Samenvatting artikelen
Lisan Ekster
,
,Week 1
College 1
Drukker
2.1 economische geschiedenis en vraagstelling
Economische geschiedenis verschilt van algemene geschiedenis door
gekozen perspectief.
Economie speelde altijd al een rol in geschiedschrijving, maar waarom pas
vanaf eind 19e eeuw economische geschiedenis als zelfstandig? Omdat
economische historici alles vanuit de economie willen verklaren
Wortels van economische geschiedenis liggen in de economie, en niet in
de geschiedwetenschap.
2.2 menswetenschappen in 19e eeuw
Positivisme: methodologie van menswetenschappen wordt ontleend aan
natuurwetenschappen.
Kennis moet gebaseerd zijn op de dingen die je hebt geobserveerd. Dan
moet je een theorie opstellen en die vervolgens toetsen aan de
werkelijkheid.
Maar in elke sociale wetenschap was deze trend te zien, behalve in de
geschiedwetenschap.
2.3 rol van historisme
Historisme precies tegenovergestelde van positivisme (van andere
wetenschappen)
Alles in samenleving is uniek, dus vaste wetmatigheden zijn onmogelijk.
Daarnaast vormt ook cultuur een onderdeel van historisch
veranderingsproces, dus elk standpunt is onderdeel van historisch proces
(ook historicus wordt beïnvloed door zijn omgeving)
Geschiedenis is ideografisch, dus we beschrijven een uniek proces uit het
verleden, dus geen wet of theorie!
2.4 positivisme en historisme methodologisch onverenigbaar
Historisme en positivisme staan dus haaks op elkaar. Methodologisch
groeien geschiedenis en andere menswetenschappen (sociologie,
economie en psychologie) steeds verder uit elkaar.
2.5 economie en sociologie
Sociologie en economie kunnen geen testen doen in het lab, dus ze
moeten vergelijkingen uit het verleden halen of hun theorie klopt.
Dus historische processen werden geanalyseerd om het
laboratoriumexperiment na te bootsen
, 2.6 methodenstreit: neoklassieke versus historische school
Door deze methodenstreit werd economische geschiedenis een
zelfstandige, wetenschappelijke discipline
Klassieke economische theorie: empirische en descriptieve methode (zoals
Smith)
Als reactie daarop (ze wilden dat in tweede helft van negentiende eeuw
niet meer omdat ze dus meer wilden lijken op natuurwetenschappen)
ontwikkelden ze een formele, deductieve methode
Deze formalisering zorgde voor nieuw specialisme: wiskundige economie
(idee dat je theorie kan opstellen die “waar” is; universeel geldig)
Maar economie houdt zich bezig met menselijk gedrag, dus het is heel
lastig om dan te zeggen: dit is waar. Objectieve is moeilijk van het
subjectieve te onderscheiden.
Denken van Engelse economen als Smith bleef ook in tweede helft van de
negentiende eeuw nog heel invloedrijk (weinig ingrijpen van de overheid
door idee van invisible hand)
2.7 economisch-politieke achtergronden van methodenstreit
Maar in landen waar industrie moest worden opgebouwd (Duitsland en
Oostenrijk vooral, die hadden nog niet zo’n ontwikkelde industriële sector
als Engeland) wilden ze juist wél importtarieven en dergelijke hebben, om
hun industrie te beschermen.
Daarom waren die landen juist tegen dat neoklassieke economische
denken van Smith (waar importtarieven zo laag mogelijk moeten zijn)
Duitse economen vielen niet aan op inhoud van theorie (want dat was
lastig omdat die de afgelopen jaren sterk was established), maar wierpen
juist kritiek op de methodologie. Gebruikten daar het historisme voor (juist
door idee dat economie door menselijk gedrag komt en dus nooit in een
goed model/theorie geworven kan worden)
Methodenstreit
2.8 kern van methodenstreit: inductie versus deductie
Oostenrijkse school (Carl Menger): juist dat neoklassieke denken
Von Schmoller: elke economische theorie is historisch gebonden
(historisme) en kan dus alleen geldig zijn voor de specifieke historische
omstandigheden van dát moment
Dus economie heeft een andere methode nodig dan de
natuurwetenschappen
Natuurwetenschappen: deductie; opbouwen van een bouwwerk op basis
van een aantal niet met empirie strijdige hypothesen
Economie: inductie; omdat het altijd het resultaat is van historisch
ontwikkelingsproces; het verzamelen van heel veel empirische gegevens
om vervolgens tot zekere mate van generalisatie te kunnen komen
(theorie zal veel van het karakter van historische beschrijving hebben)