHD Study of Early Child Care, een longitudinale studie met 357 moeder-baby-
dyades bij 6 maanden en 230 bij 15 maanden.
o Observaties: Moeder-baby-interacties werden gefilmd tijdens speelsessies in huis op 6 en 15
maanden. Moederlijke gevoeligheid voor zowel distress als nondistress werd afzonderlijk
gecodeerd.
o Gehechtheid: Gemeten met de Strange Situation op 15 maanden.
o Analyse: Logistische regressie werd gebruikt om te bepalen welke vorm van gevoeligheid (voor
distress of nondistress) de gehechtheidsveiligheid voorspelde.
Resultaten:
o Gevoeligheid voor distress op 6 maanden was significant geassocieerd met een grotere kans
op veilige hechting op 15 maanden.
o Gevoeligheid voor nondistress had geen significante invloed op gehechtheid.
o Gevoeligheid voor distress op 15 maanden had geen voorspellende waarde, mogelijk omdat de
hechtingsrelatie al grotendeels was gevormd.
o Moedergerapporteerde moeilijk temperament van de baby was niet direct gekoppeld aan
gehechtheidsveiligheid.
o Minderheidsgroep-status was op 15 maanden geassocieerd met een hogere kans op onveilige
gehechtheid.
Discussie en Conclusie:
o De resultaten ondersteunen het idee dat moederlijke gevoeligheid voor distress in vroege
levensfasen cruciaal is voor een veilige hechting.
o Gevoeligheid voor nondistress speelt mogelijk een grotere rol in andere
ontwikkelingsdomeinen, zoals cognitieve groei.
o De bevindingen onderstrepen het belang van vroege interventies die moeders ondersteunen
bij het reageren op signalen van distress van hun baby.
o De resultaten bevestigen dat moederlijke zorg in de eerste levensmaanden een essentiële
rol speelt in de vorming van veilige hechting.
, 3
Implicaties
o Praktische toepassingen: Interventies zouden zich moeten richten op het verbeteren van de
gevoeligheid van moeders voor baby’s die distress ervaren.
o Theoretische impact: Dit onderzoek biedt meer nuance aan de klassieke gehechtheidstheorie
door te benadrukken dat niet alle vormen van moederlijke gevoeligheid even sterk bijdragen
aan veilige hechting.
Literatuur Joussemet, M., Landry, R., & Koestner, R. (2008).
Dit artikel bespreekt de rol van ouderlijke autonomieondersteuning in de ontwikkeling van kinderen,
vanuit de Self-Determination Theory (SDT) van Deci en Ryan. Het doel is om te onderscheiden hoe
autonomieondersteuning zich verhoudt tot andere opvoedingsstijlen en hoe het bijdraagt aan een
gezonde ontwikkeling, motivatie en internalisatie van normen en waarden bij kinderen.
Belangrijke concepten:
1. Autonomieondersteuning
o Actieve ondersteuning van het vermogen van kinderen om zelfstandig keuzes te
maken.
o Bevordert intrinsieke motivatie en internalisatie van regels.
o Niet hetzelfde als permissiviteit (gebrek aan structuur) of promotie van
onafhankelijkheid.
2. Psychologische controle
o Een opvoedingsstijl waarbij ouders de psychologische en emotionele staat van het
kind beïnvloeden door schuldgevoelens, liefde onthouden of gevoelens te negeren.
o Dit ondermijnt intrinsieke motivatie en leidt tot negatieve internalisatie van
normen.
3. Gedragscontrole
o Het stellen van duidelijke regels en verwachtingen, zonder psychologische druk.
o Dit ondersteunt de ontwikkeling van competentie en zelfregulatie.
Onderzoek naar autonomieondersteuning
Er zijn drie benaderingen gebruikt in de onderzoeken naar autonomieondersteuning:
1. Observatiestudies (jonge kinderen)
o Moeders die autonomie ondersteunen tijdens het spelen met hun kinderen
bevorderen langdurige taakgerichtheid en zelfstandigheid.
o Voorbeeld: Kochanska & Aksan (1995) toonden aan dat ‘gentle guidance’
(vriendelijke begeleiding) leidt tot een betere internalisatie van regels bij peuters.
2. Oudergesprekken en vragenlijsten (schoolkinderen)
o Ouders die autonomie ondersteunen (bv. uitleg geven in plaats van belonen/straf
geven) hebben kinderen met beter academisch succes en sociaal
aanpassingsvermogen.
o Voorbeeld: Grolnick & Ryan (1989) vonden dat autonomieondersteuning van
ouders geassocieerd was met hogere motivatie en betere schoolprestaties.
3. Zelfrapportages van kinderen (adolescenten)
o Adolescenten die hun ouders als autonomieondersteunend ervaren, vertonen
betere psychologische en academische aanpassing.
o Voorbeeld: Onderzoek in Rusland en China laat zien dat autonomieondersteuning
universeel bijdraagt aan positieve ontwikkeling, ongeacht cultuur (Chirkov & Ryan,
2001).
, 4
Factoren die autonomieondersteuning beïnvloeden
o Druk en stress bij ouders: Ouders die veel stress ervaren (bv. door financiële druk of
maatschappelijke verwachtingen) neigen sneller naar een controlerende opvoeding.
o Ego-betrokkenheid van ouders: Wanneer ouders hun zelfwaarde laten afhangen van de
prestaties van hun kind, kunnen ze meer controle uitoefenen, wat autonomie beperkt.
o Vertrouwen in de natuurlijke ontwikkeling van kinderen: Ouders die geloven dat kinderen op
natuurlijke wijze groeien en leren, bieden vaker autonomieondersteuning.
Toekomstige richtingen
o Dagelijkse variaties onderzoeken: Hoe verandert autonomieondersteuning van ouders per dag
en welke factoren spelen hierin een rol?
o Internalisatie van ouderschap onderzoeken: Hoe nemen ouders opvoedingsnormen en -
waarden zelf over?
o Ontwikkeling van interventies: Ouderschapsprogramma’s kunnen worden ontworpen om
autonomieondersteunende technieken aan te leren.
Conclusie
Autonomieondersteuning is geen permissieve opvoeding, maar een manier om structuur en
betrokkenheid te bieden die de motivatie en ontwikkeling van kinderen bevordert. Onderzoek toont aan
dat autonomieondersteuning op alle leeftijden positieve effecten heeft, van peutertijd tot adolescentie.
Dit is een universeel principe dat kinderen helpt zich sociaal en academisch goed te ontwikkelen.
Literatuur Hoofdstuk 4: van IJzendoorn, M., H., & van Rosmalen, L. (2016).
Dit hoofdstuk gaat over de gehechtheidstheorie, een invloedrijke theorie binnen de pedagogiek,
ontwikkelingspsychologie en psychiatrie. De theorie benadrukt het belang van vroege sociaal-
emotionele ervaringen in de ontwikkeling van het zelfbeeld en latere interpersoonlijke relaties.
1. Historische context
Aan het eind van de 19e eeuw zorgden verbeteringen in volksgezondheid en medische kennis
ervoor dat men zich niet alleen bezighield met fysieke, maar ook met mentale gezondheid. De
opkomst van de psychoanalyse leidde tot de erkenning dat vroege kinderlijke ervaringen
bepalend kunnen zijn voor de latere ontwikkeling. Hierdoor kwam er steeds meer aandacht
voor opvoeding, waarbij met name moeders als cruciaal werden gezien voor de mentale
gezondheid van hun kinderen.
2. John Bowlby en de basis van de gehechtheidstheorie
John Bowlby (1907-1990) ontwikkelde de gehechtheidstheorie als reactie op eerdere
psychoanalytische en leerpsychologische opvattingen. Zijn vroege werk richtte zich op de
impact van scheiding tussen moeder en kind, waarbij hij concludeerde dat langdurige scheiding
ernstige psychologische gevolgen kon hebben. Hij werd beïnvloed door de ethologie (met name
het werk van Konrad Lorenz), wat leidde tot de opvatting dat gehechtheid een biologisch
aangeboren overlevingsmechanisme is.
3. Mary Ainsworth en de uitbreiding van de theorie
Mary Ainsworth (1913-1999) bouwde voort op Bowlby’s werk door gehechtheidsgedrag
systematisch te observeren. Haar bekendste bijdrage is de Strange Situation Procedure, een
experiment waarmee zij gehechtheidsstijlen (veilig, vermijdend en ambivalent) bij kinderen
identificeerde. Haar werk toonde aan dat de kwaliteit van gehechtheid afhing van de
sensitiviteit van de moeder en de mate waarin zij op signalen van het kind reageerde.
, 5
4. Kernconcepten van de gehechtheidstheorie
o Veilige gehechtheid: Kinderen voelen zich veilig en beschermd en zoeken steun bij
hun verzorgers wanneer nodig.
o Onveilige vermijdende gehechtheid: Kinderen vermijden contact met hun verzorgers,
vaak als gevolg van afwijzing of gebrek aan responsiviteit.
o Onveilige ambivalente gehechtheid: Kinderen vertonen sterk aanklampend gedrag en
zijn moeilijk te troosten, wat wijst op inconsistente ouderlijke zorg.
De gehechtheidstheorie heeft een grote impact gehad op pedagogisch en psychologisch onderzoek. Ze
benadrukt het belang van vroege ouder-kindinteracties en heeft geleid tot veranderingen in
opvoedingsadvies, kinderopvangbeleid en interventieprogramma’s voor risicogroepen. De theorie blijft
relevant en wordt nog steeds uitgebreid met nieuw empirisch onderzoek.
Hoorcollege 1: Inleiding in de gezinspedagogiek
Hoofddraad: ontwikkeling van het kind in interactie met gezinsleden. (beschrijven, begrijpen,
optimaliseren)
Vier thema’s
- Inleiding in de gezinspedagogiek
- Complexiteit van gezinsinteracties
- Diversiteit
- Opvoeding ondersteunen
Twee deeltoetsen (allebei 50% eindcijfer)
Vier domeinen van opvoedgedrag:
- Verzorgende opvoeding (verschonen, in fysieke behoeften voorzien)
- Sociale opvoeding (interpersoonlijk gedrag bevorderen en begeleiden)
- Didactische opvoeding (stimulatie om de wereld te leren begrijpen)
- Materiële opvoeding (fysieke uitdaging en begeleiding)
Domeinen zijn onafhankelijk van elkaar. Ouders verschillen van elkaar! Sommige ouders doen een
domein anders dan andere, bijvoorbeeld sociale domein ligt hun beter dan ander domein. Probeer
gedifferentieerd naar verschillende aspecten te kijken.
Kerntaak ouders: sensitief zijn.
Sensitiviteit = vermogen om signalen van het kind op te vangen, te interpreteren (snappen wat het kind
ermee bedoelt) en er correct op reageren.
Valkuil: lief zijn en knuffelen, troosten, maar ook een veilige basis om de wereld te kunnen ontdekken.
Secure base vs. safe haven.
Eerste tekenen van gehechtheid zie je vanaf 8/9 maanden → eenkennig (bang voor vreemden).
Kinderen zijn vanaf geboorte al gericht op bepaalde aspecten “basis” die uiteindelijk belangrijk zijn voor
de hechting, maar in begin nog niet zo specifiek voor 1 of twee personen.
Hoe kan je zien of de hechting goed is verlopen? (veilig gehecht) → strange situation procedure.
Kind in kamer met moeder en speelgoedjes, kijken naar hoe kind gedraagt.