Jurisprudentie
Week 1 – Bijzonder strafrecht I – fiscaal straf- en boeterecht
Strekkingsvereiste
De HR bevestigt dit in de situatie waar sprake was van een bestendige praktijk tussen verdachte en
fiscus in de zin dat de inkomstenbronnen van verdachte bij de Belastingdienst bekend waren, jaarlijks
werden voorlopige aanslagen opgelegd en bij het niet-tijdig doen van aangifte werd er altijd reactie
gegeven.
HR: door te overwegen dat de gedraging van de verdachte naar redelijke verwachting een te geringe
belastingheffing niet waarschijnlijk maakte, heeft het hof miskend dat, voor de beantwoording van
de vraag of de gestelde gedraging ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, beslissend is of
die gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende
belasting wordt geheven.
Autonomie fiscaal strafrecht
Het middel klaagt dat het hof door te oordelen dat sprake was van feitelijk onjuiste
(belasting)aangiften blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het zou niet aan de
strafrechter zijn om de materiele juistheid van de belastingaangifte vast te stellen, maar dit zou een
in het bestuursrechter nader te kwalificeren en beoordelen geschilpunt zijn
HR: De klacht miskent dat de strafrechter zich in het kader van een strafrechtelijke vervolging inzake
een onjuiste of onvolledige belastingaangifte en zelfstandig oordeel moet vormen over het antwoord
op de vraag of verdachte een te laag belastbaar inkomen heeft opgegeven (§2.5 + §10 Vellinga)
Opzet in fiscalibus
Verdachte heeft gedurende twee jaar onjuiste maandaangiften ingediend omdat hij op het moment
van doen van aangifte niet beschikte over voldoende liquide middelen om deze omzetbelasting te
voldoen. Verdediging doet beroep op de inkeerregeling van art. 69 lid 3 AWR omdat hij door de
suppletieaangiften tijdig en vrijwillig tot verbetering is overgegaan.
Hof: betrokkene kan zich alleen op deze bepaling beroepen indien hij tijdig is overgegaan tot het
alsnog indienen van een aanvullende aangifte of het verstrekken van aanvullende informatie.
Volgens het hof is hier geen sprake van nu de verdachte pas bij aanvang van de controle de
suppletieaangiften heeft overhandigd aan medewerker Belastingdienst (Hof laat hierbij in het
midden of het indienen van suppletieaangifte zonder nadere uitleg kan worden aangemerkt als
handeling die er toe strekt dat sprake is van inkeer en daarmee de eerdere onjuiste aangifte
rectificeert)
+
Verdediging bepleit dat het opzet op de onjuistheid van de aangiften ontbreekt zodat verdachte
vrijgesproken moet worden
Hof: door de feiten en omstandigheden is vast komen te staan dat verdachte wist dat de in de
aangiften genoemde bedragen niet overeenkwamen met de werkelijkheid en dat ze dus onjuist
waren
Kosten criminele activiteiten niet aftrekbaar
Verdachte is veroordeeld voor leiding geven aan criminele organisatie in harddrugs. Het hof heeft
verdachte veroordeeld tot betaling van bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Vervolgens
is verdachte aangeslagen voor het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel + de
productiekosten. Het hof heeft ook geoordeeld dat de productiekosten niet aftrekbaar zijn.
HR: Eens met hof (§3.3.2)
1
, Bijzonder Strafrecht
Inkeerregeling en witwassen
Verdachte is met zijn moeder naar Luxemburg gegaan en heeft daar zwarte geldbedragen
opgenomen die op de bankrekening van H. stonden. Dit zwarte geld is niet van H. maar van zijn
moeder die het heeft gekregen.
Hof: verdachte is niet de belastingplichtige dus inkeerregeling niet van toepassing
HR: hij is niet de schuldige zoals in 69 lid 3, maar bijzondere gevallen waar te denken is dat hij degene
is die de inkeer heeft bevorderd. De beginselen van goede procesorde kunnen meebrengen dat
strafvervolging ook voor die persoon is uitgesloten (§3.3.2 + §3.3.3)
Pleitbaar standpunt
Herhaalt het standpunt van HR 21 april 2017 Indien een onjuiste of onvolledige belastingaangifte
wordt gedaan, aar de betrokkene ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve
maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte juist en volledig was,
bijvoorbeeld omdat deze was gebaseerd op een pleitbaar standpunt, kan niet worden gezegd dat hij
opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte gedaan heeft die ertoe strekt dat te weinig belasting
wordt geheven, een ander in de zin van art. 69 lid 1 AWR. Daartoe is immers vereist dat betrokkene
opzettelijk heeft gehandeld (§2.4).
Het pleitbaar standpunt moet objectief worden uitgelegd. Als er een pleitbaar standpunt is, is er
daardoor geen aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte.
Aangifte doen door ander dan belastingplichtige
Het gaat om de heffing van belasting op de omzet van en de inkomsten uit een winkel. De winkel
staat op naam en rekening van de vrouw van verdachte. Verdachte doet in de relevante periode de
administratie en verzorgt de belastingaangiften.
Verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk onjuist/onvolledig doen van aangifte.
Hof: verdachte is niet aan te merken als aangifteplichtige, art. 69 l(lid 2) AWR ziet enkel op de
aangifteplichtige (§2.2.2)
Middel: klaagt dat het oordeel van het hof dat verdachte niet als pleger van het tenlastegelegde kan
worden aangemerkt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting
HR: de in art. 69 lid 2 AWR opgenomen strafbaarstelling kan als een aangifte ingediende
gegevensdrager uitsluitend worden aangemerkt als een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’
indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte
betrekking heeft (§2.4.2)
2
, Bijzonder Strafrecht
Week 3 – Bijzonder strafrecht II: WED en Wft
Schuldwitwassen
Verdachte had een grote som contant geld bij zich op Schiphol en kon niet zeggen hoe hij hier aan
kwam
§3.4 – art. 420bis Sr uit de bewijsmiddelen hoeft niet te kunnen worden afgeleid dat het
desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf uit de
bewijsmiddelen hoeft niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf
concreet is begaan dit is ook zij bij art. 420quater Sr
Hof: §3.5 aan deze eis is voldaan nu het in dit geval niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag,
middellijk of onmiddellijk, afkomstig is uit enig misdrijf als bedoeld in art. 420quater lid 1 onder b Sr
HR: dit getuig niet van onjuiste rechtsopvatting
Ze hadden geen ruimbagage bij zich, verdachte en reisgenoot gingen apart van elkaar staan
bij de security, verdachte vervoerde het geld in pakketten van 500 biljetten van €50 die
verstopt waren op verschillende plaatsen in toilettas en spijkerbroek, verdachte heeft steeds
wisselende en strijdige verklaringen afgelegd
Herkomst
Het gaat hier om het medeplegen van het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen die
zijn verkregen uit door de verdachte medegepleegde oplichtingen
Hof; §3.2 voor de stelling van de raadsman dat bedragen niet door dezelfde persoon geind en
witgewassen kunnen worden, kan geen steun worden gevonden in de wet of wetsgeschiedenis
Uit de wetsgeschiedenis haalt het hof namelijk dat wetgever er ook voor heeft gekozen het
‘voorhanden hebben’ van voorwerpen op te nemen in art. 420bis onder b Sr
HR: Anders dan bij heling, hoeft de herkomst van het voorwerp uit eigen misdrijf niet aan een
veroordeling wegens witwassen in de weg te staan (§3.4)
De heler-steler-regel is niet van toepassing op witwassen
Wilde bergen
Verdachte heeft contant geld aangenomen in Amsterdam en Rotterdam van verschillende mensen
die hij niet kende en waarbij het geld niet door hem werd geteld. Hij bracht dit geld vervolgens door
naar Duitsland en zette het daar op de bank. Deze bedragen kwamen van verkocht land van familie in
Marokko; wilde bergen. Verdachte heeft verschillend en tegenstrijdig verklaard tegenover hof over
deze grond
Hof; tegenstrijdige verklaringen van verdachte; ene keer verklaarde hij dat hij wel eens bij die
gronden was geweest, andere keer was hij er nooit geweest. daarnaast heeft hij verschillend
verklaard over de herkomst van de door hem op de bank in Duitsland gestorte geldbedragen, hij was
niet in staat om concrete informatie te geven over de betrokken familieleden bij de verkoop, en de
verklaringen van de vader kwamen niet overeen. Het was niet aannemelijk dat genoemde
familieleden het eigendom van de gronden hadden (§2.3)
Hoge Raad; Verwijst naar 28 september 2004 – uit de bewijsmiddelen hoeft niet worden afgeleid dat
het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf (§3.3)
de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten omstandigheden rechtvaardigen vermoeden dat de
geldbedragen van verdachte, onmiddellijk of middellijk, uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat van
verdachte mag worden verlangd dat hij verklaring geeft voor herkomst (§3.4)
tegenstrijdige verklaringen over herkomst geld
Oordeel van hof dat de naar Duitsland getransporteerde gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn is
niet onbegrijpelijk (§3.4)
3