Werkvelden
- Basispsycholoog
- Gezondheidszorgpsycholoog richt op relatief normale psychosociale gedragsaspecten
in relatie tot ziekte en gezondheid, somatische aandoening en somatofome stoornis
- Klinisch (neuro)psycholoog klinisch psycholoog zich meer bezighoudt met afwijkend,
slecht aangepast en dus disfunctioneel gedrag.
- Psychotherapeut.
Basispsycholoog moet onder supervisie werken. Laatste drie functies zijn wettelijk geregistreerd
(Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, Wet BIG).
Doel psychodiagnostiek:
1. Onderzoeken of cliënt voor hulp aan het juiste adres is.
2. Het in kaart brengen van de aard en ernst van de psychische klachten en hoe deze begrepen
kunnen worden, kan ook later in traject als behandeling stagneert.
Doorverwijzen afhankelijk van:
- Aard en ernst van de problematiek
- Doelstelling van de instelling
- Wensen van de cliënt
Erkend verwijzer = een huisarts of medisch specialist.
Psychodiagnostisch onderzoek
5 domeinen waar de klinische psychologie zich op kan richten:
1. Het intelligentieonderzoek. Met behulp van intelligentieonderzoek kan er een beeld worden
gevormd van het niveau en de structuur van de intelligentie. Dit kan leiden tot een beter
zicht op de sterke en zwakke kanten van het intellectuele en cognitieve functioneren van de
cliënt.
2. Het persoonlijkheidsonderzoek. Het doel van een persoonlijkheidsonderzoek is om de
persoonlijkheidskenmerken in kaart te brengen. Dit onderzoek wordt bijvoorbeeld ingezet
om na te gaan of persoonlijkheidskenmerken invloed hebben op (de instandhouding van) het
klachtenpatroon.
3. Projectief onderzoek of indirecte methoden . Bij projectief onderzoek wordt getracht
gegevens te achterhalen die niet bereikt kunnen worden via zelfrapportage of
gedragsobservatie. Vaak is de taak die bij projectief onderzoek gebruikt wordt relatief
ongestructureerd en is de bedoeling van de taak weinig duidelijk voor de cliënt.
, 4. Het neuropsychologisch onderzoek. Neuropsychologisch onderzoek wordt ingezet wanneer
de vraag zich richt op het in kaart brengen van de hogere cognitieve functies, zoals de
aandacht, het geheugen, de taal, de motoriek en de perceptie.
5. Het probleemgericht onderzoek. Bij probleemgericht onderzoek worden de klachten nader
onderzocht of wordt gescreend of er sprake is van andere relevante klachten die niet eerder
aan de orde kwamen.
Syndromen = disfunctionele gedragsclusters
Hoofdstuk 2 – diagnostische cyclus in praktijk van klinische en gezondheidspsychologie
Het hypothesetoetsend model
Stap 1: Klachtenanalyse
Beeld krijgen van hulpvragen en klachten, de manier waarop de cliënt daar zelf tegenaan
kijkt, dit samenvatten en op een rijtje zetten
Daarna duidelijkheid geven over wat de cliënt kan verwachten, werkwijze, nagaan of de
cliënt daarmee in kan stemmen, kan je client wel/niet verder helpen.
Aandachtspunten: transparantie werkwijze, houdt rekening met subjectiviteit aanmelder, interne
consistentie, consensus hulpvraag en interpretatie problemen, wijs op cyclisch proces: mogelijkheid
nieuwe vragen
Stap 2: Probleemanalyse
In deze fase wordt de onderzoeksopzet of het diagnostisch scenario bepaald.
In kaart brengen van de geschiedenis, relevante gedragingen en omgevingsfactoren door
middel van een interview, een (hetero)anamnese, dossieronderzoek en observatie van de
cliënt
Richting bepalen van het diagnostisch onderzoek: onderzoeksopzet opstellen of diagnosisch
scenario bepalen
het vergroten van inzicht in de hulpvraag op basis van kennisbestanden (normgegevens van
meetschalen, thoretische modellen over determinanten van bepaalde problematiek,
empirische studies enzovoort)
Opstellen onderzoeksvragen (wetenschappelijk onderbouwd)
Aandachtspunten: Formuleer gedrag of situaties samen met cliënt/opdrachtgever en sluit aan bij
klachtenanalyse, ga na of empirische kennis voorhanden is om bij aan te sluiten, gebruik bestaande
classificatiesystemen.
,Stap 3: Verklaringsanalyse
vertalen van de onderzoeksvragen in wetenschappelijke hypothesen
bepalen van de toetsbare constructen voor elke hypothese
kiezen van methoden, instrumenten en criteria voor het toetsen van de hypothesen
voorbereiding en uitvoering van het onderzoek
vaststellen of de hypothesen in overeenstemming zijn met de vastgestelde toetscriteria
omzetten van ruwe scores naar genormeerde scores en betrouwbaarheidsintervallen van
ruwe scores berekenen
verwerpen danwel aannemen van de gestelde hypothesen
integratie van de onderzoeksuitkomsten, hou rekening met eerder gestelde
onderzoeksvragen en hypothesen
Aandachtspunten: objectiviteit, kennis onderzoeksmiddelen, psychometrische eisen van test
voldoende (objectiviteit, betrouwbaarheid, validiteit),
Stap 4: Indicatieanalyse
Beslissen aanpak, inzicht in de behandelmogelijkheden (voor- nadelen, kosten e.d.)
Formuleren van een advies en voeren terugkoppelingsgesprek
rapportage van de onderzoeksuitkomsten, de aanbevelingen ed. Verslag moet integraal
antwoord zijn op hulpvraag.
Aandachtspunten: gebruik literatuur voor interventies, raadpleeg sociale behandelingskaart, houdt
rekening met (contra-)indicaties
, 5 categorieën hulpvragen
Onderkennende vragen: In kaart brengen kenmerken/ problemen.
Heeft mijn kind dyslexie? Ben ik te afhankelijk van positieve feedback van anderen?
Verklarende vragen: Het ‘waarom’.
Hoe komt het dat ik, ook nu ik een fijne relatie heb, nog zoveel last heb van
stemmingswisselingen? Waarom voel ik mij zo onzeker over mijn prestaties?
Verklarende condities
- Inducerende conditie: hierdoor ontstaat klacht/ kenmerk
- Continuerende conditie: houdt het in stand
Verschillende verklarende factoren
- Predisponerende factor: grotere kans (bijv. erfelijk, eerder depressie gehad)
- Luxerende factor: daadwerkelijk ontwikkelen van (de trigger)
- Onderhoudende factor: houdt het in stand (bijv. vermijdende coping)
Indicerende vragen : Welke stappen om doel te bereiken.
Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik me minder neerslachtig en vitaler ga voelen? Hoe kan ik leren
omgaan met faalangst?
Predictieve vraagstellingstype = tussenstap: voorspellen van verschillende opties
Selecterende vragen : Hulpvraag niet vanuit persoon, maar vanuit conditie.
Welke cliënt is het meeste gebaat bij deze groepsinterventie? Welke leerling is gebaat bij het
doorlopen van het online advies tegen pesten?
Toewijzende vragen: beslissing voor één specifiek persoon.
Past deze zeer specifieke behandelingsmogelijkheid bij deze cliënt?