H11: Diagnostiek van aangrijpingspunten (IV); registraties
11.1
Registraties: Het bijhouden van wanneer, onder welke omstandigheden, hoe vaak en hoe
heftig problemen voorkomen en hoe hij daarmee omgaat en wat hij ermee zou willen doen. 3
typen tijdens diagnostiekfase:
1) Frequentie- en tijdsduurregistraties.
2) Registraties rond voorkomen en bezinning.
3) Het gedachterapport.
11.2; algemene kenmerken van registratieopdrachten
Twee doelen van registratieopdrachten zijn informatie verzamelen om de aard, ernst en
frequentie van de problematiek te verhelderen. Het tweede doel is om patiënt te stimuleren om
bewust te worden van problemen en het oplossen daarvan. Registratie kan ook zijn doel
voorbijschieten wanneer het te veel tijd kost/te ingewikkeld is; drop-out.
Effect op klachten: reactiviteit Een (tijdelijke) daling van het aantal keren dat de klacht
voorkomt. Of juist toename van klachten, vaak neemt de klacht niet echt toe maar wordt de
patiënt er bewuster van.
Wanneer je het zelf niet kan registreren, kunnen ouders/partners/verpleging dat doen. Bv.
kinderen, zwakbegaafden, dementerenden of verwarde patiënten.
- Vuistregel bij registraties: Degene laten registreren die het meeste last heeft van een
bepaald problematisch gedrag of de gevolgen daarvan.
Vertrekpunt van registraties: Klachten, wat er verkeerd gaat. Vooral aan het begin van de
behandeling.
Toch is het registreren van positieve gebeurtenissen ook nuttig men blijkt daar gelukkiger
van te worden, doordat je meer oog krijgt voor het positieve (minst negatieve mag ook).
Culturele archetype van psychotherapie: Lange behandelingen, liggend op een bank waar
je praat over je zorgen en waar die vandaan komen. Het past nog niet bij dit beeld dat veel
behandelingen kortdurend zijn en dat er actieve inzet wordt verwacht van patiënten.
Een uitleg hierover en over de registraties is belangrijk voordat patiënten willen gaan
registreren. Het is belangrijk om de registraties te bespreken en wanneer dit niet gedaan wordt
dan moet dit worden benoemd als uitzondering.
11.3: frequentie- en tijdsduurregistraties
Frequentie- en tijdsduurregistraties: Worden gebruikt om inzicht te krijgen op de baseline
(hoe vaak komt gedrag voor?). Wanneer je hier zicht op hebt kan je pas de frequentie/duur
van bv. dwanghandelingen gaan verminderen.
, De meest voor de hand liggende methode is (een variant van) turven, wanneer het beter in
minuten te meten is dan registreer je de duur van een bepaalde gedraging (bv. met stopwatch).
Wanneer bepaald gedrag echt heel vaak voorkomt kan je schatten, plan dan vaste tijden in
wanneer je noteert hoe vaak je het gedrag hebt uitgevoerd in de afgelopen paar uur. De
volgende therapiesessie worden de dag totalen in een grafiek gezet. De grafiek kan worden
gebruikt om dagelijkse doelen te stellen.
Stappenplan voor tijdsduur- en frequentieregistraties:
1) Selecteer een probleemgedrag (R), problematisch gevoel (CR) of problematische
situatie (CS).
2) Kies een registratie-instrument (stopwatch, iPad, pen en papier, etc.).
3) Kies een registratieperiode (continu, bepaalde periodes, boven bepaalde intensiteit).
4) Patiënt noteert dagelijks de ‘dagscore’.
5) Therapeut verwerkt dagscores in een grafiek.
11.4: registraties rond voorkomen en bezinning
Registraties rond voorkomen en bezinning: Om erachter te komen in welke
omstandigheden bepaalde problemen zich voordoen en wat de patiënt moeilijk vond aan de
situatie (b)/wat de patiënt liever had gedaan of gedacht (a).
Gedragsalternatieven: De patiënt kan naar alternatieven van het huidige gedrag zoeken door
de ‘wat anders-vraag’ te stellen.
Stappenplan voor registratie + bezinning:
1) Bepaal beginpunt registratie (problematisch gevoel, situatie of gedrag); wat was er aan
de hand, en wat heb ik eraan gedaan?
2) De patiënt noteert dit en bezint zich op een een van de volgende vragen: ‘Ben ik
tevreden over mijn reactie?’ (Variant A; onvrede eigen gedrag). ‘Wat in de situatie was
voor mij problematisch?’ (Variant B; problematische betekenisverlening).
3) A- Bij onvrede over eigen gedrag: patiënt bedenkt wat hij liever zou hebben gedaan.
B- Bij problematische betekenisverlening: ‘Hoe kan ik beter naar deze situatie
kijken?’.
4) A- Indien goede reactie is bedacht maar niet uitgevoerd: Wat heeft tegengehouden?
Belemmeringen verder analyseren en bewerken.
B- Indien juiste zienswijze niet kan worden vastgehouden; disfunctionele en
functionele zienswijze verder analyseren en bewerken.
11.5: Het gedachterapport (fase 1)
Het gedachterapport kan in twee delen worden verdeeld; het eerste deel is de feitelijke
registratie, de patiënt moet problematische situaties helemaal uitrafelen. Daarbij wordt de