Biomoleculen
- Biomoleculen worden ook wel polymeren genoemd bestaat uit
een aaneenschakeling van monomeren
- Dehydratiereactie (water komt vrij bij vorming van binding) en
hydrolyse (water is nodig om de binding te breken)
Koolhydraten – suikers / sachariden
- Monosacchariden vormen losse units om samen complexere
koolhydraten te maken
- Bekendste monosacchariden zijn ribose, glucose, galactose en fructose
- Ribose = pentose suiker van het RNA
- Monosachariden zijn in water oplosbaar vanwege -OH groep en polaire eigenschap
Om de monosacchariden in te delen wordt er gekeken naar twee kenmerken:
1. Carbonylgroep ( =O groep) bevindt zich in het midden (ketoses) of uiteinde (aldoses)
2. Hoeveelheid C-atomen die zich in lineair monomeer voorkomen.
3 C-atomen = trioses; 5 C-atomen = pentose; 6 C-atomen is Hexose
Structuur van koolhydraten
- In een waterige oplossing een ringstructuur die vormt.
C-atoom 1 bindt aan de O-groep van C-atoom 5
- Ringstructuur van glucose 2 soorten: alfa-glucose en
beta-glucose hydroxygroep boven of onder de ring
- OH-groep aan eerste C-atoom = Trans-arrangement =
alfa-glucose (helical). Gedraaid molecuul, zoals zetmeel vanwege
het gebruik van alfa-1,4 linkage
- OH-groep die boven en onder de OH groep zit = cis-arrangement
= beta-glucose (straight). Recht molecuul vanwege het gebruik
van beta-1,4 linkage
Polysachariden
- Zetmeel in planten dient als energievoorraad, zoals aardappels,
- Glycogeen is energievoorraad in dieren
- Chitine vind je in celwand van schimmels en exo-skelet van insecten + kreeftachtige
wat zorgt voor stevigheid
- Cellulose vind je in de celwand van planten
,Lipiden – vetten (3 soorten)
1. Vetten/triglyceriden vind je in boter/olie om mee te koken.
- Onoplosbaar in water, wel in organische oplosmiddelen
- Heterogene groep van koolwaterstof bindingen. Lange
vetzuren dus hydrofoob
- Triglyceriden opgebouwd uit glycerol + 3 vetzuren verzadigd
en onverzadigd
- Onverzadigde vetzuurketen heeft dubbele binding en dus
gebogen
- In de natuurlijke oliën bijna altijd cis-onverzadigde vetzuren
2. Fosfolipiden vind je in dubbelmembranen met hydrofiele kop en hydrofobe staart
- Koppen staan naar buiten en staarten naar binnen (geen
interactie met H2O)
- Bevatten een glycerol + 2 vetzuren en een fosfaatgroep
- Aan de fosfaatgroep vaak een geladen of polaire groep
zorgt voor diverse soorten
3. Steroïden herken je vanwege de 4 ringen (bijv. cholesterol)
- Cholesterol is een vetachtige stof die de kans op hart en vaatziekte kan verhogen,
maar ook een cruciale rol in het vloeibaar houden van celmembraan dierlijke cellen
- Cholesterol is erg belangrijk als bouwstof in celmembranen. De vloeibaarheid blijft in
balans.
Onverzadigde vetten: vloeibaarheid membraan groter
Verzadigde vetten: vetzuren dichter tegen elkaar aan
- Hoge temperatuur: bewegingen beperken; lage temperatuur: membraan kan niet
verharden.
Functie van lipiden
- Energie: 1 gram vet is ongeveer 2x meer energie als in koolhydraten
- Hormonen en steroïden hebben regulerende/signalerende functies
- Opbouw van membranen vanwege fosfolipiden grens tussen cel en omgeving
Alle organellen hebben membraan, anders is het geen cel organel maar celonderdeel
Eiwitten
- Opgebouwd uit 20 aminozuren veel verschillende functies en soorten
- Peptide binding aanwezig binding tussen twee verschillende aminozuren
- Opbouw aminozuur is een C-atoom in het midden met 4 verschillende groepen:
1. aminogroep
2. carboxylgroep
3. H-atoom aan de onderkant
4. Restgroep waardoor aminozuren worden ingedeeld (zie laatste pagina)
- Het polypeptide moet ook juist gevouwen worden om functioneel te zijn
, Eigenschappen van eiwitten
Eiwitten zijn oplosbaar in water afhankelijk van:
- Welke aminozuren er aanwezig zijn (apolair of polair)
- Wel of geen geladen aminozuren. Lading is afhankelijk van de pH
- Polaire restgroepen aan de buitenkant makkelijker oplosbaar
Eiwitstructuur: 4 verschillende structuren
1. Primaire structuur: aminozuur sequentie van het eiwit
2. Secundaire structuur: waterstofbruggen aanwezig. Alfa-helixen en beta-sheets
3. Tertiaire structuur: interacties met zijketens van aminozuren. Ook hydrofobe
interacties, vdw-krachten, ion bindingen en covalente bindingen (en
disulfidebindingen). Eiwit is hierna gevouwen
4. Quartaire structuur: polypeptideketens kunnen een reactie aangaan met elkaar
Backbone = NCCNCCNCC
GFP: geen fluorescent protein
- Makkelijk te koppelen aan andere eiwitten
- Via GFP te bekijken waar het eiwit zich bevindt fluorescerende eigenschappen
- Te gebruiken als reporter eiwit: aanstralen met blauw emissie van groen
Nucleïnezuren – erfelijk materiaal van de cel (DNA/RNA)
- Polymeren van nucleotiden (= monomeer) en bestaat uit 3 onderdelen
1. Fosfaatgroep
2. Stikstofbase
3. Suiker (pentose, dus 5 C-atomen) Deoxyribose (DNA) of
Ribose (RNA)
Let op: purines hebben twee stikstofringen terwijl pyrimidines er maar eentje
hebben
Baseparen die tegenover elkaar staan (T en A en G en C) vormen
- Waterstofbruggen. TA = 2 H-bruggen en GC = 3 H-bruggen
- Er zijn meerdere nucleotide strengen, waarbij er dan diverse
nucleotiden aan elkaar geschakeld zitten met fosfodiesterbindingen
ertussen.
- Aan het 3’ einde zit een OH-groep en aan het 5’ einde zit een fosfaatgroep
- Nucleïnezuren zijn oplosbaar in water DNA negatief geladen vrije
zuurstofatomen in de fosfaatgroep