Blok 1: organisatie, organiseren en management
1.2.2
3 organisatiebegrippen:
Organisatie in Naarmate je beter organiseert Het tot stand brengen van de
functionele zin samenwerking, managen
Organisatie in Ontstaat er een beter doordachte Verwant met structuur, manier
instrumentele zin organisatie waarop je de organisatie inricht
Organisatie in Gaat een organisatie een eigen De organisatie als geheel, een
institutionele zin karakter vertonen instituut
1.2.3
2 manieren van coördinatie:
Markt (ruil) Onzichtbare hand
Hiërarchie (arbeidsverhouding) Zichtbare hand
Netwerken (keten, gemeenschappelijk resultaat)
Verticale integratie: samenvoeging van oorspronkelijk zelfstandige bedrijven in een bedrijfskolom.
Geeft multidivisionele structuur + hoofdkantoor.
Transactiekostentheorie: zo min mogelijk kosten boven op de prijs (efficiënt).
Keten: organisaties in een keten werken met elkaar samen. De output van de een is de input van de
ander.
1.2.4
Karl Weick, organisatietheoreticus. Organisatie is een combinatie van zinvolle routines van mensen
die samen tot een zinvol resultaat willen komen. De organisatie is niet volledig rationeel ontworpen.
Er moet eerst ‘gedaan’ worden om te zien waar verbeteringen nodig zijn. Dit is organiseren als
proces.
1.2.5
3 kenmerken van formele arbeidsorganisaties:
Er wordt werk verricht ten behoeve van een klant of opdrachtgever.
Er is sprake van specifieke doeleinden.
Relaties tussen de betrokkenen zijn formeel gedefinieerd.
1.2.6
3 manieren voor het gebruik van het begrip management:
Als activiteit
Als geheel van instrumenten (bijv. risicomanagement)
Als aanduiding voor een groep mensen
,Organisatiekunde 2024 MB0212
1.2.7
Child: alle organisaties gaan over een aantal universele componenten.
Structureel:
Basisstructuur: stabiele relaties tussen delen van de organisatie
o Hiërarchie
o Specialisaties
Procedures: manier waarop zaken in tijd zijn geordend
o Standaarden
o Roosters
o Systemen
Procesmatig:
o Integratie en coordinatie
o Beheersing en sturing
o Beloning
Grensoverschrijdend:
o Uitbesteden
o Virtuele organisatie
o Samenwerking
o Organiseren over grenzen
1.3
Fase Tijdvak Kenmerken Voorbeelden
Geen organisatieleer Tot 1900 Organiseren op basis Legers, kerken,
van traditie en recht overheidsbureaucratieën.
Moderne 1900-1950 Organisatie op basis Scientific management (Taylor),
organisatieleer van technisch ontwerp blauwdrukken (Fayol),
“hoe het moet” en rationele principes Bureaucratisch en rationeel
organiseren (Max Weber),
organisaties zijn maakbaar.
Interdisciplinaire 1950-1980 Empirisch onderzoek Aandacht menselijke factor,
academische als basis voor inzicht, Human relations en
organisatiekunde sterke invloed revisionisten (Abraham Maslow
“hoe het gaat” gedragswetenschappen + Edgar Schein),
contingentietheorie – rekening
houden met omstandigheden
(Mintzberg), Democratisering
en medezeggenschap (Pfeffer),
managers nemen niet optimale
maar bevredigende keuzes
(Simon), systeemdenken,
parallelen tussen levende
systemen en organisaties (Ton
de Leeuw).
Groei en differentiatie 1980-heden Groei en verbreding Toenemend economisch
van de academisch onderzoek, denken. Postmodernisme: niet
organisatiekunde versterking rol van 1 waarheid. Chaostheorie:
adviesbureaus, grote onverwachte. Kenniseconomie.
diversiteit in inzichten Adviesbureaus: uitwerking
bruikbare concepten,
universiteiten: empirisch
onderzoek.
, Organisatiekunde 2024 MB0212
1.4.1
Paradigma: zienswijze, manier van denken die bepaalt wat je ziet en hoe je handelt
8 organisatiebeelden/paradigma’s van Morgan:
M Machine: scientific management, mechanistisch organiseren, standaardisatie van
werkprocessen, gesloten passief systeem.
O Organisme: aanpassingsvermogen, groei en ontwikkeling.
B Brein: zelfsturing.
C Cultuur: minisamenleving met eigen normen en waarden, gewoonten en rituelen,
waarvan ook wortels in het verleden.
PS Politieke systeem: bestuur, systemen van macht en invloed rondom belangen.
PG Psychische gevangenis: gevangenis van irrationele patronen.
V Voortdurende stroom van verandering: dynamische processen die steeds hun eigen
tegendeel oproepen.
I Instrument van Overheersing: organisaties worden gezien als instrumenten in handen
van de macht.
Kleur-denken van de Caluwé en Vermaak:
Geel: politiek denken over organisaties.
Blauw: rationeel ontwerpen van structuren en procedures.
Rood: persoonlijke behoeften en motivaties.
Groen: ontwikkelen en leren.
Wit: heeft alles in zich maar geen voorkeur.
Concurrerende waarden model van Quinn:
Effectiviteit: de mate waarin organisaties hun doelen bereiken.