Tentamenstof:
- Boek hoofdstukken 1/6, 8, 9, 11, 13/18.
- Syllabus met opgaven en extra materiaal.
- Alle geel gemarkeerde teksten zijn voorbeeld tentamenvragen
Waarom hebben we dit vak?
Externe blik: Weten wat er speelt in de economie.
- Weet de spelende onderwerpen te onderscheiden die van invloed zijn in het bedrijf
op de resultaten.
- Met deze kennis kun je bedrijven advies geven over hoe ze kunnen inspelen op de
ontwikkelingen.
Basisprincipes van de economische wetenschap
Geld Consument (wil en nodig heeft)
Consument: verdient geld en daarmee koopt hij wat hij wil en nodig heeft. Vaak kosten de
dingen die hij wil meer dan het geld wat hij heeft. Dit is schaarste. De consument moet dus
een keuze gaan maken tussen de verschillende behoeften.
Schaarste: oneindige behoefte en daarin de beperkte middelen.
Economie op meerdere niveaus
- Internationale economie à Handelsstromen tussen landen.
- Macro-economie à Economie van 1 land (werkeloosheid, BBP)
- Meso-economie à Bedrijfstakanalyse (lokale overheid, food)
- Micro-economie à Keuzes en preferenties van de spelers zelf.
• Spelers: consumenten, bedrijf.
• Dit speelt zich af op individueel niveau.
- Monetaire economie à Geldstromen, -creatie, -hoeveelheid.
De bedrijfsomgeving
Macro omgeving: het bedrijf kan dit niet beïnvloeden.
Indirecte omgeving: dit kan het bedrijf wel beïnvloeden.
,De Markt
Vraag Aanbod
Geografische indeling
- Wereldmarkt (olie)
- Continentale markt
- Nationale markt
- Regionale markt
- Lokale markt
Relevante markt: het deel van de markt welke de ondernemer bedient.
De vraag – factoren die de vraag beïnvloeden
- Behoeften
- Consumenten voorkeuren (trends, veranderen)
- Prijzen
- Substituten
- Inkomen
De vraagcurve
Qv = - a * P + B
Qv= -2P + 150
Q= hoeveelheid
V= vraag gevraagde hoeveelheid
P= prijs
- Als de prijs hoger wordt à neemt de vraag af.
- Als de prijs lager wordt à neemt de hoeveelheid toe.
,De prijselasticiteit van de vraag
De ondernemer vraagt zich af: Wat gebeurt er met de vraag naar het product als ik de prijs
aanpas? Prijselasticiteit van de vraag= prijsgevoeligheid van de vraag.
Een daling is een negatieve verandering hier komt dus een (-) voor.
Prijselastische vraag= dat de vraag sterk reageert op de prijsverandering.
- E (P, Qv) < -1
Prijsinelastische vraag= vraag reageert niet sterk op de prijsverandering (basisbehoefte)
- -1 < E (P, Qv) < 0
Ieder punt op de vraagcurve heeft een andere prijselasticiteit:
- Bovenste helft vraagcurve= prijselastisch
- Onderste helft vraagcurve= prijsinelastisch
Prijselasticiteit berekenen
Methode 1
De gegevens:
- Q= -2 + 150
- Bereken de prijselasticiteit bij prijs €45.
- P= 45 à Qv= -2 * 45 + 150 = 60
1. Verhoog P met een % (bijv. 10%)
, P= 45 ; 45 x 1,1 = 49,5
2. Bereken nieuwe Qv
P= 49,5 à Qv = -2 * 49,5 + 150 = 51
3. Bereken de procentuele verandering Qv
(N-O) / O x 100% à (51-60) / 60 x 100= -15%
4. Bereken de prijselasticiteit
-15% / 10% = -1,5
Methode 2
- Gebruik de afgeleide formule van E (p, Qv)
- = verandering
De richtingscoëfficiënt van een lijn geeft aan hoe stijl een lijn is.
Kruislingse prijselasticiteit
E (P goederen 2, Qv goederen 1)= % Qv van goed 1 / % P van goed 2
Substitutie goederen: > 0 zijn kleiner dan 0.
Complementaire goederen
Dit zijn producten/goederen die bij elkaar horen (zoals koffie en koffiemelk).
Als de koffie duurder wordt dan wordt de vraag naar koffiemelk dus ook minder.
- Ze hebben een negatieve kruislingse prijselasticiteit.
Wat moet een ondernemer doen met de prijs (dalen en stijgen) om zijn omzet te
verhogen?
- Als de ondernemer te maken heeft met een prijsinelastische goederen moet hij de
prijs verhogen. Zo verhoog je de omzet.
- Als de ondernemer te maken heeft met een prijselastisch goed moet hij de prijs
verlagen. Zo verhoog je de omzet.