1. Trias politica in Nederland
-De grondlegger is Charles Montesquieu.
-3 Machten die gescheiden moeten worden:
De wetgevende macht regering (koningin en ministers) en de Staten-
Generaal (1ste en 2de kamer).
De uitvoerende macht regering, provincies en gemeenten.
De rechtsprekende macht rechters
-De kern van de machtenscheiding was dat de drie machten elkaar konden
controleren. Het is niet mogelijk dat 1 macht de overhand krijgt.
2. Politieke stromingen
Huidige stromingen:
Christendemocratie heeft zijn grondslag in het christelijke denken over
sociale en economische verhoudingen. Gemeenschapszin, rentmeesterschap
en zorg voor naasten vormen de kernwaarden.
Sociaaldemocratie staat voor kapitalisme (=maatschappelijk systeem
waarbij bedrijven in het bezit van mensen zijn en niet van de staat, met alle
economische effecten daarvan) met een uitgebreid stelsel van sociale
zekerheid. Er wordt gestreefd naar een egalitaire (=gelijke) samenleving en is
gericht op de verbetering van de sociaaleconomische positie van de lage- en
middenklasse.
Liberalisme hierbij ligt het belang bij vrijheid. De hoogste vorm van vrijheid
is volgens liberalen de individuele vrijheid.
Neoliberalisme zijn gericht op marktwerking, een kleinere overheid en
vrijheid op het gebied van handel en internationaal kapitaalverkeer.
Neonationalisme stelt het belang van de natiestaat en zijn oorspronkelijke
inwoners voorop. Het neonationalisme ziet globalisering (=dat steeds meer
landen en regio's deelnemen aan de internationale handel) en immigratie als
bedreiging.
Populisme Is een verzamelnaam voor verschillend politieke bewegingen. Er
wordt onderscheid gemaakt tussen links-populisme en rechts-populisme.
Deze bewegingen zetten zich af tegen de heersende klasse.
Ecologisme en Groene Politiek het ecologisch model is een
maatschappelijk-politieke stroming die de mens als onderdeel van een groter
ecosysteem ziet. Het is van belang om het milieu te beschermen en te
verbeteren voor zowel mens als natuur.
Historische stromingen
Liberalen aanhangers van partijen die streven naar een grote mate van
vrijheid voor het individu.
Conservatieven aanhangers van partijen die zich keerde tegen een te grote
volksinvloed op het bestuur.
Antirevolutionairen aanhangers van partijen die zich keerde tegen de
ideeën van de Franse Revolutie (vrijheid, gelijkheid en broederschap). De
overheid ontleende haar gezag volgens de antirevolutionairen niet aan het
volk, maar aan God.
Katholieken aanhanger van de rooms-katholieke godsdienst.
3. Verkiezingen – hoe werkt het?