Leerdoelen
Casus 1
1. Je kan het basisbouwplan van het menselijk lichaam
beschrijven (delen, oriëntatie), met nadruk op skelet system
en bijbehorende nomenclatuur/vak jargon van de anatomie.
1. Oriëntatie en segmentatie van het skelet
Het skelet ontwikkelt zich uit somieten, tijdelijke segmentale structuren afkomstig van
het paraxiale mesoderm, die ontstaan tijdens de gastrulatie (week 3-4). Somieten
splitsen zich in verschillende delen:
Sclerotoom: Vormt de wervels en ribben.
Dermatoom: Vormt de dermis van de huid.
Myotoom: Vormt skeletspieren.
Tijdens de herschikking van het sclerotoom ontstaan wervels. Dit proces zorgt ervoor
dat elk wervellichaam wordt gevormd uit het caudale deel van een somiet en het
craniale deel van de daaropvolgende somiet. Dit resulteert in een segmentale
organisatie van zenuwen, myotomen en dermatomen die met elkaar verbonden zijn.
2. Axiaal skelet
Het axiale skelet omvat:
Wervelkolom: Ontstaat uit de sclerotomen en bestaat aanvankelijk uit
bindweefsel, dat via kraakbeen uiteindelijk verbeent vanaf de 9de week.
Primaire botkernen vormen zich in het wervellichaam en de bogen. De
wervels zijn segmentaal georganiseerd in cervicale, thoracale, lumbale,
sacrale en coccygeale regio's.
Nucleus pulposus (kern van de tussenwervelschijf): Ontstaat uit de
notochord, een primitieve mesodermale structuur die als oerskelet
functioneert.
Annulus fibrosus: Ontwikkelt uit het sclerotoom en omringt de nucleus
pulposus.
3. Appendiculair skelet
Het appendiculaire skelet (ledematen) ontwikkelt zich uit lateraal mesoderm.
Migrerende cellen uit de myotomen van somieten vormen de spieren van de
ledematen. Dit gebeurt parallel met de ossificatie van het kraakbeen dat de
botstructuren vormt.
4. Functionele en anatomische oriëntatie
Anatomische vlakken:
o Sagittaal: Verdeelt het lichaam in links en rechts.
, o Coronaal: Verdeelt het lichaam in voor (ventraal) en achter (dorsaal).
o Transversaal: Verdeelt het lichaam in boven (craniaal) en onder
(caudaal).
Craniocaudale as: De wervelkolom strekt zich uit langs deze as.
Proximodistale as: Leidt de ontwikkeling van ledematen van dichtbij
(proximaal) naar ver weg (distaal).
5. Skeletnomenclatuur
Wervels: Onderverdeeld in:
o Cervicale wervels (7): Met de atlas (C1) en de axis (C2).
o Thoracale wervels (12): Verbonden met de ribben.
o Lumbale wervels (5): Draagkrachtig.
o Sacrum: Samengroeiing van 5 sacrale wervels.
o Coccyx: Staartbeen gevormd uit samengegroeide wervels.
Botstukken van de ledematen:
o Humerus (bovenarm), radius en ulna (onderarm).
o Femur (dijbeen), tibia en fibula (onderbeen).
o Carpalen, metacarpalen, tarsalen, metatarsalen en falangen
(handen en voeten).
6. Segmentatie en zenuwinnervatie
De segmentale organisatie van somieten correspondeert met:
Spinale zenuwen: Innervatie van myotomen en dermatomen.
Dermatomale verdeling: Huidgebieden die door specifieke spinale zenuwen
worden geïnnerveerd.
, 2. Je kan in globale termen de belangrijkste embryonale en
foetale ontwikkelingsstadia beschrijven, inclusief grootte en
gevoeligheid voor het ontstaan van grove aangeboren
afwijkingen.
Embryonale periode vanaf de datum van bevruchting.
Zwangerschapsduur vanaf de laatste dag van de menstruatie (twee weken voor
bevruchting)
1. Pre-embryonale fase (week 1-2)
Belangrijkste gebeurtenissen:
o Bevruchting en vroege celdeling (zygote, morula, blastocyst).
o Innesteling van de blastocyst in het endometrium.
o Vorming van de twee-lagige kiemschijf (epiblast en hypoblast).
o Aanleg van extra-embryonale structuren zoals de dooierzak,
amnionholte en chorion(C1 LME Embryogenese Bou…)(C1 LME Het
embryo en ex…).
Grootte:
Casus 1
1. Je kan het basisbouwplan van het menselijk lichaam
beschrijven (delen, oriëntatie), met nadruk op skelet system
en bijbehorende nomenclatuur/vak jargon van de anatomie.
1. Oriëntatie en segmentatie van het skelet
Het skelet ontwikkelt zich uit somieten, tijdelijke segmentale structuren afkomstig van
het paraxiale mesoderm, die ontstaan tijdens de gastrulatie (week 3-4). Somieten
splitsen zich in verschillende delen:
Sclerotoom: Vormt de wervels en ribben.
Dermatoom: Vormt de dermis van de huid.
Myotoom: Vormt skeletspieren.
Tijdens de herschikking van het sclerotoom ontstaan wervels. Dit proces zorgt ervoor
dat elk wervellichaam wordt gevormd uit het caudale deel van een somiet en het
craniale deel van de daaropvolgende somiet. Dit resulteert in een segmentale
organisatie van zenuwen, myotomen en dermatomen die met elkaar verbonden zijn.
2. Axiaal skelet
Het axiale skelet omvat:
Wervelkolom: Ontstaat uit de sclerotomen en bestaat aanvankelijk uit
bindweefsel, dat via kraakbeen uiteindelijk verbeent vanaf de 9de week.
Primaire botkernen vormen zich in het wervellichaam en de bogen. De
wervels zijn segmentaal georganiseerd in cervicale, thoracale, lumbale,
sacrale en coccygeale regio's.
Nucleus pulposus (kern van de tussenwervelschijf): Ontstaat uit de
notochord, een primitieve mesodermale structuur die als oerskelet
functioneert.
Annulus fibrosus: Ontwikkelt uit het sclerotoom en omringt de nucleus
pulposus.
3. Appendiculair skelet
Het appendiculaire skelet (ledematen) ontwikkelt zich uit lateraal mesoderm.
Migrerende cellen uit de myotomen van somieten vormen de spieren van de
ledematen. Dit gebeurt parallel met de ossificatie van het kraakbeen dat de
botstructuren vormt.
4. Functionele en anatomische oriëntatie
Anatomische vlakken:
o Sagittaal: Verdeelt het lichaam in links en rechts.
, o Coronaal: Verdeelt het lichaam in voor (ventraal) en achter (dorsaal).
o Transversaal: Verdeelt het lichaam in boven (craniaal) en onder
(caudaal).
Craniocaudale as: De wervelkolom strekt zich uit langs deze as.
Proximodistale as: Leidt de ontwikkeling van ledematen van dichtbij
(proximaal) naar ver weg (distaal).
5. Skeletnomenclatuur
Wervels: Onderverdeeld in:
o Cervicale wervels (7): Met de atlas (C1) en de axis (C2).
o Thoracale wervels (12): Verbonden met de ribben.
o Lumbale wervels (5): Draagkrachtig.
o Sacrum: Samengroeiing van 5 sacrale wervels.
o Coccyx: Staartbeen gevormd uit samengegroeide wervels.
Botstukken van de ledematen:
o Humerus (bovenarm), radius en ulna (onderarm).
o Femur (dijbeen), tibia en fibula (onderbeen).
o Carpalen, metacarpalen, tarsalen, metatarsalen en falangen
(handen en voeten).
6. Segmentatie en zenuwinnervatie
De segmentale organisatie van somieten correspondeert met:
Spinale zenuwen: Innervatie van myotomen en dermatomen.
Dermatomale verdeling: Huidgebieden die door specifieke spinale zenuwen
worden geïnnerveerd.
, 2. Je kan in globale termen de belangrijkste embryonale en
foetale ontwikkelingsstadia beschrijven, inclusief grootte en
gevoeligheid voor het ontstaan van grove aangeboren
afwijkingen.
Embryonale periode vanaf de datum van bevruchting.
Zwangerschapsduur vanaf de laatste dag van de menstruatie (twee weken voor
bevruchting)
1. Pre-embryonale fase (week 1-2)
Belangrijkste gebeurtenissen:
o Bevruchting en vroege celdeling (zygote, morula, blastocyst).
o Innesteling van de blastocyst in het endometrium.
o Vorming van de twee-lagige kiemschijf (epiblast en hypoblast).
o Aanleg van extra-embryonale structuren zoals de dooierzak,
amnionholte en chorion(C1 LME Embryogenese Bou…)(C1 LME Het
embryo en ex…).
Grootte: