Samenvatting VPB – literatuur
Contents
Hoofdstuk 1 – Inleiding ........................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 2 – Subjectieve belastingplicht ............................................................................................. 3
Hoofdstuk 3 – Objectieve belastingplicht .............................................................................................. 5
Hoofdstuk 4 – Objectieve belastingplicht; aanvullende bepalingen ..................................................... 7
Hoofdstuk 5 – Eigen vermogen versus vreemd vermogen; renteaftrek ............................................... 9
Hoofdstuk 6 – Deelnemingsvrijstelling ................................................................................................ 13
Hoofdstuk 7 – Fusies en splitsingen ..................................................................................................... 18
Hoofdstuk 9 – Fiscale eenheid .............................................................................................................. 21
Hoofdstuk 10 – Nederlands inkomen bij buitenlands belastingplichtigen en buitenlandse
ondernemingswinsten bij binnenlands belastingplichtigen................................................................ 28
Hoofdstuk 11 – Verliesverrekening ...................................................................................................... 30
Hoofdstuk 12 – Tarief en wijze van heffing .......................................................................................... 31
Hoofdstuk 13 – Bijzondere regelingen ................................................................................................. 32
1
,Hoofdstuk 1 – Inleiding
Art. 1 Wet VPB bepaalt dat onder de naam ‘vennootschapsbelasting’ een directe belasting wordt
geheven van de lichamen vermeld in art. 2 en art. 3.
Klassieke stelstel
De heffing van de vpb moet altijd in relatie worden gezien tot de belastingheffing bij de participant.
De relatie tot de IB wordt ook altijd in de beoordeling betrokken. De uiteindelijk gerechtigde tot de
winst van een lichaam zal immers veelal een natuurlijk persoon zijn.
Nederland hanteert het zogenoemde klassieke stelsel. Dit houdt in dat bij de heffing van ib geen
rekening wordt gehouden met de samenloop met de vpb. Deze heffingen staan formeel-juridisch
volstrekt los van elkaar.
• De vpb wordt geheven over de winsten van het lichaam en vervolgens wordt ib geheven als
deze winsten als dividend worden uitgekeerd aan de aandeelhouders, zonder dat op enigerlei
wijze rekening wordt gehouden met de reeds over de winst bij het lichaam geheven vpb.
Het klassieke stelsel resulteert in zijn zuiverste vorm in economische dubbele belastingheffing. Om
aan deze dubbele belastingdruk te ontkomen, zijn alternatieven of tegemoetkomingen ontwikkeld.
- Een alternatief stelsel is het zogenoemde verrekeningsstelsel. In dit stelsel wordt rekening
gehouden met het feit dat reeds eerder over de door de aandeelhouder ontvangen of
gerealiseerde voordelen belastingheffing heeft plaatsgevonden op het niveau van het
lichaam. Een verrekeningsstelsel wordt naar zijn aard toegepast op het niveau van de
natuurlijke persoon/aandeelhouder.
- Andere mogelijkheden om aan de economische dubbele belastingheffing tegemoet te
komen, kan men vinden in systemen waarbij een tegemoetkoming wordt geboden aan het
uitdelende lichaam of aan de ontvanger van het dividend.
De huidige NL combinatie van ib en vpb, kan naar mening van de schrijvers niet worden
gekwalificeerd als een (zuiver) klassiek stelsel. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen
aandeelhouders bij wie het aandelenbezit kwalificeert als een ab en bij wie dit niet het geval is.
- Voor ab-houders is het meer een verrekeningsstelsel
- Voor geen ab-houders kan het wel kwalificeren als een klassiek stelsel
2
,Hoofdstuk 2 – Subjectieve belastingplicht
De subjectieve belastingplicht gaat over de vraag wie belastingplichtig is voor de heffing van vpb.
Vestigingsplaats als aangrijpingspunt voor de belastingplicht
Blijkens art. 2 lid 1 worden bepaalde in Nederland gevestigde lichamen aangemerkt als binnenlandse
belastingplichtigen. Aangrijpingspunt voor de binnenlandse belastingplicht is derhalve de
aanwezigheid van een binnenlandse vestigingsplaats. Binnenlandse belastingplichtigen worden in de
heffing betrokken voor hun wereldwijde winst.
Buitenlandse belastingplichtige lichamen worden slechts in de heffing betrokken voor hun NL
inkomen.
In Nederland heb je drie beginselen: woonplaatsbeginsel, bronbeginsel en het nationaliteitsbeginsel.
Het nationaliteitsbeginsel heeft te maken met de vestigingsplaatsfictie van art. 2 lid 5 vpb. Op grond
van deze bepaling wordt een lichaam waarvan de oprichting heeft plaatsgevonden naar Nederlands
recht, in beginsel steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd.
Bij de vaststelling van de aard van de belastingplicht van lichamen die zijn opgericht naar vreemd
recht, rijst de vraag aan de hand van welke criteria moet worden bepaald of zij in Nederland zijn
gevestigd. Art. 4 lid 1 AWR bepaalt dat, waar een lichaam gevestigd is, naar omstandigheden moet
worden beoordeeld. Doorslaggevende omstandigheid is de plaats waar het lichaam zijn werkelijke
leiding heeft.
Binnenlands belastingplichtige lichamen
Art. 2 vpb bevat een limitatieve opsomming van de binnenlands belastingplichtige lichamen.
Binnenlands belastingplichtige lichamen kunnen worden onderverdeeld in onbeperkt en beperkt
belastingplichtige lichamen.
Onbeperkt belastingplichtige lichamen worden op grond van art. 2 lid 6 vpb verondersteld altijd een
onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen. Het feit dat het lichaam geen
materiële onderneming drijft maar bijvoorbeeld slechts belegt, doet voor de vpb-plicht dus niet ter
zake. Art. 2 lid 6 is van toepassing op de in art. 2 lid 1 onderdeel a,b,c en d genoemde lichamen. Alle
voordelen voortvloeiende uit het ondernemingsvermogen behoren tot de belastbare winst.
Beperkt belastingplichtige lichamen zijn op grond van art. 2 lid 1 onderdelen e en g slechts
belastingplichtig, indien en voor zover zij een onderneming drijven, dan wel een bepaald bedrijf
uitoefenen.
Onbeperkt
NV’s en BV’s zijn op grond van hun rechtsvorm onbeperkt belastingplichtig voor de heffing van vpb.
Open commanditaire vennootschappen → hier is iets mee veranderd dit jaar!
Coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag vallen ook onder het bereik van de vpb.
Blijkens art. 2 lid 6 worden ook zij geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele
vermogen. Hetzelfde geldt voor de onderlinge waarborgmaatschappijen. Ook woning(bouw)-
corporaties worden ook geacht hun onderneming te drijven met hun gehele vermogen.
Fondsen voor gemene rekening; een dergelijk fonds is onbeperkt belastingplichtig, aangezien het
fonds op grond van art. 2 lid 4 wordt aangemerkt als onderneming. Belastingplicht voor de vpb geldt
echter alleen voor de zogenoemde open fondsen voor gemene rekening.
- De definitie van een fonds voor gemene rekening staat in de derde volzin art. 2 lid 4
Als blijkt dat uit het artikel de bewijzen niet verhandelbaar zijn, dan is er sprake van een besloten
fonds, dat fiscaal transparant is voor de heffing van de vpb.
3
, Sinds 1 januari 2025 kunnen enkel nog beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve beleggingen in
effecten kwalificeren als fonds voor gemene rekening.
Fondsen voor gemene rekening die hieraan niet voldoen, zijn fiscaal transparant, vergelijkbaar met de
vof en de maatschap.
Beperkt
Verenigingen, stichtingen en andere niet-publiekrechtelijke rechtspersonen zijn belastingplichtig,
indien en voor zover zij een onderneming drijven.
- Een duurzame organisatie van kapitaal er arbeid die door deelname aan het economische
verkeer beoogt winst te halen
Voor de aanwezigheid van een onderneming dienen de activiteiten meer om het lijf te hebben dan
louter normaal actief vermogensbeheer, zoals beleggen.
- Een vereniging of stichting die functioneert als houdstermaatschappij, is alleen
belastingplichtig als zij zich actief bemoeit met de dochtervennootschap.
Het is vaste jurisprudentie dat een winststreven aanwezig wordt geacht, indien een verenging of
stichting met haar activiteiten stelselmatig overschotten behaalt.
Bedraagt de winst in een jaar overigens niet meer dan €15.000 (of €75.000 in vijf jaar), dan kan de
stichting een beroep doen op de subjectieve vrijstelling van art. 6 vpb.
Art. 4 Wet VPB → dit artikel voorziet in een drietal uitbreidingen van het ondernemersbegrip.
Op grond van art. 4 sub a wordt onder het drijven van een onderneming tevens verstaan een uiterlijk
daarmee overeenkomende werkzaamheid, waardoor in concurrentie wordt getreden met
onderneming van natuurlijke personen en van integraal belastingplichtige lichamen als nv’s en bv’s.
Voor de zogenoemde culturele instellingen bestaat de mogelijkheid om te kiezen voor integrale vpb-
plicht → art. 2 lid 9. Deze keuze geldt voor een periode van tien jaar.
Directe overheidsondernemingen (staat, gemeente, provincie en waterschap) zijn vpb-plichtig, voor
zover zij een (materiële) onderneming drijven.
Indirecte overheidsondernemingen – dit zijn bv’s nv’s alsmede stichtingen en verenigingen die
worden gehouden door publiekrechtelijke rechtspersonen – worden vpb-plichtig overeenkomstig de
algemene vpb-plicht van de desbetreffende privaatrechtelijke rechtspersonen.
Voor zowel directe als indirecte overheidsondernemingen, geldt blijkens art. 8e en 8f een aantal
algemene vrijstellingen, te weten;
1. Vrijstelling voor interne activiteiten
2. Vrijstelling voor quasi-inbesteding
3. Vrijstelling voor uitoefening van overheidstaken of publiekrechtelijke bevoegdheden
4. Vrijstelling voor samenwerkingsverbanden tussen publiekrechtelijke rechtspersonen en/of
privaatrechtelijke overheidslichamen
Voor een hybride lichaam geldt ook het voorschrift van art. 2 lid 6 en zij wordt dus geacht een
onderneming te drijven met haar gehele vermogen.
Buitenlands belastingplichtige lichamen
Dit staat in art. 3 van de Wet vpb.
Het genieten van Nederlands inkomen is een voorwaarde voor het bestaan van buitenlandse
belastingplicht. Het bronlandbeginsel vormt daarvan de achtergrond.
Subjectieve vrijstellingen
Deze vrijstellingen zijn geregeld in art. 5 en art. 6 vpb. Via deze bepalingen zijn bepaalde lichamen, al
dan niet beperkt tot bepaalde activiteiten, vrijgesteld van de vpb.
4
Contents
Hoofdstuk 1 – Inleiding ........................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 2 – Subjectieve belastingplicht ............................................................................................. 3
Hoofdstuk 3 – Objectieve belastingplicht .............................................................................................. 5
Hoofdstuk 4 – Objectieve belastingplicht; aanvullende bepalingen ..................................................... 7
Hoofdstuk 5 – Eigen vermogen versus vreemd vermogen; renteaftrek ............................................... 9
Hoofdstuk 6 – Deelnemingsvrijstelling ................................................................................................ 13
Hoofdstuk 7 – Fusies en splitsingen ..................................................................................................... 18
Hoofdstuk 9 – Fiscale eenheid .............................................................................................................. 21
Hoofdstuk 10 – Nederlands inkomen bij buitenlands belastingplichtigen en buitenlandse
ondernemingswinsten bij binnenlands belastingplichtigen................................................................ 28
Hoofdstuk 11 – Verliesverrekening ...................................................................................................... 30
Hoofdstuk 12 – Tarief en wijze van heffing .......................................................................................... 31
Hoofdstuk 13 – Bijzondere regelingen ................................................................................................. 32
1
,Hoofdstuk 1 – Inleiding
Art. 1 Wet VPB bepaalt dat onder de naam ‘vennootschapsbelasting’ een directe belasting wordt
geheven van de lichamen vermeld in art. 2 en art. 3.
Klassieke stelstel
De heffing van de vpb moet altijd in relatie worden gezien tot de belastingheffing bij de participant.
De relatie tot de IB wordt ook altijd in de beoordeling betrokken. De uiteindelijk gerechtigde tot de
winst van een lichaam zal immers veelal een natuurlijk persoon zijn.
Nederland hanteert het zogenoemde klassieke stelsel. Dit houdt in dat bij de heffing van ib geen
rekening wordt gehouden met de samenloop met de vpb. Deze heffingen staan formeel-juridisch
volstrekt los van elkaar.
• De vpb wordt geheven over de winsten van het lichaam en vervolgens wordt ib geheven als
deze winsten als dividend worden uitgekeerd aan de aandeelhouders, zonder dat op enigerlei
wijze rekening wordt gehouden met de reeds over de winst bij het lichaam geheven vpb.
Het klassieke stelsel resulteert in zijn zuiverste vorm in economische dubbele belastingheffing. Om
aan deze dubbele belastingdruk te ontkomen, zijn alternatieven of tegemoetkomingen ontwikkeld.
- Een alternatief stelsel is het zogenoemde verrekeningsstelsel. In dit stelsel wordt rekening
gehouden met het feit dat reeds eerder over de door de aandeelhouder ontvangen of
gerealiseerde voordelen belastingheffing heeft plaatsgevonden op het niveau van het
lichaam. Een verrekeningsstelsel wordt naar zijn aard toegepast op het niveau van de
natuurlijke persoon/aandeelhouder.
- Andere mogelijkheden om aan de economische dubbele belastingheffing tegemoet te
komen, kan men vinden in systemen waarbij een tegemoetkoming wordt geboden aan het
uitdelende lichaam of aan de ontvanger van het dividend.
De huidige NL combinatie van ib en vpb, kan naar mening van de schrijvers niet worden
gekwalificeerd als een (zuiver) klassiek stelsel. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen
aandeelhouders bij wie het aandelenbezit kwalificeert als een ab en bij wie dit niet het geval is.
- Voor ab-houders is het meer een verrekeningsstelsel
- Voor geen ab-houders kan het wel kwalificeren als een klassiek stelsel
2
,Hoofdstuk 2 – Subjectieve belastingplicht
De subjectieve belastingplicht gaat over de vraag wie belastingplichtig is voor de heffing van vpb.
Vestigingsplaats als aangrijpingspunt voor de belastingplicht
Blijkens art. 2 lid 1 worden bepaalde in Nederland gevestigde lichamen aangemerkt als binnenlandse
belastingplichtigen. Aangrijpingspunt voor de binnenlandse belastingplicht is derhalve de
aanwezigheid van een binnenlandse vestigingsplaats. Binnenlandse belastingplichtigen worden in de
heffing betrokken voor hun wereldwijde winst.
Buitenlandse belastingplichtige lichamen worden slechts in de heffing betrokken voor hun NL
inkomen.
In Nederland heb je drie beginselen: woonplaatsbeginsel, bronbeginsel en het nationaliteitsbeginsel.
Het nationaliteitsbeginsel heeft te maken met de vestigingsplaatsfictie van art. 2 lid 5 vpb. Op grond
van deze bepaling wordt een lichaam waarvan de oprichting heeft plaatsgevonden naar Nederlands
recht, in beginsel steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd.
Bij de vaststelling van de aard van de belastingplicht van lichamen die zijn opgericht naar vreemd
recht, rijst de vraag aan de hand van welke criteria moet worden bepaald of zij in Nederland zijn
gevestigd. Art. 4 lid 1 AWR bepaalt dat, waar een lichaam gevestigd is, naar omstandigheden moet
worden beoordeeld. Doorslaggevende omstandigheid is de plaats waar het lichaam zijn werkelijke
leiding heeft.
Binnenlands belastingplichtige lichamen
Art. 2 vpb bevat een limitatieve opsomming van de binnenlands belastingplichtige lichamen.
Binnenlands belastingplichtige lichamen kunnen worden onderverdeeld in onbeperkt en beperkt
belastingplichtige lichamen.
Onbeperkt belastingplichtige lichamen worden op grond van art. 2 lid 6 vpb verondersteld altijd een
onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen. Het feit dat het lichaam geen
materiële onderneming drijft maar bijvoorbeeld slechts belegt, doet voor de vpb-plicht dus niet ter
zake. Art. 2 lid 6 is van toepassing op de in art. 2 lid 1 onderdeel a,b,c en d genoemde lichamen. Alle
voordelen voortvloeiende uit het ondernemingsvermogen behoren tot de belastbare winst.
Beperkt belastingplichtige lichamen zijn op grond van art. 2 lid 1 onderdelen e en g slechts
belastingplichtig, indien en voor zover zij een onderneming drijven, dan wel een bepaald bedrijf
uitoefenen.
Onbeperkt
NV’s en BV’s zijn op grond van hun rechtsvorm onbeperkt belastingplichtig voor de heffing van vpb.
Open commanditaire vennootschappen → hier is iets mee veranderd dit jaar!
Coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag vallen ook onder het bereik van de vpb.
Blijkens art. 2 lid 6 worden ook zij geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele
vermogen. Hetzelfde geldt voor de onderlinge waarborgmaatschappijen. Ook woning(bouw)-
corporaties worden ook geacht hun onderneming te drijven met hun gehele vermogen.
Fondsen voor gemene rekening; een dergelijk fonds is onbeperkt belastingplichtig, aangezien het
fonds op grond van art. 2 lid 4 wordt aangemerkt als onderneming. Belastingplicht voor de vpb geldt
echter alleen voor de zogenoemde open fondsen voor gemene rekening.
- De definitie van een fonds voor gemene rekening staat in de derde volzin art. 2 lid 4
Als blijkt dat uit het artikel de bewijzen niet verhandelbaar zijn, dan is er sprake van een besloten
fonds, dat fiscaal transparant is voor de heffing van de vpb.
3
, Sinds 1 januari 2025 kunnen enkel nog beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve beleggingen in
effecten kwalificeren als fonds voor gemene rekening.
Fondsen voor gemene rekening die hieraan niet voldoen, zijn fiscaal transparant, vergelijkbaar met de
vof en de maatschap.
Beperkt
Verenigingen, stichtingen en andere niet-publiekrechtelijke rechtspersonen zijn belastingplichtig,
indien en voor zover zij een onderneming drijven.
- Een duurzame organisatie van kapitaal er arbeid die door deelname aan het economische
verkeer beoogt winst te halen
Voor de aanwezigheid van een onderneming dienen de activiteiten meer om het lijf te hebben dan
louter normaal actief vermogensbeheer, zoals beleggen.
- Een vereniging of stichting die functioneert als houdstermaatschappij, is alleen
belastingplichtig als zij zich actief bemoeit met de dochtervennootschap.
Het is vaste jurisprudentie dat een winststreven aanwezig wordt geacht, indien een verenging of
stichting met haar activiteiten stelselmatig overschotten behaalt.
Bedraagt de winst in een jaar overigens niet meer dan €15.000 (of €75.000 in vijf jaar), dan kan de
stichting een beroep doen op de subjectieve vrijstelling van art. 6 vpb.
Art. 4 Wet VPB → dit artikel voorziet in een drietal uitbreidingen van het ondernemersbegrip.
Op grond van art. 4 sub a wordt onder het drijven van een onderneming tevens verstaan een uiterlijk
daarmee overeenkomende werkzaamheid, waardoor in concurrentie wordt getreden met
onderneming van natuurlijke personen en van integraal belastingplichtige lichamen als nv’s en bv’s.
Voor de zogenoemde culturele instellingen bestaat de mogelijkheid om te kiezen voor integrale vpb-
plicht → art. 2 lid 9. Deze keuze geldt voor een periode van tien jaar.
Directe overheidsondernemingen (staat, gemeente, provincie en waterschap) zijn vpb-plichtig, voor
zover zij een (materiële) onderneming drijven.
Indirecte overheidsondernemingen – dit zijn bv’s nv’s alsmede stichtingen en verenigingen die
worden gehouden door publiekrechtelijke rechtspersonen – worden vpb-plichtig overeenkomstig de
algemene vpb-plicht van de desbetreffende privaatrechtelijke rechtspersonen.
Voor zowel directe als indirecte overheidsondernemingen, geldt blijkens art. 8e en 8f een aantal
algemene vrijstellingen, te weten;
1. Vrijstelling voor interne activiteiten
2. Vrijstelling voor quasi-inbesteding
3. Vrijstelling voor uitoefening van overheidstaken of publiekrechtelijke bevoegdheden
4. Vrijstelling voor samenwerkingsverbanden tussen publiekrechtelijke rechtspersonen en/of
privaatrechtelijke overheidslichamen
Voor een hybride lichaam geldt ook het voorschrift van art. 2 lid 6 en zij wordt dus geacht een
onderneming te drijven met haar gehele vermogen.
Buitenlands belastingplichtige lichamen
Dit staat in art. 3 van de Wet vpb.
Het genieten van Nederlands inkomen is een voorwaarde voor het bestaan van buitenlandse
belastingplicht. Het bronlandbeginsel vormt daarvan de achtergrond.
Subjectieve vrijstellingen
Deze vrijstellingen zijn geregeld in art. 5 en art. 6 vpb. Via deze bepalingen zijn bepaalde lichamen, al
dan niet beperkt tot bepaalde activiteiten, vrijgesteld van de vpb.
4