College 1 - Zorg in regulier en speciaal onderwijs
Vroeger was er in Nederland voor elk type problematiek een school opgericht. In de loop
van de tijd werd er steeds meer toegewerkt naar een vorm van inclusief onderwijs.
Inclusief onderwijs: meer leerlingen met bepaalde problemen recht hebben op het
regulier onderwijs. Dit begon met het Weer Samen Naar School akkoord (1990):
samenwerkingsverbanden met als doel om het aantal leerlingen in speciaal onderwijs te
stabiliseren, omdat er alleen maar groei was. In 1998 worden deze
samenwerkingsverbanden geformaliseerd, onderwijstypen worden samengevoegd: In
Onderwijs Bedreigde Kleuters, Leer- en Opvoedingsmoeilijkheden & Moeilijk Lerende
Kinderen werden samen Speciaal Basis Onderwijs. Dit om het terugdringen van de
omvang van speciaal onderwijs. Samenwerkingsverband: 1 of 2 SBO-scholen met een
groep reguliere basisscholen. Ambulant begeleider SBO geeft zorgstructuur in
samenwerkingsverband vorm als continuüm van zorg.
Wet op de Expertise Centra (WEC) & Regeling: 17 typen speciaal onderwijs
ingedeeld in 4 regionale expertisecentra (clusters), leerlingGebonden Financiering
(rugzakje), positie zorgleerlingen (kinderen met rugzakjes) in regulier onderwijs is
verbeterd. Doelen: ouders meer zeggenschap + vergroten keuzevrijheid, vergroten
integratie, terugdringen omvang speciaal onderwijs (niet gelukt). Taken regionale
expertisecentra: verzorgen van speciaal onderwijs in de regio, ambulante begeleiding
bieden aan reguliere scholen & commissie voor Indicatiestelling. Voorbeeld regionaal
expertisecentra: RENN4 -> scholen voor SO
en VSO-cluster 4 in Friesland, Groningen en
Drenthe. Heeft als taak om kennis &
begeleiding aan regulier onderwijs te bieden
die kinderen met een beperking aannemen.
Clusters: 1=visuele handicap, 2=auditieve &
communicatieve handicap, 3= lichamelijke &
mentale/meervoudige handicap (ook voor
langdurig zieke kinderen), 4= psychiatrische
en/of gedragsproblemen. OPDC:
schakelscholen.
Elk samenwerkingsverband had een eigen Permanente Commissie Leerlingenzorg.
Deze was verantwoordelijk voor de toelating tot SBO. Werkte niet met criteria en er
waren nogal wat regioverschillen. Toelating tot SO werd geregeld door Commissie van
Indicatie: landelijke criteria, ouders kunnen zelf de keuze maken voor een speciale of
een reguliere school (met rugzakbegeleiding). Om in aanmerking te komen voor SO
of rugzakbegeleiding waren er criteria: beperking of stoornis, beperking van de
onderwijsparticipatie (ondervonden belemmering van stoornis), ontoereikende
zorgstructuur (geen of weinig vooruitgang ondanks half jaar hulp met handelingsplan).
Kritiek op het functioneren van de WEC:
Accent ligt op kindkenmerken (niet op onderwijsbehoeften, niet handelingsgericht)
Vanuit de overheid: openeindfinanciering, er waren geen grenzen gesteld aan
de hoeveelheid geld die uitgegeven zou worden
Classificatiesystemen staan centraal (niet betrouwbaar/valide-> labelling)
Schijnexactheid/absolute criteria/schijn-objectiviteit (regionale verschillen)
Voorschrift instrumentarium (schiet doel voorbij)
Verschillende interpretatie van ‘beredeneerde afwijking’ (regio’s mochten
afwijken)
Diverse overlappingen tussen clusters. Weinig samenwerking tussen clusters.
Conclusie evaluatie wet: positie van zorgleerlingen binnen het regulier onderwijs is
verbeterd, maar het speciaal onderwijs blijft groeien.
,Alternatief WEC: indicatiesysteem dat uitgaat van onderwijsbehoeften van de leerling.
In aansluiting daarop: scholen met eigen, helder gespecificeerd onderwijszorgaanbod.
Regionale organisatie en financiering ->
2014: Passend Onderwijs. Zorgplicht, een
passende onderwijsplek voor alle leerlingen.
Verschil met inclusief onderwijs: regulier
als het kan, speciaal als het moet. Dus niet
volledig inclusief onderwijs, want hierin
bestaat geen speciaal onderwijs.
Zorgplicht: scholen moet een passende
onderwijsplek bieden aan alle leerlingen, dus
ook aan leerlingen die extra ondersteuning
nodig hebben. Indien scholen daartoe
onvoldoende mogelijkheden zien, zijn zij
verantwoordelijk voor het vinden van een
andere (reguliere/speciale) school die de
extra ondersteuning wel kan bieden. Zorgplicht gaat in wanneer extra
ondersteuning voor leerling nodig is, geldt voor: ingeschreven leerlingen en voor
leerlingen die zijn aangemeld, ook bij aanmelding leerling die elders al is ingeschreven en
daar extra ondersteuning krijgt. Geldt niet wanneer: je mag leerlingen weigeren als er
geen plaatsruimte is (volverklaring), ouders weigeren grondslag school (religie) & leerling
is niet geschikt om dit type onderwijs te volgen (ouders melden kind bijv. op havo school
aan maar heeft als advies praktijkonderwijs).
Met het invoeren van PO zijn de landelijke criteria vervallen. Gevolg hiervan is dat
regionale verschillen groter zijn geworden. ToeLaatbaarheidsVerklaring: nodig voor
plaatsing SO, SBO & VSO. Zijn landelijk geldig (op die van het SBO na). Rol van de
ouders is naar de achtergrond gedrongen bij invoering van PO, het is nu aan school om
te bepalen of een kind past of niet.
Basisondersteuning (het door het samenwerkingsverband afgesproken geheel van
preventie en licht curatieve interventies die binnen de onderwijsondersteuningsstructuur
van de school planmatig en op een overeengekomen kwaliteitsniveau, eventueel in
samenwerking met ketenpartners, wordt uitgevoerd) is vastgelegd in het
schoolondersteuningsprofiel, schoolondersteuningsprofielen vastgelegd in
ondersteuningsplan. Als het niveau van basisondersteuning hoog is, dan kan een school
veel kinderen met beperkingen opnemen. Lager niveau: meer verwijzingen naar
speciaal onderwijs. Extra onderwijsondersteuning: alle vormen van
onderwijsondersteuning die de basisondersteuning overstijgen, vastgelegd in een
ondersteuningsplan.
Kernelementen van het wettelijk kader PO zijn: zorgplicht, de niet vrijblijvende
samenwerking tussen schoolbesturen (samenwerkingsverband)& budgetfinanciering
(i.p.v. open eind).
Doelgroep SBO: leerlingen met een verlaagd IQ i.c.m. werkhoudings- en/of
gedragsproblemen, maar niet zo zwaar dat ze naar SO moeten. Er zitten regionale
verschillen tussen SBO’s.
College 2 – Rekenen 1
Rijgprocedure: eerste getal laten we heel, dan trekken we de tientallen er vanaf, en als
laatst de eenheden. Splitsprocedure: eerst de tientallen van elkaar aftrekken, en dan
de eenheden van elkaar aftrekken. Varia rekenen: handig rekenen, kenmerk van sterke
rekenaars, vraagt flexibiliteit en inzicht. Procedurele kennis: kennis over de stappen
die je moet nemen (stappenkennis). Declaratieve kennis: geautomatiseerde
voorkennis (feitenkennis). Werkgeheugen: rijgprocedure belast het geheugen minder,
wordt aangeleerd aan zwakke rekenaars (kans op informatieverlies en fouten is kleiner).
Metacognitieve kennis: heeft te maken met kennis over je eigen kennis en leerproces.
, Bijv. kunnen uitleggen hoe je een som hebt uitgerekend, of je ergens goed in bent of niet
(kenniskennis). Rekenfeiten: declaratieve kennis. Voorbeelden zijn termen, symbolen,
notaties, uitkomsten, afspreeksystemen & formules. Als feiten niet geautomatiseerd zijn,
wordt het uitvoeren van procedures lastig, het werkgeheugen wordt extra belast.
Procedures kunnen ook niet juist ingezet worden. Dyscalculie: stoornis die gekenmerkt
wordt door hardnekkige problemen met het vlot/accuraat oproepen van rekenfeiten en/of
het leren en vlot/accuraat toepassen van rekenprocedures. Nadruk ligt op de
automatisering.
Onderzoek uit literatuur: onderzoek naar het effect van automatiseringstekorten op
achterstanden bij rekenen/wiskunde. Leerlingen zijn 2 keer per jaar getoetst vanaf groep
3. Resultaat: goed beeld van de ontwikkeling van automatisering en de samenhang met
rekenachterstanden. Aanleiding onderzoek: wet op referentieniveaus: scholen
hebben een opbrengstverplichting. Doel: algemene impuls geven aan de verhoging
van elementaire vaardigheden op het gebied van taal en rekenen en bevorderen van de
totstandkoming van doorlopende leerlijnen. Scholen moeten leerlingen afleveren waarvan
90% op het 1F niveau (fundamentele niveau) zit. Onderscheid tussen Streef- en
Fundamenteel niveau. 20-25% van de leerlingen haalt het 1F niveau niet. Ze blijven
hangen in groep 6, omdat onderliggende (basis)kennis en vaardigheden niet worden
beheerst.
Power (accuratesse): vaardigheid. Kan de leerling de som uitrekenen. Gericht op het
kennen van de procedures. Speed: kan de leerling de som vlot uitrekenen. Verwijst naar
geautomatiseerde voorkennis. Tekorten in de basiskennis (oftewel geautomatiseerde
voorkennis/speed) veroorzaken achterstanden en stagnatie. Er is een duidelijke
interactie tussen power en speed (basisgedachte onderzoek): vlotte basiskennis
(speed) draagt bij tot kunnen (power), onvoldoende vlotte basiskennis belemmert het
kunnen.
Belangrijkste drempel: was drempel 3 (van tientallen naar twintigtallen, methoden
gaan ervanuit dat kinderen dit halverwege groep 4 geautomatiseerd hebben, wordt dan
geen oefenstof meer aangeboden). Klopt het drempelmodel: ja -> drempels nemen
toe in moeilijkheid, procedure zonder tijdslimiet leidt tot minder fouten dan mét
tijdslimiet, resultaten van een drempel worden per toetsmoment beter, prestaties in het
regulier basisonderwijs zijn beter dan in het speciaal basisonderwijs. Vier-fasenmodel:
hoofdrekenen. Fase 1: power & speed, groep 3 t/m 5. Einde van de fase moeten
drempels 1 t/m 4 geautomatiseerd zijn. Fase 2: groep 5. Toepassing van drempel 1 t/m
4. Fase 3: groep 6/7. Toepassing bij hoofdbewerkingen. Fase 4: groep 6/7. Toepassing
bij breuken, procenten, kommagetallen. Model laat zien dat er sprake is van
cumulatieve kennis bij rekenen: kennis bouwt voortdurend voort op kennis.
Rekenmuurtje: samenvoeging van drempelmodel en vier-fasenmodel.
Resultaten onderzoek: kinderen behalen vaak bij lange na niet de uitkomsten die
verwacht worden. Vanaf groep 4 ontstaat er structurele verschillen tussen groepen die
het wel/niet onder de knie hebben. Beheersing van moeilijke tafels hangt samen
met beheersing van drempel 4 en 3. Aanbeveling voor praktijk: als leerling moeite
heeft met aanleren moeilijke tafels, moet dat oefenen niet herhaald worden, maar moet
de focus liggen op oefenen drempels 3 en 4. Beeld power: advies PO-raad wordt zelfs
bij power (dus nog zonder speed) niet bij alle kinderen gehaald, zeker minsommen
vragen meer tijd, circa 20% haalt de norm niet in groep 8. Beeld van moeilijke tafels:
80% binnen praktijkonderwijs, 65% BB/KB, 30% KB/TL & 20% Havo/VWO haalt de norm
niet. Beeld speed: automatiseren verloopt, met name bij lagere leerwegen, veel
langzamer dan verwacht. Er zitten grote verschillen tussen leerwegen, zijn blijvend vanaf
drempel 3.
Conclusie onderzoek: grote spreiding, rekenen is cumulatief, power & speed zijn van
belang, speed is dragend voor power van de lagen erboven, achterstanden ontstaan al in