Een sociaal wetenschappelijk onderzoek moet aan de volgende eisen voldoen:
1. Betrouwbaarheid
2. Validiteit
3. Representativiteit
4. Generaliseerbaarheid (validiteit)
Betrouwbaarheid = de mate waarin een bron zich op feiten baseert.
Validiteit = hoeverre de meting van het beoogde verschijnsel geldig is en overeenkomt met
de werkelijkheid.
Interne validiteit = hoe het onderzoek is opgezet en is het goede meetinstrument gebruikt?
Externe validiteit = gaat over de generaliseerbaarheid van de resultaten
→ Als het onderzoek niet betrouwbaar is, zijn de resultaten ook niet valide.
Representativiteit = de steekproef weerspiegelt de beoogde populatie en niet maar 1 deel
daarvan. Iedereen moet dezelfde kans hebben gehad om in de steekproef terecht te komen.
Generaliseerbaarheid = als je de uitspraken/resultaten van een onderzoek kunt
generaliseren naar een andere groep of omstandigheid.
Steekproef = een groep respondenten waarop het onderzoek is gebaseerd, het is een
uittreksel van een populatie. De populatie is de groep waarover men een uitspraak na het
onderzoek wil doen.
De steekproef is aselect als iedereen in de populatie dezelfde kans heeft gehad om in de
steekproef terecht te komen. Er is geen selectiecriterium toegepast.
Objectief = iets onafhankelijk van eigen voorkeuren beschrijven of analyseren.
Subjectief = wanneer iemand vanuit een eigen, persoonlijk standpunt redeneert.
Maatschappelijke verschijnselen = processen en situaties die zich in de samenleving
voordoen.
2 soorten onderzoeksvragen:
1. Beschrijvende vragen: het doel is om meer te weten. Vragen beginnen met wanneer,
hoeveel, hoe en welke.
2. Verklarende vragen: het doel is om verbanden te verklaren. Vragen beginnen met
waarom en waardoor.
2 soorten onderzoek:
1. Kwalitatief: zaken die niet te kwantificeren zijn, het draait vooral om
achterliggende beweegredenen. Cijfers zijn minder belangrijk. → interview
2. Kwantitatief: zaken die kwantificeerbaar en telbaar zijn → enquête
,Meetinstrumenten om onderzoek gegevens te verzamelen:
- Enquête = worden afgenomen in grotere aantallen en zijn minder persoonlijk.
- Interview = zijn vaak persoonlijker en face-to-face.
- Observatie = dit is een goede methode voor een onderzoek naar het gedrag van
mensen.
- Experiment = personen worden willekeurig ingedeeld, gelijk houden van 2
onderzoeksgroepen in belangrijk!
- Meta-studie = de onderzoeker analyseert bestaande data en trekt daar conclusies uit
of maakt een vergelijking tussen verschillende onderzoeken. Het doel hiervan is om
met meer zekerheid iets te kunnen zeggen over een bepaald effect.
Sociaal Wetenschappelijk experiment = het gedrag van een proefpersoon wordt gemeten
in een gecontroleerde omgeving. Mensen onderzoeken hiermee een specifieke hypothese
en sluiten alle factoren die mee kunnen spelen uit.
Belangrijke sociaal wetenschappelijke meetinstrumenten:
- Enquêtes
- Interviews
Respondenten = Personen die meedoen aan een wetenschappelijk interview of een
enquête
Operationaliseren = meetbaar maken van een onderzoek
Empirisch onderzoek = onderzoek dat eigen directe waarnemingen gebruikt.
Kans = de waarschijnlijkheid dat een bepaalde gebeurtenis zal optreden.
Variabele = kenmerk van een object, actor of samenleving dat kan variëren.
Afhankelijke variabelen = wordt beïnvloed door 1 of meer onafhankelijke variabelen.
Onafhankelijke variabele = een variabele die als oorzaak wordt gezien van het veranderen
van een andere variabele
Verstorende variabelen = verstoren verband tussen onafhankelijke en afhankelijke
variabele (schijnverband). De onafhankelijke en afhankelijke variabele hebben niks met
elkaar te maken. Er is dus geen verband tussen de onafhankelijk en afhankelijke variabele,
maar tussen de verstorende en afhankelijke variabele.
Interveniërende variabelen = verklaren het verband tussen onafhankelijke en afhankelijke
variabelen. De onafhankelijke en afhankelijke variabelen worden beïnvloed door deze
variabele.
Indicatoren = hiermee maak je een variabele meetbaar op een bepaald niveau
Conceptueel model = de onafhankelijke en afhankelijke variabele met een pijl (met een
plusje of minnetje als verband) er tussen.
Hypothese = een toetsbare stelling en is een veronderstelling van hoe de werkelijkheid in
elkaar zit (kan worden aangenomen of verworpen).
Correlatie = samenhang tussen variabelen
Negatieve correlatie als de ene variabele minder wordt en de ander toeneemt.
Causaliteit = oorzakelijk verband tussen twee variabelen
Significant = het is onwaarschijnlijk dat de resultaten op toeval gebaseerd zijn.
Multicausaliteit = veel factoren spelen tegelijk maar de vraag is welke er werkelijk toe doen.
Schijncausaliteit = als 2 variabelen die niets met elkaar te maken hebben toch correleren.
, DOMEIN B - VORMING
Enkele belangrijke vragen die hierover gesteld kunnen worden, zijn:
- Hoe ontwikkelen mensen een eigen identiteit?
- Wat bepaalt de identiteit van mensen?
- Hoe worden mensen gevormd tot leden van een samenleving.
Cultuuroverdracht gebeurt soms via bewuste en bedoelde processen zoals scholing. Dit
gebeurt vaak via alledaagse interacties.
Socialisatie verloopt vaak via identificatie: mensen leren door het perspectief en het
gedrag over te nemen van iemand op wie zij menen te lijken of op wie ze willen lijken.
Bij de vorming van identiteit is er een brug tussen zelfbeeld en groepslidmaatschap: in de
interactie met anderen wordt iemand gevormd tot wie die is.
Socialisatie draagt ook bij aan cultuurverandering omdat het ook gaat om het verwerven
van een cultuur.
Socialisatie betekent niet dat iedereen in een cultuur hetzelfde denkt, vindt of doet. Voor
iedereen is socialisatie anders.
Via socialisatie krijgen mensen ook stereotypen en vooroordelen overgedragen: dit zijn
cultureel aangeleerde beelden, generalisaties en veronderstellingen van bv bepaalde
groepen mensen. Dit leidt tot snelle en soms incorrecte oordelen over anderen.
Het verloop van socialisatieprocessen is sterk milieu afhankelijk → sociale
ongelijkheid.
Verschillende soorten kapitaal waardoor sommige meer hebben dan anderen:
- Economisch kapitaal: bezit of een hoog inkomen
- Sociaal kapitaal: connecties, netwerken en mate van respect
- Cultureel kapitaal: kennis, houding, opvattingen en smaak die zorgen voor hoge
sociale posities.
Alle vormen van kapitaal spelen een sterke rol tijdens socialisatie.
2 vormen van socialisatie:
- Enculturatie → aanleren en verwerven van cultuur waarin je bent geboren
- Acculturatie → aanleren en verwerven van andere cultuur
Socialisatie is ook belangrijk voor de gedragsregulatie. Doordat mensen normen en
gedragspatronen internaliseren, wordt het gedrag van anderen beter voorspelbaar en het
samenleven overzichtelijker.
Socialisatie heeft dus verschillende functies:
1. Continuering van een (sub) cultuur
2. Verandering van een (sub) cultuur
3. Identificatie van het individu met anderen, met een groep en een (sub)cultuur en het
besef van groepslidmaatschap van het individu.
4. Identiteitsontwikkeling van het individu
5. Gedragsregulatie van het individu