Anatomie en fysiologie
Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel
H 6.8 Lymfevatenstelsel
H 6.9 Immuniteit
Klinische pathologie
Hoofdstuk 4 Afweer/ontsteking
H 4.1 Afweer
H 4.2 Ontsteking
H 4.3 SIRS, Sepsis en septische shock
H 4.4 HIV en AIDS
Hoofdstuk 7 Respiratie
H 7.2 Pneumonie
Hoofdstuk 8 Hart en vaten
H 8.2 Circulatoire shock (herhaling)
Hoofdstuk 14 Vochtbalans/uitscheiding
H 14.4 Urineweginfecties
Farmacologie:
Hoofdstuk 8 Antibiotica
,Anatomie en Fysiologie
6.8 Lymfevatenstelsel
Lymfevatenstelsel
- Gesloten buizensysteem dat de werking van het bloedvatenstelsel ondersteunt.
- In de lymfevaten stroomt lymfe (een heldere vloeistof).
Lymfe ontstaat in de weefsels wanneer een deel van het weefselvocht opgenomen wordt in de
lymfevaten.
Lymfoïde organen:
- Lymfeknopen
- Milt
Bestaan uit lymfatisch weefsel (reticulair bindweefsel)
Lymfoïde organen spelen belangrijke rol bij afweer van het lichaam
6.8.1 Lymfe en lymfevaten
Lymfecapillairen (lymfehaarvaten) : de fijnste haarvaten
In totaal zo rond 3,5 liter lymfe door de lymfevaten.
- Deze is grotendeels hetzelfde als die van het weefselvocht van het weefsel waar het lymfevat
zich bevindt. Samenstelling hangt af van de plaats in het lichaam. (bijv. in de darmen na
vetrijke maaltijd lymfe dan melkwitte kleur vanwege hoog vetgehalte)
Lymfecapillairen voeren lymfe af naar kleine lymfevaten, die zich weer verenigen tot grotere
lymfevaten.
- Bij toename in de diameter, komen er ook steeds meerdere lagen glad spierweefsel.
De grotere lymfevaten in armen en benen hebben kleppen.
Grootste lymfevaten:
- Ductus lymphaticus (lymfebuis)
- Truncus lympaticus (lymfestam.
Truncus lumbalis : afvoeren lymfe benen en bekkenorganen
Twee Trunci intestinales : vervoeren lymfe uit de buikorganen
Cisterna : samenkomen van de 3 bovengenoemde vaten, vanaf hier loop de lymfe naar boven
Ductus thoracicus (borstbuis)
Zie blz. 133
Lymfetransport wordt gestimuleerd door de adempomp, de hartpomp, de spierpomp en de arteriële
pomp.
6.8.2 Lymfoïde organen
Belangrijkste lymfoïde organen:
- Lymfeknopen
- De waldeyerring
- De peyerplaques
- De thymus
- De milt
Lymfeknopen (lymfeklieren): bevinden zich op plaatsen waar kleine lymfevaten overgaan op grotere
- Zijn kleine boonvormige organen die in verschillende afmetingen voorkomen.
, Waldeyerring
Waldeyerring (lymfatische keelring)
- Is een verzameling verspreid liggende gebiedjes lymfatisch weefsel op de overgang van de
mondholte en de neusholte naar de keelholte. Ze liggen als het ware in een ring
Tot de waldeyerring behoren:
- Tonsillae palatinae (gehemelteamandelen)
‘keelamandelen’
- Tonsilla lingualis (tongamandel)
- Tonsilla pharyngealis (keelamandel)
‘neusamandel’
- Lymfatisch weefsel rond de ingang van de buis van Eustachius.
Het lymfatisch weefsel van de waldeyerring ‘vangt’ bacteriën en eventuele ziekteverwekkers uit
buitenlucht, neusslijmvlies en het voedsel op.
Hierdoor kan het afweersysteem geactiveerd worden.
Peyerplaques
- Ophoping van lymfatisch weefsel die verspreid in de wand van de dunne darm liggen.
- Deze vangen ook weer bacteriën en lichaamsvreemde stoffen op.
Tymus (zwezerik)
- Speelt vooral een hele belangrijke rol in de eerste levensfasen van de mens, tot ongeveer het
begin van de puberteit. Dan heeft het orgaan zijn maximale grootte.
o Na verloop van tijd word hij weer kleiner, uiteindelijk klein vetkwabje
Bestaat uit : 2 of 3 kwabben.
- In het reticulaire bindweefsel komen grote aantallen thymocyten voor.
Tymocyten: ongerijpte bloedstamcellen die zich kunnen ontwikkelen tot T-lymfocyten. (werkzaam bij
afweer)
Milt
- Bouw van de milt komt overeen met die van een lymfeknoop, ook de werking komt overeen
Het merg, miltpulpa, is verdeeld in witte pulpa (20%) en rode pulpa (80%)
Witte pulpa:
De uit reticulumcellen gevormde lymfocyten worden aan de bloedbaan toegevoegd en werken mee
aan de afweer.
Rode pulpa:
Het bloed wordt hierin gefilterd, vandaar de rode kleur.
Milt heeft ook functie als bloedreservoir.
- Niet hele belangrijke functie, omdat milt erg klein is
6.9 Immuniteit
Het lichaam heeft 2 samenwerkende verdedigingssystemen die de aanvallen van ziekteverwekkers
meestal met succes afslaan:
- Niet- specifieke immuniteit
Aanwezig vanaf geboorte. Richt zich tegen alle mogelijke ziekteverwekkers, zonder hierin
onderscheid tussen te maken.
- Specifieke immuniteit