Biologie LS 3 samenvatting
Week 2.1 Hoofdstuk 6;
Groei van micro-organismen = toename aantal cellen en niet
de celgrootte.
Temperatuur: minimum groei/kweek-temperatuur
Optimum groei/kweek-temperatuur
Maximum groei/kweek-temperatuur
Bacterie is afhankelijk van de temperatuur. Enzymen werken bij lagere temperatuur niet zo
hard. Hoe hoger de temperatuur, hoe beter de processen verlopen. Nog hoger met de
temperatuur, voorbij het optimum, dan vindt er geen groei meer plaats, de enzymen gaan
dan denatureren en het organisme komt dan niet meer tot leven.
Psychrotrofen:
Groeien tussen 0°C en 20-30°C
Veroorzaken voedselbederf
Mesofielen: hier zitten ook de ziekteverwekkers
Optimum groeitemperatuur 25-40°C
Meest voorkomende type, waaronder de meeste pathogene - en voedsel bedervende
m.o.
Micro-organismen die zich hebben aangepast aan het leven in een dierlijke gastheer:
optimum temperatuur dichtbij die van gastheer
Hyperthermofielen:
Optimum temperatuur boven de 80°C
Archaea
Hete bronnen rond vulkanische activiteit
Meestal zwavel nodig voor metabolisme
Interessant voor de biotechnologie, als bron van hittebestendige enzymen
De optimum pH voor de meeste bacterien = pH 7
, Osmotische druk;
Hypertone omgeving: plasmolyse conservering voeding via extra suiker of zout
Hypotone omgeving: water de cel in, maar de celwand behoedt cel meestal tegen lysis.
Koolstof is als basis voor alle biomoleculen en als energiebron (covalente bindingen tussen
C-atomen)
Chemoheterotrofen gebruiken organische stoffen (biomoleculen) als C- en
energiebron
Autotrofen gebruiken CO2 als C-bron
Stikstof (N): Nodig voor alle aminozuren, eiwitten
Meeste bacteriën breken eiwitten af
Sommige bacteriën gebruiken NH4+ of NO3
Enkele bacteriën gebruiken N2 (stikstoffixatie)
Zwavel (S): Nodig voor bepaalde aminozuren, thiamine, biotine
Meeste bacteriën breken eiwitten af
Sommige bacteriën gebruiken SO42 of H2S
Fosfor (F): Nodig voor DNA, RNA, ATP en membranen
Fosfaat
Spore-elementen: kleine hoeveelheden anorganische elementen, meestal enzym-cofactoren
(Fe-, Cu-, Zn-, Mo-ionen)
Naamgeving zuurstofbehoefte van micro-organismen;
Obligaat aeroben:
Hebben zuurstof nodig om te leven (aerobe respiratie)
Zonder zuurstof gaan ze dood
Facultatief anearoben:
Gebruiken zuurstof, maar kunnen ook zonder (switchen tussen aerobe respiratie
(veel ATP) en fermentatie (weinig ATP))
Escheria coli en veel gisten (en bv. ook dierlijke cellen)
Obligaat anaeroben:
Gebruiken geen zuurstof en kunnen er meestal ook niet tegen (giftig)
Meesten: alleen fermentatie (incl. glycolyse) (bepaalde soorten in staat tot anaerobe
respiratie)
Zuurstof: giftige vormen
Singlet zuurstof: 1O2
O2 in een hogere energietoestand
Extreem reactief
In fagocyten (afweer)
Superoxide vrije radicalen: O2
In kleine hoeveelheden gevormd tijdens aerobe respiratie, maar ook bij obligaat
anaeroben
Zeer toxisch
Alle organismen die groeien in aanwezigheid, O2 maken deze vorm van zuurstof
onschadelijk via:
Peroxide anion: O22
2
Week 2.1 Hoofdstuk 6;
Groei van micro-organismen = toename aantal cellen en niet
de celgrootte.
Temperatuur: minimum groei/kweek-temperatuur
Optimum groei/kweek-temperatuur
Maximum groei/kweek-temperatuur
Bacterie is afhankelijk van de temperatuur. Enzymen werken bij lagere temperatuur niet zo
hard. Hoe hoger de temperatuur, hoe beter de processen verlopen. Nog hoger met de
temperatuur, voorbij het optimum, dan vindt er geen groei meer plaats, de enzymen gaan
dan denatureren en het organisme komt dan niet meer tot leven.
Psychrotrofen:
Groeien tussen 0°C en 20-30°C
Veroorzaken voedselbederf
Mesofielen: hier zitten ook de ziekteverwekkers
Optimum groeitemperatuur 25-40°C
Meest voorkomende type, waaronder de meeste pathogene - en voedsel bedervende
m.o.
Micro-organismen die zich hebben aangepast aan het leven in een dierlijke gastheer:
optimum temperatuur dichtbij die van gastheer
Hyperthermofielen:
Optimum temperatuur boven de 80°C
Archaea
Hete bronnen rond vulkanische activiteit
Meestal zwavel nodig voor metabolisme
Interessant voor de biotechnologie, als bron van hittebestendige enzymen
De optimum pH voor de meeste bacterien = pH 7
, Osmotische druk;
Hypertone omgeving: plasmolyse conservering voeding via extra suiker of zout
Hypotone omgeving: water de cel in, maar de celwand behoedt cel meestal tegen lysis.
Koolstof is als basis voor alle biomoleculen en als energiebron (covalente bindingen tussen
C-atomen)
Chemoheterotrofen gebruiken organische stoffen (biomoleculen) als C- en
energiebron
Autotrofen gebruiken CO2 als C-bron
Stikstof (N): Nodig voor alle aminozuren, eiwitten
Meeste bacteriën breken eiwitten af
Sommige bacteriën gebruiken NH4+ of NO3
Enkele bacteriën gebruiken N2 (stikstoffixatie)
Zwavel (S): Nodig voor bepaalde aminozuren, thiamine, biotine
Meeste bacteriën breken eiwitten af
Sommige bacteriën gebruiken SO42 of H2S
Fosfor (F): Nodig voor DNA, RNA, ATP en membranen
Fosfaat
Spore-elementen: kleine hoeveelheden anorganische elementen, meestal enzym-cofactoren
(Fe-, Cu-, Zn-, Mo-ionen)
Naamgeving zuurstofbehoefte van micro-organismen;
Obligaat aeroben:
Hebben zuurstof nodig om te leven (aerobe respiratie)
Zonder zuurstof gaan ze dood
Facultatief anearoben:
Gebruiken zuurstof, maar kunnen ook zonder (switchen tussen aerobe respiratie
(veel ATP) en fermentatie (weinig ATP))
Escheria coli en veel gisten (en bv. ook dierlijke cellen)
Obligaat anaeroben:
Gebruiken geen zuurstof en kunnen er meestal ook niet tegen (giftig)
Meesten: alleen fermentatie (incl. glycolyse) (bepaalde soorten in staat tot anaerobe
respiratie)
Zuurstof: giftige vormen
Singlet zuurstof: 1O2
O2 in een hogere energietoestand
Extreem reactief
In fagocyten (afweer)
Superoxide vrije radicalen: O2
In kleine hoeveelheden gevormd tijdens aerobe respiratie, maar ook bij obligaat
anaeroben
Zeer toxisch
Alle organismen die groeien in aanwezigheid, O2 maken deze vorm van zuurstof
onschadelijk via:
Peroxide anion: O22
2