______________________________________________________________________________
____
Economie is een cumulatieve wetenschap dat constant verbeterd en vergroot wordt
Pre-Adam Smith
1. Aristotle
Transacties tussen personen zijn goed voor de economie
Uitwisseling kan alleen plaatsvinden als er een potentieel surplus is van
de transactie die partijen kunnen delen
o Geld vergemakkelijkt transacties!
Principe van afnemende marginale meeropbrengsten
2. Scholastics
Priesters en leraren aan middeleeuwse universiteiten
Belangrijk om land te hebben!
o Katholieke kerk had veel land en dus veel macht, speelde impliciete
rol als overheid
Determinatie van een gewone prijs is voordelig voor maatschappij
o Natuurlijke prijs: prijs onder vrije en effectieve competitie (=
volkomen concurrentie)
Zonder monopolie en bedrieglijk gedrag
Afhankelijk van: waardering van nut door consumenten,
productiekosten
Federale hiërarchie: rijkeren beschermen de armeren in ruil voor geld en
arbeid
Vormt de basis voor theorieën over economische wetten
3. Merchantilism
Focus op de handel, maar toch voorstander voor gesloten economie door
meer binnenlands te produceren
Positieve handelsbalans
o Export > import
Handelsbalans = mate voor welvaart meten
Doel: bevordering militaire en economische macht van een land tov
andere landen
4. Pre-classicist: David Hume
Voorstander voor een open economie
Geld speelt geen rol in de reële economie
o Reden: prijzen passen zichzelf aan en koopkracht verandert niet op
LT
Fishervergelijking: MV = PT -> geldomzet = goederenomzet
, Reele prijzen blijven constant
5. Quesnay en Physiocrats
Verantwoordelijk voor tableau economique
o Bevat: nationale accounts model en empirische kennis over model
parameters
Nationale accounts model: input en output realiseren
Landbouw en argicultuur vormt de basis voor economische welvaart
Overheid moet meer volkomen concurrentie en vrije handel promoten
Tegenovergestelde van Merchantilism
Volgers van Quesnay zijn physiocrats
,Klassieke school
______________________________________________________________________________
__
2 belangrijke revoluties dat hebben geleid tot de start van klassieke gedachtes:
1. Wetenschappelijke revolutie
Natuurlijke wetten, laat het gewoon gebeuren = marktwerking = Laissez-
faire
Verlichtingsperiode
2. Industriële revolutie
Groei van industrie
Competitie
Laagbetaalde beroepsbevolking
Kernideeën van de klassieke school:
1. Beperkte overheidsinterventie
Handhaving eigendomsrechten, openbaar onderwijs en nationale defensie
2. Eigenbelang economisch gedrag
Winsten, lonen
3. Harmonie van belangen
Nastreven van privébelangen
4. Alle economische bronnen en activiteiten zijn belangrijk
Land, kapitaal, arbeid en ondernemingsvermogen
5. Economische wetten
Comparatieve voordeel, afnemende meeropbrengsten etc.
Adam Smith
Beroemd om zijn werk ''Wealth of nations''
Belangrijkste ideeën:
1. Prijstheorie
o Arbeidsverdeling
o Prijsinformatie en determinatie
2. Kapitaalaccumulatie en het financiële systeem
3. Geschiedenis van ontwikkeling landbouw in Europa
4. Internationale handel
o Kritiek op het mercantilisme
5. Rol van de overheid
, Prijstheorie (= theorie van waarde):
- Relatie tussen waarde, kosten en prijzen:
Gebruikswaarde: praktische waarde van een product
Ruilwaarde: waarde van een product in termen van andere goederen of
diensten
- Arbeidswaarde theorie = relatieve prijzen worden bepaald door relatieve
productiekosten
Niet door rentes!
- Focus op de arbeidsproductiviteit
Verdeling van arbeid zorgt voor stijging productiviteit
- Lonen/renten/winsten gaan naar ''natuurlijke prijs'' -> terugkoppeling naar
scholastics
Natuurlijke prijs = prijs bij normale kosten
Marktprijs = prijs in de markt bij vraag en aanbod
- Excess supply: natuurlijke prijs > marktprijs
- Shortage supply: natuurlijke prijs < marktprijs
- Op LT: marktprijs > natuurlijke prijs
Productiefactoren:
Assumptie: vrije marktwerking
Lonen
- Lonen zijn vastgezet in contracten
- Lonen kunnen verschillen om niet-economische (na-)voordelen te
weerspiegelen:
Gemak of moeilijkheid van werkgelegenheid
Niveau van vertrouwen en verantwoordelijkheid
Regelmaat van werkgelegenheid
Moeilijkheid/duurheid om werkgelegenheid te leren
Waarschijnlijkheid van succes in werkgelegenheid
Fundamenteel voor compenserende loonverschillen!
Winsten
- Verschillen in risico
- Compensatie voor management en supervisie van bedrijven
Renten
- Tenant's inkomen = inkomen van de huurder
Lonen en winsten zorgen voor hoge prijzen, maar renten zijn
effecten van hoge prijzen!
Vrije markt en onzichtbare hand (invisible hand):
- Voortbrenging visie van physiocrats