Aardwetenschap - wetenschap die zich bezighoudt met de processen in en op de aarde (hydrosfeer,
atmosfeer) en de gevolgen daarvan.
Geomorfologie - wetenschap die de vorming van het landschap bestudeert en de natuurlijke
processen die daarbij een rol spelen.
Geologische tijdschaal - de indeling van de geschiedenis van de aarde in tijdvakken.
Actualiteitsprincipe - het idee dat processen in het verleden hetzelfde verliepen als processen
tegenwoordig.
Aardbevingsgolven worden wereldwijd geregistreerd, de snelheid en richting worden beïnvloed door
eigenschappen van gesteente. Gegevens uit duizenden aardbevingen te analyseren wordt de
opbouw van de aard bepaald. De lagen zijn chemisch (materiaal) of fysisch (hardheid) samengesteld.
● De aardkern bestaat uit ijzer en radioactieve elementen zoals uranium en nikkel dat warmte
produceert. De binnenkern bestaat uit vast materiaal door de druk van bovenliggende lagen.
Buitenkern is de druk lager en is het gesteente vloeibaar.
● De aardmantel bestaat uit magnesium en ijzerrijk gesteente. De mesosfeer wordt door de
aardkern verwarmt maar is niet gesmolten door de hoge druk. Het gesteente beweegt
langzaam en transporteert warmte naar de aardoppervlak. De asthenosfeer is plastisch en
gedeeltelijk vloeibaar (door afnemende druk). Er vinden convectiestromingen plaats waardoor
er platentektoniek ontstaat.
● De lithosfeer beweegt op de asthenosfeer en bestaat uit de aardkorst en de buitenste
mantel welke allebei vast zijn. De aardkorst bestaat uit licht gesteente ivm de aardmantel.
Oceanische korst is dunner (8 km) dan continentale korst (40 km)
De oceanische korst vormt het grootste deel van de aardkorst en ligt lager dan continentale korst. Dit
komt door de samenstelling anders is. Oceanische korst bestaat uit zwaar basalt. En de continentale
korst uit lichter graniet. Graniet en basalt zijn beide stollingsgesteenten. Basalt is
uitvloeiingsgesteente en graniet dieptesteente waardoor kristalvorming mogelijk is. De oceanische
korst heeft midoceanische ruggen (onderwater gebergte), platen bewegen uit elkaar en het is
minder diep dan elders. Ook zijn er troggen (diepe kloven), platen convergeren/subductie en komen
voor aan de randen van de oceanische korst, waar die in botsing komt met de continentale plaat.
3.2 Platentektoniek
Convergerende plaatgrenzen: bewegen naar elkaar. Bij subductie duikt de zwaardere oceanische
plaat onder de lichtere continentale plaat en duikt de mantel in waardoor een diepzeetrog ontstaat.
Het magma dat ontstaat heeft een lagere dichtheid dan de mantel waardoor het stijgt en de vulkaan
voedt. Ook kunnen twee continentale platen botsen, de korst wordt samengedrukt en geplooid tot
hooggebergte. Bij oceanische platen gaat het om de oudere plaat.
Divergerende plaatgrenzen: bewegen uit elkaar. Doordat het magma gaat stollen door aanraking
met water ontstaat in de scheur een midoceanische rug en gaat de korst groeien.
Transforme plaatgrenzen: bewegen platen langs elkaar.
Op de ene plek verdwijnt een stuk korst, terwijl die op een andere plek aangroeit. Door subductie
wordt een deel van het wegduikende basalt omgesmolten tot een nieuw, lichter gesteente, dat opstijgt
en wordt toegevoegd aan het continent.
De platentektoniek is het bewegen van de aardplaten. Bij de divergente plaatgrens stijgt heet
magma op waardoor de oceanische lithosfeer een beetje omhoog duwt. De lithosfeer komt daarmee
ook een beetje schuiner op de asthenosfeer te liggen. De zwaartekracht zorgt er vervolgens voor dat
de oceanische lithosfeer naar beneden schuift en daarmee de rest van de oceanische plaat voor zich
uitduwt. Dit proces noemen we ridge push. In de scheur komt magma, wat na afkoelen en stollen
nieuwe oceanische lithosfeer vormt. Daardoor kan de beweging als gevolg van ridge push steeds
verder blijven gaan. Aangekomen bij de subductiezone is de oceaanbodem oud en sterk afgekoeld.
De compact en zwaar geworden oceanische lithosfeer zakt bij subduciezones door de zwaartekracht
naar beneden en ‘trekt’ de rest van de oceaanbodem achter zich aan. Deze beweging wordt slab pull
genoemd en is de voornaamste motor achter de platentektoniek.
Door satellieten kunnen we reconstrueren hoe aardplaten in het verleden voortbewogen.
, Paleogeografie - wetenschap die de ligging en beweging van de continenten op aarde door de
geologische geschiedenis heen bestudeert.
Supercontinent Pangea - het enorme continent dat ongeveer 200 miljoen jaar geleden bestond uit
alle huidige continenten samen.
3.3 Vulkanisme
De wijze waarop de eruptie plaatsvindt, bepaalt de vorm. De manier van uitbarsten is afhankelijk van
de ligging van de vulkaan ten opzichte van het type plaatgrens. Bij divergerende plaatgrenzen vinden
we effusieve erupties. De mantel bestaat uit vast gesteente maar dit zal bij de opening vloeibaar
worden door de wegnemende druk. Er ontstaat een relatief platte schildvulkaan. Lava kan over een
groot gebied uitstrekken door de lage viscositeit (magma dun) Bij een midoceanische rug ontstaan
basaltstromen doordat magma steeds in contact komt met water.
Bij convergerende plaatgrenzen vinden we explosieve erupties. Het magma bestaat hier uit een
mengsel van ongesmolten oceaanbodem, meegesleurd sediment v/d rivieren en zeewater. Het
magma is licht maar ook een hoge viscositeit. Door de stroperigheid stolt het als een prop in de
kraterpijp. Er is hoge druk nodig. Gassen kunnen niet ontsnappen en de gasdruk wordt hoog
waardoor er explosies optreden. Al het materiaal dat bij een uitbarsting in de lucht wordt geslingerd
wordt pyroklastica genoemd. De stroperige lava ligt geen grote afstand af, waardoor een
stratovulkaan met afwisselende lagen van lava en pyroklastica ontstaat. Wanneer een deel van de
stratovulkaan instort blijft er een caldera over. Dit is een cirkelvormige krater dat kan vollopen met
water. Er kan weer een nieuwe vulkaan ontstaan.
Een plek op aarde waar in de aardmantel pluimen van magma omhoogkomen heet een hotspot. De
aardkorst is wat dunner. De mantelpluimen verzwakken en breken de aardkorst open. Het magma
komt direct uit de mantel omhoog, is vloeibaar en vormt een schildvulkaan. De aardkorst beweegt
over de hotspot. Naarmate de vulkaan ouder wordt neemt de stroperigheid toe, waardoor de erupties
explosiever worden. (stratovulkanen)
3.4 Druk en rek in de aardkorst
Zwaarste aardbevingen ontstaan door transform en convergentie. Hier blijft gesteente door ruwheid
lange tijd klemzitten. Door de aanhoudende druk zal het gesteente vervormen of verbuigen. Spanning
wordt opgebouwd dat op een gegeven moment leidt tot ontlading. Het gesteente breekt en de twee
gesteentelagen zijn ten opzichte van elkaar verschoven.
Seismologie bestudeert de wetenschap die zich bezighoudt met het meten en onderzoeken naar
trillingsgolven. Hoe zwaarder de aardbeving, hoe groter de uitslag op het seismogram. De uitslag
geeft aan hoeveel energie er is vrijgekomen. Dit noemen we de magnitude. Men maakt nu gebruik
van de momentmagnitudeschaal: de schaal berekent de magnitude van een aardbeving aan de
hand van de afstand die de aardplaten verschoven zijn en de lengte van de breuk waarlang dat is
gebeurd. Hoe dieper het hypocentrum van de aardbeving, hoe kleiner het effect voelbaar zla zijn op
het oppervlak (epicentrum). Aardbevingen op de zeebodem noemen we een tsunami. Na een zware
aardbeving komt de zeebodem omhoog. Golven verplaatsen zich naar het ondiepe water. Door de
afremming op de zeebodem worden de golven opgestuwd en de kustvlakten overspoeld. Ook kan het
ontstaan door een vulkaanuitbarsting en losse gesteentes van de berg in het water.
Door de rek en druk ontstaan er breuken en plooien in het gesteente, waardoor gebergtevorming
ontstaat. Plooien in de gesteentelagen ontstaan in de diepte wanneer gesteente door de hoge druk
en temperatuur plastisch wordt en vervormt. Wanneer dit geplooide gesteente opgeheven wordt,
kunnen er plooiingsgebergten ontstaan. Plooiing wordt gevormd in bekkens zoals de bodem van
een ondiepe zee waar dikke lagen sediment zich ophopen. De lagen worden door het gewicht van de
bovenliggende lagen steeds verder de korst ingedrukt en er vormt zich sedimentgesteente. Door
meer druk en hogere temperaturen kan gesteenten makkelijk plooien. In de top van
plooiingsgebergten kan je fossielen vinden doordat de zeebodem door convergentie is opgeheven.
Bij breukgebergte is sprake van divergerende bewegingen. De aardkorst wordt dunner. Het dunnere
deel zal inzakken of langs de ontstane breuken omlaagschuiven. De aardmantel zal omhoogkomen.
Waardoor in de gevormde riftvallei vulkanisme komt. Door de druk zal ook de rand van de riftvallei
hoger komen te liggen, de riftschouders. In de riftvallei vallen kleine stukken korst weg, de slenken.