Contents
Subjectieve belastingplicht ..................................................................................................................... 2
Werkgroep 1 – Subjectieve belastingplicht........................................................................................ 5
Objectieve belastingplicht ...................................................................................................................... 8
Werkgroep 2 – objectieve belastingplicht ....................................................................................... 13
Deelnemingen ....................................................................................................................................... 17
Werkgroep 3 – Deelnemingen .......................................................................................................... 24
Fiscale eenheid...................................................................................................................................... 28
Werkgroep 4 – Fiscale Eenheid......................................................................................................... 39
Renteaftrek ........................................................................................................................................... 43
Werkgroep 5 - Renteaftrek ............................................................................................................... 53
Fusies en splitsingen ............................................................................................................................. 55
Werkgroep 6 - Fusies en splitsingen ................................................................................................ 63
Capita Selecta........................................................................................................................................ 64
Verliesverrekening ................................................................................................................................ 69
Hoofdstuk 1 – Inleiding ......................................................................................................................... 75
Hoofdstuk 2 – Subjectieve belastingplicht ........................................................................................... 76
Hoofdstuk 3 – Objectieve belastingplicht ............................................................................................ 78
Hoofdstuk 4 – Objectieve belastingplicht; aanvullende bepalingen ................................................... 80
Hoofdstuk 5 – Eigen vermogen versus vreemd vermogen; renteaftrek ............................................. 82
Hoofdstuk 6 – Deelnemingsvrijstelling ................................................................................................ 86
Hoofdstuk 7 – Fusies en splitsingen ..................................................................................................... 91
Hoofdstuk 9 – Fiscale eenheid .............................................................................................................. 94
Hoofdstuk 10 – Nederlands inkomen bij buitenlands belastingplichtigen en buitenlandse
ondernemingswinsten bij binnenlands belastingplichtigen.............................................................. 101
Hoofdstuk 11 – Verliesverrekening .................................................................................................... 103
Hoofdstuk 12 – Tarief en wijze van heffing ........................................................................................ 104
Hoofdstuk 13 – Bijzondere regelingen ............................................................................................... 105
1
,Subjectieve belastingplicht
Artikel 1 Wet VPB 1969: Onder de naam 'vennootschapsbelasting' wordt een directe belasting
geheven van de lichamen vermeld in de artikelen 2 en 3.
- Binnenlands belastingplichtig → art. 2
- Buitenlands belastingplichtig → art. 3
Binnenlands → wereldinkomen
Buitenlands → in Nederland gelegen bron
Hoe de domicilie vaststellen?
• Art. 4 lid 1 AWR
o ‘Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld’.
• Vestigingsplaats: in beginsel waar het bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent
Twee hoofdsoorten:
• Gehele lichaam, ongeacht de activiteiten (onbeperkte belastingplicht)
• Alleen de onderneming (beperkte belastingplicht)
Beperkt en onbeperkt
Twee hoofdsoorten:
• Gehele lichaam, ongeacht de activiteiten (onbeperkte belastingplicht)
• Alleen de onderneming (beperkte belastingplicht)
Belast Onbelast
• Art. 2 en 3 Wet VPB • Art. 5, 6, 6a en 6b Wet VPB
Binnenlandse belastingplicht – onbeperkt
Naamloze vennootschap en besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
• Art. 2 lid 1 onderdeel a Wet VPB → belast
VPB-plicht open cv is vervallen per 1/1/2025 → CV dus nu altijd transparant
Coöperatie
• Verlengstukwinst & verzelfstandigde winst (hierover belast)
o (Ledenkosten/totale kosten X de over het jaar genoten winst) + 2269
→ Art. 2 lid 1 onderdeel b Wet VPB → belast
Onderlinge waarborgmaatschappij
• Specifiek voor verzekeringsondernemingen
→ Art. 2 lid 1 onderdeel c Wet VPB → belast
Vereniging of stichting
• Dus woningcoöperaties wordt met dit lid bedoeld!
→ Art. 2 lid 1 onderdeel d Wet VPB → belast
Fonds voor gemene rekening (meerdere participanten):
• Afgescheiden vermogen zonder rechtspersoonlijkheid
• Verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid
• Alleen ‘open’ fondsen zijn belastingplichtig
→ Art. 2 lid 1 onderdeel f Wet VPB → open = belast → besloten = transparant
2
,Vanaf 2025 is de definitie van het open fgr aangepast:
- Bewijzen van deelgerechtigdheid alleen kunnen worden vervreemd aan het fonds zelf, in dat
geval worden die bewijzen van deelgerechtigdheid, niet als verhandelbaar aangemerkt, en
dat heeft voor consequentie dat het een besloten fonds is → dus transparant
- En dus Wet WFT → geregistreerd wet WFT dan open fonds → belast
Naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen
Vanaf 2025:
• Rechtsvormvergelijkingsmethode
o Art. 1a
• Vaste methode
o Art. 2 lid 1 onderdeel h Wet VPB
• Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen
Omgekeerde hybride lichamen
• Naar NL recht aangegaan of in NL gevestigd samenwerkingsverband
• Eisen m.b.t. belang in dat samenwerkingsverband
• NL beschouwt samenwerkingsverband in beginsel (zonder toepassing lid) als fiscaal transparant
Binnenlandse belastingplicht – beperkt
Verenigingen en stichtingen
• Subjectief VPB-plichtig voor zover zij een onderneming drijven
o Grotendeels aansluiting bij het in de IB ontwikkelde materiële ondernemingsbegrip
• Twee sferen
o Art. 2 lid 8 Wet VPB: één onderneming
o Art. 2 lid 10 Wet VBP: optionele integrale VPB-plicht
• Mogelijk een subjectieve vrijstelling
→ Art. 2 lid 1 onderdeel e → belast en onbelast
Publieksrechtelijke rechtspersonen zijn o.a.:
• Provincies
• Gemeenten
• Waterschappen
= subjectief belastingplichtige als er een onderneming wordt gedreven (→ Indirect = als overheid
aandelen heeft in BV)
3
, Overheidsondernemingen
• Level playing field met privaatrechtelijke ondernemingen
• Subjectieve vrijstellingen
o Academische ziekenhuizen
o Onderwijs en onderzoek
• Objectieve vrijstelling
o Interne activiteiten
o Overheidstaken
→ Art. 2 lid 1 onderdeel g & art. 2 lid 2 → belast en onbelast
Buitenlandse belastingplicht
• Niet in Nederland gevestigd lichaam dat Nederlands inkomen geniet
• Rechtsvormvergelijkingsmethode
o Art. 3 lid 1 onderdeel a Wet VPB 1969
Symmetrische methode
• Art. 3 lid 1 onderdeel b jo. lid 2 Wet VPB 1969
• Nederland volgt wat buitenland doet
Ontstaan buitenlandse belastingplicht Einde buitenlandse belastingplicht
• Nederlands inkomen gaat genieten • Ophoudt NL inkomen te genieten
• NL inkomen geniet en een subjectieve • NL inkomen geniet, maar onder een
vrijstelling vervalt subjectieve vrijstelling komt te vallen
• NL inkomen geniet en onder de lichaam • NL inkomen geniet, maar niet meer
genoemd in onderdeel a, b, c kan worden gerangschikt kan worden onder de
gerangschikt lichamen genoemd in onderdeel a, b en c
• NL inkomen geniet en zijn feitelijke leiding • NL inkomen geniet, maar zijn feitelijke
van NL overbrengt naar het buitenland leiding verplaatst naar NL
Art. 17 lid 3 Wet VPB
• Belastbare winst uit een in NL gedreven onderneming – vaste inrichting
• Belastbaar inkomen uit een ab
• Het in NL genoten NL inkomen -/- verliezen uit NL inkomen = belastbaar bedrag
Art. 17 en 17a VPB bepalen niet de omvang van de bestanddelen die tot het NL inkomen behoren
→ Art. 18 VPB bepaalt dat dit inkomen hetzelfde wordt bepaald als bij binnenlandse
belastingplichtigen, met een aantal aanpassingen.
Begrip vaste inrichting → art. 3 lid 4 Wet VPB
• Belastingverdrag of vergelijkbaar van
toepassing → definitie begrip vaste inrichting
is gelijk aan begrip vaste inrichting in het
verdrag
• Geen verdrag van toepassing → definitie
begrip vaste inrichting uitgewerkt in art. 3 lid
4 t/m 9 Wet VPB
4