ASA-classificatie
Classificatie Kenmerken
ASA I Klinisch gezond dier zonder systemische aandoeningen
ASA II Dier met milde systemische aandoening, zonder dat dit tot een belemmering geeft
van normaal functioneren
ASA III Dier met systemische aandoening (en/of relevante afwijkingen van 1 van de voor
anesthesie relevante orgaansystemen: zenuwstelsel, cardiopumonair systeem,
lever, nieren en neuroendocrien systeem)
ASA IV Dier met systemische aandoening die potentieel levensbedreigend is
ASA V Dier dat waarschijnlijk binnen 24 uur met of zonder interventie komt te overlijden
S Spoed; er heeft geen volledige risicoanalyse plaatsgevonden
Klinisch onderzoek
A. Signalement (hond, ras, geslacht, gecastreerd, leeftijd, opvallende dingen)
B. Anamnese
C. Algemene indruk
D. Algemeen lichamelijk onderzoek
• Ademhaling
• Pols
• Temperatuur
• Slijmvliezen
• Huid en beharing
• Lymfeknopen
Narcose/algehele anesthesie: techniek waarbij bewusteloosheid, pijnloosheid en demping van
automatische reflexen van het lichaam kunstmatig worden opgewekt
Doelstelling algehele anesthesie:
1) Mentaal blok: verlies van bewustzijn (hypnose) en geheugenverlies (amnesie)
2) Sensibel blok: geen pijn (analgesie)
3) Motorisch blok: spierontspanning (spierrelaxatie)
4) Autonome stabiliteit: stabiele circulatie (hart/bloedvaten) en respiratie (respiratie)
Proces dier onder narcose brengen:
1. Premedicatie: dier wordt gesedeerd (suf)
- Hierdoor werkt het dier mee tijdens de narcose, minder bang, minder pijn, minder stress,
autonome zenuwstelsel stabiliseren
- Geeft veiligheid voor de mensen die met dit dier werken
- Lagere hoeveelheid anesthesiemiddelen nodig (versterken elkaars werking)
- Premedicatie én inductie vaak tegelijkertijd toedienen
2. Inductie: onder narcose brengen
- Doelstelling (hypnose, amnesie, analgesie, spierrelaxatie, stabilisatie auto. zenuw)
- 5 voorwaarden:
a. Vrije ademweg garanderen (door tube)
b. Verrijkt zuurstofmengsel toe te dienen aan de patiënt (zuurstof aan tube)
c. Handmatige beademing uit te voeren (via ademballon, ambu-ballon, demand valve)
d. Gangbare intraveneuse medicatie en infuusvloeistoffen toe kunnen dienen (braunule)
, e. Cerebrocardiopulmonaire (hersen/hart/luchtwegen) resuscitatite (reanimatie) uit te voeren
3. Onderhoud: onder narcose houden van het dier (op verschillende manieren)
- Intramusculair: vaak te laat (dier is al wakker)
- Intraveneus via Braunule of waakinfuus: snel bijspuiten, bloedvat is al aanwezig. Waakinfuus
zorgt voor de bloeddruk, bloeddoorstroming op gang blijft. Makkelijk toevoegen wanneer er
een grote bloeding is geweest.
- Infuuspomp: nauwkeurig instellen aantal ml per minuut. Ieder dier reageert verschillend op
het narcosemiddel.
4. Recovery
• Uitwassen: van de gasanesthesie afhalen en 100% zuurstof geven en extuberen
• Antagonist toedienen: dieren worden sneller wakker, stofwisseling komt weer op gang,
dier komt beter op temperatuur
• Zelf wakker laten worden: gelijkmatig wakker worden, ingrijpende operaties
Monitoren tijdens recovery:
- SPART: slijmvliezen, ademhaling, pols, ademhaling, reflexen, temperatuur
- Ooglidreflex
- Pijnreflex
- Anusreflex
- CO2 omhoog mag 4-5% (meten met de capnograaf)
- Bloeddrukmeter (bloeddruk omhoog = pijn)
- Slijmvliezen kat van nature al lichter
- Ademsnelheid
- Kaakspanning
- Pupilreflex (moet het altijd doen behalve dood)
Narcose is in 4 stadia te verdelen:
1) Analgetisch stadium: verlies van pijngewaarwoording
2) Excitatiestadium: het dier wordt wat onrustig (hijgerig, niet willen toegeven)
3) Chirurgisch stadium: het dier kan geopereerd worden. Dit is te verdelen in 4 stadia van net
diep genoeg onder narcose tot diep onder narcose
4) Asfyctisch stadium: bijna dood stadium
Classificatie Kenmerken
ASA I Klinisch gezond dier zonder systemische aandoeningen
ASA II Dier met milde systemische aandoening, zonder dat dit tot een belemmering geeft
van normaal functioneren
ASA III Dier met systemische aandoening (en/of relevante afwijkingen van 1 van de voor
anesthesie relevante orgaansystemen: zenuwstelsel, cardiopumonair systeem,
lever, nieren en neuroendocrien systeem)
ASA IV Dier met systemische aandoening die potentieel levensbedreigend is
ASA V Dier dat waarschijnlijk binnen 24 uur met of zonder interventie komt te overlijden
S Spoed; er heeft geen volledige risicoanalyse plaatsgevonden
Klinisch onderzoek
A. Signalement (hond, ras, geslacht, gecastreerd, leeftijd, opvallende dingen)
B. Anamnese
C. Algemene indruk
D. Algemeen lichamelijk onderzoek
• Ademhaling
• Pols
• Temperatuur
• Slijmvliezen
• Huid en beharing
• Lymfeknopen
Narcose/algehele anesthesie: techniek waarbij bewusteloosheid, pijnloosheid en demping van
automatische reflexen van het lichaam kunstmatig worden opgewekt
Doelstelling algehele anesthesie:
1) Mentaal blok: verlies van bewustzijn (hypnose) en geheugenverlies (amnesie)
2) Sensibel blok: geen pijn (analgesie)
3) Motorisch blok: spierontspanning (spierrelaxatie)
4) Autonome stabiliteit: stabiele circulatie (hart/bloedvaten) en respiratie (respiratie)
Proces dier onder narcose brengen:
1. Premedicatie: dier wordt gesedeerd (suf)
- Hierdoor werkt het dier mee tijdens de narcose, minder bang, minder pijn, minder stress,
autonome zenuwstelsel stabiliseren
- Geeft veiligheid voor de mensen die met dit dier werken
- Lagere hoeveelheid anesthesiemiddelen nodig (versterken elkaars werking)
- Premedicatie én inductie vaak tegelijkertijd toedienen
2. Inductie: onder narcose brengen
- Doelstelling (hypnose, amnesie, analgesie, spierrelaxatie, stabilisatie auto. zenuw)
- 5 voorwaarden:
a. Vrije ademweg garanderen (door tube)
b. Verrijkt zuurstofmengsel toe te dienen aan de patiënt (zuurstof aan tube)
c. Handmatige beademing uit te voeren (via ademballon, ambu-ballon, demand valve)
d. Gangbare intraveneuse medicatie en infuusvloeistoffen toe kunnen dienen (braunule)
, e. Cerebrocardiopulmonaire (hersen/hart/luchtwegen) resuscitatite (reanimatie) uit te voeren
3. Onderhoud: onder narcose houden van het dier (op verschillende manieren)
- Intramusculair: vaak te laat (dier is al wakker)
- Intraveneus via Braunule of waakinfuus: snel bijspuiten, bloedvat is al aanwezig. Waakinfuus
zorgt voor de bloeddruk, bloeddoorstroming op gang blijft. Makkelijk toevoegen wanneer er
een grote bloeding is geweest.
- Infuuspomp: nauwkeurig instellen aantal ml per minuut. Ieder dier reageert verschillend op
het narcosemiddel.
4. Recovery
• Uitwassen: van de gasanesthesie afhalen en 100% zuurstof geven en extuberen
• Antagonist toedienen: dieren worden sneller wakker, stofwisseling komt weer op gang,
dier komt beter op temperatuur
• Zelf wakker laten worden: gelijkmatig wakker worden, ingrijpende operaties
Monitoren tijdens recovery:
- SPART: slijmvliezen, ademhaling, pols, ademhaling, reflexen, temperatuur
- Ooglidreflex
- Pijnreflex
- Anusreflex
- CO2 omhoog mag 4-5% (meten met de capnograaf)
- Bloeddrukmeter (bloeddruk omhoog = pijn)
- Slijmvliezen kat van nature al lichter
- Ademsnelheid
- Kaakspanning
- Pupilreflex (moet het altijd doen behalve dood)
Narcose is in 4 stadia te verdelen:
1) Analgetisch stadium: verlies van pijngewaarwoording
2) Excitatiestadium: het dier wordt wat onrustig (hijgerig, niet willen toegeven)
3) Chirurgisch stadium: het dier kan geopereerd worden. Dit is te verdelen in 4 stadia van net
diep genoeg onder narcose tot diep onder narcose
4) Asfyctisch stadium: bijna dood stadium