Het Jongensuur – Andreas Burnier
Hoofdstuk 1: Lichtstad 1945
De ik-persoon loopt langs een privé-garage, waarin krijgsgevangenen vastgehouden werden. Het gaf
haar een gevoel van vrijheid en voor het eerst het gevoel dat 'het' voorbij was. De ik schreeuwde
dingen als "moffen" en "du wirst tot geschossen" naar de blijkbaar Duitse krijgsgevangenen, die daar
brutaal op reageren. Ze was bang dat de gevangenen weer vrijgelaten zouden worden en opnieuw
wapens gaan produceren. Onze bevrijders zijn in een nieuwe strijd tegen deze
'beroepsmoordenaars' geen partij. Oom Sem, waar ze bang voor was, was 'niet teruggekomen' en
grote delen van de stad zijn gebombardeerd.
De ik-persoon heet Simone. Ze gaat naar het sportfondsenbad, waar ze nog niet mag zwemmen
omdat het 'jongensuur' is. In eerste instantie komt ze door haar korte haar binnen, maar later moet
ze toch vertrekken omdat een jongen haar betrapt.
Thuis, aan de Bloemlaan verteld Simone over de krijgsgevangenen die ze had gezien. Het trauma
leeft nog en iedereen is het erover eens dat de Duitsers als beesten behandelt moeten worden.
Tessa, die in het huis woont, is beide ouders verloren die naar Auschwitz vervoerd waren. Haar
ouders werkten als violist en danseres, dus over muziek werd niet gesproken. Ook ging de radio na
de nieuwsberichten direct uit.
Simone voelde zich een jongen in een meisjeslichaam. Ze wou immers piloot of zeeman worden en
daar werden vrouwen geweerd. Ook de meisjeskleren en speelgewoonten en overige gedragingen
die bij vrouwen hoorden werden steeds kwellender. Ze dacht wel na over wat haar ouders ervan
zouden vinden, maar pleegdochter Tessa zou het ontstane gat opvullen. Dat ze als meisje geboren
was, zag ze als pech en er was echt een 'goede kant' en 'slechte kant'. Man zijn heeft veel voordelen.
Die worden in het boek opgesomd (pag. 18). Simone denkt aan oud klasgenoot Werner Bijl en vraagt
zich af wat er met hem gebeurd is. Door een lijst bij het Rode Kruis, waar hij ouders werken, komt ze
erachter dat hij is omgekomen in een concentratiekamp.
Hoofdstuk 2: Zanddorp 1944
Iedereen heeft honger. Via soldaten komt Simone af en toe aan iets dat nog enigszins op eten lijkt,
verder is het brood beschimmeld en het eten schaars. Vliegtuigen vliegen laag over. Later bleek dat
zij geallieerde parachutisten dropten op de weide. Simone blijkt onderduiker. In tegenstelling tot
vele anderen mag zij op het terrein van boer Victor vrij rondlopen. Haar uiterlijk was het minst
verraderlijk en iemand moest het eten naar het tuinhuis brengen.
Hoofdstuk 1: Lichtstad 1945
De ik-persoon loopt langs een privé-garage, waarin krijgsgevangenen vastgehouden werden. Het gaf
haar een gevoel van vrijheid en voor het eerst het gevoel dat 'het' voorbij was. De ik schreeuwde
dingen als "moffen" en "du wirst tot geschossen" naar de blijkbaar Duitse krijgsgevangenen, die daar
brutaal op reageren. Ze was bang dat de gevangenen weer vrijgelaten zouden worden en opnieuw
wapens gaan produceren. Onze bevrijders zijn in een nieuwe strijd tegen deze
'beroepsmoordenaars' geen partij. Oom Sem, waar ze bang voor was, was 'niet teruggekomen' en
grote delen van de stad zijn gebombardeerd.
De ik-persoon heet Simone. Ze gaat naar het sportfondsenbad, waar ze nog niet mag zwemmen
omdat het 'jongensuur' is. In eerste instantie komt ze door haar korte haar binnen, maar later moet
ze toch vertrekken omdat een jongen haar betrapt.
Thuis, aan de Bloemlaan verteld Simone over de krijgsgevangenen die ze had gezien. Het trauma
leeft nog en iedereen is het erover eens dat de Duitsers als beesten behandelt moeten worden.
Tessa, die in het huis woont, is beide ouders verloren die naar Auschwitz vervoerd waren. Haar
ouders werkten als violist en danseres, dus over muziek werd niet gesproken. Ook ging de radio na
de nieuwsberichten direct uit.
Simone voelde zich een jongen in een meisjeslichaam. Ze wou immers piloot of zeeman worden en
daar werden vrouwen geweerd. Ook de meisjeskleren en speelgewoonten en overige gedragingen
die bij vrouwen hoorden werden steeds kwellender. Ze dacht wel na over wat haar ouders ervan
zouden vinden, maar pleegdochter Tessa zou het ontstane gat opvullen. Dat ze als meisje geboren
was, zag ze als pech en er was echt een 'goede kant' en 'slechte kant'. Man zijn heeft veel voordelen.
Die worden in het boek opgesomd (pag. 18). Simone denkt aan oud klasgenoot Werner Bijl en vraagt
zich af wat er met hem gebeurd is. Door een lijst bij het Rode Kruis, waar hij ouders werken, komt ze
erachter dat hij is omgekomen in een concentratiekamp.
Hoofdstuk 2: Zanddorp 1944
Iedereen heeft honger. Via soldaten komt Simone af en toe aan iets dat nog enigszins op eten lijkt,
verder is het brood beschimmeld en het eten schaars. Vliegtuigen vliegen laag over. Later bleek dat
zij geallieerde parachutisten dropten op de weide. Simone blijkt onderduiker. In tegenstelling tot
vele anderen mag zij op het terrein van boer Victor vrij rondlopen. Haar uiterlijk was het minst
verraderlijk en iemand moest het eten naar het tuinhuis brengen.