vaardigheidsexamen
bestuursrecht
Verdiepende kennis examen
1.1De kandidaat onderbouwt of een handeling van de overheid valt onder de
bevoegdheden van de wetgevende, uitvoerende of rechtsprekende macht.
Er zijn drie overheidstaken; Wetgeving, bestuur en rechtspraak. Deze drie machten
moeten onafhankelijk zijn van elkaar omdat alleen op die manier het land goed
geregeerd kan worden. Deze machtenscheiding heet: Trias Politica.
Trias Politica:
Rijk Provincie Gemeente
Wetgevende Eerste & tweede Provinciale Staten Gemeenteraad
macht kamer
Uitvoerende macht Regering (Koning Gedeputeerde College van
& ministers) Staten Burgemeester &
Wethouders
Rechtsprekende Hoge Raad Gerechtshof Rechtbank
macht
1.2De kandidaat beoordeelt of een bestuursorgaan onder de bestuurslaag
rijk, provincie of gemeente valt, dan wel een zelfstandig bestuursorgaan is.
Zie het schema hierboven.
1.3De kandidaat onderbouwt of er in een situatie sprake is van autonomie of
medebewind.
Autonomie: Een lage overheid werkt zelfstandig aan taken (Art. 124 lid 1 GW).
Provincies en gemeenten hebben hun eigen taken en bevoegdheden. Die berusten op de
Grondwet, Provinciewet en de Gemeentewet.
Medebewind: Een lage overheid werkt mee aan het uitvoeren van de taken en
verplichtingen van de landelijke overheid. (Art. 124 lid 2 GW).
, 2.1 De kandidaat onderbouwt voor een situatie op grond van welke wettelijke
bepaling een overheidsorgaan mag optreden (legaliteitsbeginsel &
specialiteitsbeginsel).
Het legaliteitsbeginsel houdt in dat bevoegdheden van de overheid altijd hun basis
moeten vinden in de wet (wettelijke grondslag).
Het specialiteitsbeginsel geeft aan dat een bestuursorgaan een bevoegdheid alleen mag
uitoefenen voor het doel waarvoor de wet deze bevoegdheid geeft (doel gebonden).
2.2 De kandidaat onderbouwt voor een situatie of er sprake is van een wet in
formele zin en/of een wet in materiële zin.
Een wet in materiële zin is een elk algemeen verbindend voorschrift. Hier moet een
ieder zich aan houden. Met de wet in materiële zin gaat het om de inhoud van een wet.
Wet in formele zin gaat in op de procedurele regels van de wet. Dit zijn overheidsregels
die zijn gemaakt door de regering en de Kamers.
2.3 De kandidaat beoordeelt of een beslissing van een bestuursorgaan een
beschikking, een algemeen verbindend voorschrift of een besluit van
algemene strekking is.
Beschikking;
- Dit is een besluit
- Komt van een bestuursorgaan
- Gericht op: 1. Een individueel persoon of een gesloten kring persoon 2. Een concrete
zaak
- Art. 1:3 lid 4 AWB
Algemeen verbindend voorschrift;
- Heeft een algemene strekking
- Is verbindend
- Stelt een rechtsnorm vast
Besluit met algemene strekking;
- Dit zijn algemeen verbindende voorschriften
- art. 1:3 lid 4 AWB beleidsregels
- Plannen
3.1 De kandidaat onderbouwt voor een situatie op basis van een algemeen
principe welke wettelijke regeling van toepassing is (hoge regelgeving