Week 1 – Uitgangspunt en beginselen
1. Het recht op een eerlijk proces
• Art. 17 lid 1 Grondwet
o Sinds augustus 2022 garandeert art. 17 lid 1 Gw een eerlijk proces binnen een redelijke
termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter voor iedereen.
o Dit artikel heeft een ruimer toepassingsbereik dan art. 6 EVRM, dat beperkt is burgerlijke
rechten en plichten en strafrechtelijke vervolgingen.
o De toevoeging van art. 17 lid 1 Gw werd gerechtvaardigd door de wens om de
rechtsbescherming van burgers verder uit te breiden.
• Literatuur (Timmermans)
o Juridische meerwaarde: art. 17 lid 1 Gw heeft een ruimer toepassingsbereik dan art. 6
EVRM, omdat het niet beperkt is tot civiele rechten en strafvervolging. Dit maakt het artikel
ook relevant voor bijvoorbeeld fiscale en ambtenarenprocedures. Echter, deze brede
reikwijdte wordt niet proactief benut in wetgeving of jurisprudentie.
o Symbolische meerwaarde: de grondwettelijke verankering benadrukt het belang van een
eerlijk proces als kernwaarde van de rechtsstaat. Het biedt garantie voor rechtsbescherming,
zelfs in het geval dat Nederland zich zou terugtrekken uit internationale verdragen.
o Dialoog met internationale rechtspraak: het artikel zou de interactie tussen nationale en
internationale rechters kunnen versterken, maar deze potentie wordt onvoldoende
gerealiseerd omdat nationale actoren zich terughoudend opstellen. Er wordt zelden
verwezen naar art. 17 lid 1 Gw à belemmert de ontwikkeling van een Nederlands kader
voor dit artikel.
o Standpunt Timmermans: de rechtspraak maakt momenteel onvoldoende gebruik van de
mogelijkheden die art. 17 lid 1 Gw biedt. Dit komt vooral doordat de wetgever en rechter
sterk leunen op art. 6 EVRM. Rechters en advocaten moeten art. 17 lid 1Gw actiever
toepassen en interpreteren, met name in zaken waar internationale normen niet volledig
toereikend zijn.
2. Toegang tot verkeers- en locatiegegevens
• Artt. 126n, 126na en 126i Sv
• Hoge Raad 5 april 2022, ECLI:NL:2022:475 (Prokuratuur)
o Kern van de zaak
§ Dit arrest draait om de voorwaarden waaronder het OM verkeers- en
locatiegegevens mag vordering van aanbieders van communicatiediensten.
§ In deze zaak ging het om de vraag of de Officier van Justitie zonder rechterlijke
tussenkomst verkeers-en locatiegegevens van een verdachte kon vorderen op basis
van artikel 126n Sv. De rechtbank had eerder geoordeeld dat voor dergelijke
gegevens een machtiging van de rechter-commissaris vereist was, conform de
vereisten van de Europese Richtlijn 2002/58/EG en jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Unie. Het arrest volgde op rechtspraak van het HvJ EU,
waarin werd benadrukt dat voor het verkrijgen van verkeers- en locatiegegevens
een rechterlijke toestemming nodig is, gezien de impact op privacy.
o Bevoegdheden van het OM
§ Het WvSv kent de officier van justitie de bevoegdheid toe om verkeers- en
locatiegegevens te vordering op grond van artt. 126n en 126na Sv.
§ Toepassing is mogelijk bij verdenking van misdrijven waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten (art. 67 lid 1 Sv) en in het kader van georganiseerde of
terroristische misdrijven (artt. 126u, 126ug, 126ui, 126zh, 126azja en 126zo Sv).
o HvJEU-uitspraak
§ In de Prokuratuur-zaak bij het HvJEU werd benadrukt dat toegang tot dergelijke
gegevens alleen is toegestaan bij (1) ernstige criminaliteit en (2) onder toezicht van
een onafhankelijke externe controleur.
, o Cassatiegrond
§ Verdediging voerde aan dat officier van justitie niet voldoet aan de eis van een
onafhankelijke controleur. Dit zou de bevoegdheid tot vordering van gegevens
onrechtmatig maken.
o Oordeel van de Hoge Raad
§ De officier van justitie mag verkeers- en locatiegegevens blijven vorderen. Echter,
wanneer de privacy van een verdachte ernstig wordt geraakt, is voorafgaand aan de
verzameling toestemming van een R-C vereist.
§ Dit sluit aan bij art. 126m Sv e.v. waar de R-C een rol heeft bij ingrijpendere
opsporingsmethoden.
§ Hoewel het HvJEU strengere eisen stelt aan onafhankelijk toezicht, stelt de Hoge
Raad dat deze eis kan worden opgevangen binnen de bestaande Nederlandse
procedures.
3. Datagedreven opsporing
• Wat is datagedreven opsporing?
o Het analyseren van reeds verzamelde politiegegevens voor nieuwe opsporingsonderzoeken.
Het verschilt van het gebruik van data van andere instanties of data-analyses die aan politie
of het OM worden verstrekt.
o Cryptotelefoonoperaties, zoals EncroChat of SkyECC, zijn voorbeelden van datagedreven
opsporing.
o De verkregen data vormt bewijs in talloze zaken en geeft inzicht in criminele organisaties.
Dit maakt datagedreven opsporing een “gamechanger”.
• Literatuur (Hirsch, Ballin en Oerlemans)
o Datagedreven opsporing bestaat uit vier stappen:
1. Verzamelen: het verzamelen van gegevens.
2. Opslaan: het eenduidig bewerken en opslaan van de gegevens en deze vervolgens
bundelen tot stukjes informatie die relevant zijn voor de opsporing.
3. Analyseren: het koppelen van informatiepunten met kennis door middel van
uiteenlopende ‘tools’ (software). Hierbij worden gegevens verrijkt met reeds
bekende informatie.
4. Interveniëren: hier wordt overgegaan tot daadwerkelijke interventie(s) op basis van
geanalyseerde informatie.
o Juridische basis
§ Het WvSv regelt alleen de bevoegdheden tot gegevensverzameling. Verwerking en
analyse vallen onder de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
§ De politie baseert intelligence-activiteiten op art. 10 en 11 Wpg.
§ Het doelbindingsprincipe beperkt gegevensverwerking tot het oorspronkelijke
doel. Echter, art. 4 Wpg geeft de officier van justitie de mogelijkheid om
goedkeuring te geven voor andere doeleinden. Dit vereist een zorgvuldige
afweging + proportionaliteit + subsidiariteit.
o Verbreding van doelstellingen
§ Traditionele strafvordering richt zich op bewijsvergaring ten behoeve van
vervolging.
§ Datagedreven opsporing verschilt van ‘reguliere’ opsporing door bredere
doelstellingen dan alleen bewijsvergaring. Het richt zich op het ontdekken van
nieuwe strafbare feiten en het verstoren van criminele infrastructuren. Deze doelen
gaan verder dan juridisch toegestaan.
§ Verbreding van doelstellingen creëert een spanningsveld tussen bevoegdheden op
basis van de algemene politietaak, de Wpg en het WvSv. Het is de vraag of de
huidige wetgeving voldoende privacybescherming bieden bij grootschalige data-
analyse.
o Conclusie
§ Datagedreven opsporing zet het bestaande strafvorderlijke systeem onder druk à
heroverweging van wet- en regelgeving is daardoor vereist.
, § Het doelbindingsprincipe, dat voorschrijft dat bevoegdheden enkel voor specifieke
doeleinden worden gebruikt, moet worden herzien of uitgebreid.
• Hoge Raad 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913 (Hack op encryptiediensten en de werking
van het vertrouwensbeginsel)
o Kern van de zaak
§ Dit arrest betreft het gebruik van data die door Franse autoriteiten via een hack op
encryptiedienst EncroChat is verkregen. De kernvraag is in hoeverre het
vertrouwensbeginsel een rol speelt bij het toetsen van de rechtmatigheid van dit
onderzoek, aangezien het onderzoek plaatsvond onder Franse
verantwoordelijkheid maar de data in Nederlandse strafzaken wordt gebruikt.
o Standpunten verdediging
§ De verdediging voerde aan dat de hack onrechtmatig was, net name omdat (1) niet
duidelijk is hoe de hack technisch is uitgevoerd en (2) de Franse autoriteiten
mogelijk hebben gehandeld in strijd met art. 8 EVRM (recht op privacy).
§ De verdediging betoogde dat Nederland feitelijk de leiding had in het onderzoek,
waardoor de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn de hack te toetsen.
o Verweer OM
§ Het OM stelde dat het onderzoek volledig onder Franse verantwoordelijkheid viel.
Nederland speelde slechts een ondersteunende rol en vertrouwde op de
rechtmatigheid van het Franse optreden.
o Oordeel van de Hoge Raad
§ Als een strafrechtelijk onderzoek onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse
autoriteit, zoals hier in Frankrijk, geldt het vertrouwensbeginsel.
§ De Nederlandse rechter gaat er dan vanuit dat het onderzoek volgens de regels van
het betreffende land is uitgevoerd.
§ Het vertrouwensbeginsel voorkomt dat de Nederlandse rechter buitenlandse
rechtsstelsels toetst, wat de soevereiniteit van andere landen zou aantasten.
§ Het vertrouwensbeginsel is niet absoluut. De Nederlandse rechter mag verder
toetsen wanneer blijkt dat het onderzoek in strijd is met fundamentele rechten, zoals
art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) à bijvoorbeeld als de verdachte door
buitenlandse autoriteiten is uitgelokt of als er aanwijzingen zijn van schendingen
van rechten.
§ Als een onderzoek feitelijk door Nederlandse autoriteiten is uitgevoerd, dan is de
Nederlandse rechter wél bevoegd om de rechtmatigheid van dat onderzoek volledig
te toetsen.
4. Verschoningsrecht
• Art. 218 Sv
• Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:2024:375 (Geheimhouders)
o Kern van de zaak
§ Dit arrest gaat over de vraag of het OM zelfstandig mag beoordelen of in de
communicatie van advocaten geheimhoudersinformatie stond.
§ Sinds 4 juli 2013 voert de FIOD een onderzoek naar een vermogensbeheerder
en haar bestuurders wegens valsheid in geschrift en witwassen. Advocaten
verlenen sinds maart 2015 rechtsbijstand aan de vermogensbeheerder. Op 4
september 2015 vordert de FIOD gegevens van een hostingbedrijf, wat
resulteert in de overdracht van ongeveer 2.000.000 bestanden. FIOD-
medewerkers doorzoeken deze bestanden en komen in aanraking met e-mails
die mogelijk onder het verschoningsrecht vallen. Er ontstaat de indruk dat het
verschoningsrecht door een van de advocaten wordt misbruikt. De advocaten
dienen een klaagschrift in bij de rechtbank, die oordeelt dat bepaalde stukken
als 'geheimhoudersstukken' moeten worden aangemerkt.
o Vordering gegevens door OM
§ Het OM had communicatiegegevens opgevraagd die mogelijk informatie bevatten
tussen een verdachte en diens advocaat à dergelijke informatie valt onder het
verschoningsrecht.