KWALITATIEF ONDERZOEK:
➢ scientific norms:
○ universalisme (universalism) > wetenschap is wetenschap en je beoordeelt het op
basis van de kwaliteit, onafhankelijk van de onderzoeker
○ gemeenschappelijkheid (communality) > wetenschappelijke kennis wordt
gecreëerd door een gemeenschap en bevindingen behoren toe aan de
gemeenschap. wetenschappers zijn verantwoordelijk om beviningen en methoden
openbaar te maken, zodat anderen ze kunnen verifiëren, repliceren en voortbouwen
op eerder onderzoek
○ belangeloosheid (disinterestedness) > wetenschappers streven ernaar de
waarheid te ontdekken, ze moeten objectief en onpartijdig werken. ze mogen dan ook
geen baat hebben bij een bepaalde uitkomst
○ georganiseerd scepticisme (organized skepticism) > wetenschappers en ook
personen uit de maatschappij moeten op een gezonde manier kritisch zijn naar
wetenschappelijke bevindingen.
➢ kenmerken van wetenschappelijk onderzoek:
○ empirisch: onderzoek gebaseerd op systematische waarnemingen
○ controleerbaar: onderzoek dat wordt gecontroleerd door andere onderzoekers
○ probabilistisch: kans dat iets klopt of niet klopt in een onderzoek
○ kennis en theorie vorming gebeurd door het verzamelen van data (inductie, deductie)
➢ kenmerken van een goede wetenschappelijke theorie:
○ ondersteund door data
○ falsifieerdbaar: een theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van
verzamelde gegevens
○ spaarzaam (parsimonious): als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig
om deze complexer te maken
➢ verschillende biases:
○ availability heuristic: informatie die nog vers in het geheugen zit wordt eerder voor
waar aangenomen, oftewel informatie waar je makkelijk bij kan
○ present/present bias: er wordt alleen gekeken naar informatie die er is, niet naar
informatie die ontbreekt. vaak wordt er niet gekeken naar goede vergelijkingsgroep
○ confirmation bias: neiging om alleen maar te kijken naar informatie die overeenkomt
met je overtuigingen
○ bias blind spot: denken dat je niet aan bias lijdt, wanneer we over vooroordelen
lezen concluderen we dat ze niet op ons van toepassing zijn.
○ good story: voorkeur voor informatie die gepresenteerd wordt in de vorm van een
goed, samenhangend verhaal. ook als dat verhaal niet noodzakelijk accuraat of
representatief is voor de werkelijkheid.
➢ inductie: observaties of waarnemingen leidt tot nieuwsgierigheid, hieruit volgen hypothesen.
observeren > data verzamelen > patroon ontdekken > hypothese opstellen
➢ deductie: een hypothese wordt opgesteld, deze wordt getest. op basis van de resultaten
worden conclusies getrokken, bijv hypothese verwerpen, aannemen of modificeren
(aanpassen). theorie > hypothese > observeren/data verzamelen > aannemen,
verwerpen of modificeren
➢ soorten onderzoeksvragen:
○ fundamenteel: kijken hoe iets werkt, hoe iets ontstaat (algemeen)
○ toegepast: hoe iets opgelost kan worden, waar de onderzoeker een interventie
toepast (specifieker)
○ translationeel: hoe de oplossing geïmplementeerd kan worden, combinatie tussen
fundamenteel en toegepast.
, ➢ SPICE:
○ S: setting; waar, in welke context vindt het onderzoek plaats?
○ P: populatie; wie, welke groep mensen wordt onderzocht?
○ I: interest; wat wordt er onderzocht?
○ C: comparison; vergelijking, niet altijd aanwezig
○ E: evaluation; de uitkomst, het resultaat
➢ soorten interviews:
○ open interview: hoofdonderwerp opgesteld, daarbuietn vrij, geen vastgestelde
inhoud, volgorde of vragen
○ semi-gestrucuteerd interview: binnen hoofdonderwerp een topic lijst, volgorde
redelijk bepaald, vragen rondom topiclijst vrij om op te stellen
○ gestrucuteerd interview: hoofdonderwerp, topiclijst, van tevoren opgestelde vragen,
inhoud, volgorde en vragen staan vast
➢ selecte steekproeven:
○ gemakssteekproef: participanten die makkelijk te bereiken zijn, bijv. enquete sturen
naar studenten van uni
○ doelgerichte steekproef: onderzoeker is op zoek naar participanten die aan
specifieke voorwaarden/kenmerken voldoen
○ quotasteekproef: voorkeuren voor aantallen binnen een groep participanten, bijv. je
wilt 50/50 man vrouw
○ sneeuwbalsteekproef: onderzoeker vraagt een deelnemer of deze nog meer
mensen kent die ook zouden willen participeren, voor groepen die bijv lastig te
bereiken zijn
○ sequentiële steekproef: eerst gemakssteekproef, dan doelgerichte steekproef.
karakteristieken kunnen worden aangepast gedurende het onderzoek
➢ focusgroep:
○ interviewer = moderator en heeft verschillende taken:
○ ervoor zorgen dat de volledige topiclijst aan bod komt
○ dat het gesprek niet te veel afdwaalt van het onderwerp
○ ervoor zorgen dat iedereen aan het woord komt
○ vooral de participanten met elkaar laten praten, dit is interesse van de onderzoeker
(onderlinge interactie)
○ bij voorkeur homogene groep: zelfde soort mensen, betere vergelijking
○ maar heterogene ervaringen: een breed scala aan ervaringen, veel verschillen
○ tijdens de focusgroep worden field notes gemaakt
➢ typen observatieonderzoek:
○ participerend vs niet-participerend; participerend: de onderzoeker neemt actief
deel aan de dagelijkse activiteiten van de groep of situatie die hij of zij observeert.
niet-participerend: onderzoeker observeert vanaf een afstand
○ verhuld vs onverhuld: verhuld: mensen weten niet dat ze geobserveerd worden.
onverhuld: mensen weten dat ze geobserveerd worden
○ systematisch vs niet-systematisch: systematisch: fenomenen waar naar gekeken
wordt zijn van tevoren vastgelegd. niet-systematisch: van tevoren is niks vastgelegd
➢ rollen als observator:
○ complete participant: verhuld en participerend > gevaar: going native: onderzoeker
gaat te veel op in de onderzoeksgroep en verliest daardoor objectiviteit
○ participant observer: onvehuld en participeren > gevaar: hawthorne effect: het idee
dat ze geobserveerd worden verandert het gedrag van participanten
○ observer: onverhuld en niet-participerend > gevaar: reactiviteit: aanwezigheid en
acties van de onderzoeker veranderen het gedrag van participanten
○ covert observer: verhuld en niet-participerend > gevaar: geen reactiviteit, maar
onethisch : personen hebben het recht om te weten dat ze in een experiment zitten.
➢ scientific norms:
○ universalisme (universalism) > wetenschap is wetenschap en je beoordeelt het op
basis van de kwaliteit, onafhankelijk van de onderzoeker
○ gemeenschappelijkheid (communality) > wetenschappelijke kennis wordt
gecreëerd door een gemeenschap en bevindingen behoren toe aan de
gemeenschap. wetenschappers zijn verantwoordelijk om beviningen en methoden
openbaar te maken, zodat anderen ze kunnen verifiëren, repliceren en voortbouwen
op eerder onderzoek
○ belangeloosheid (disinterestedness) > wetenschappers streven ernaar de
waarheid te ontdekken, ze moeten objectief en onpartijdig werken. ze mogen dan ook
geen baat hebben bij een bepaalde uitkomst
○ georganiseerd scepticisme (organized skepticism) > wetenschappers en ook
personen uit de maatschappij moeten op een gezonde manier kritisch zijn naar
wetenschappelijke bevindingen.
➢ kenmerken van wetenschappelijk onderzoek:
○ empirisch: onderzoek gebaseerd op systematische waarnemingen
○ controleerbaar: onderzoek dat wordt gecontroleerd door andere onderzoekers
○ probabilistisch: kans dat iets klopt of niet klopt in een onderzoek
○ kennis en theorie vorming gebeurd door het verzamelen van data (inductie, deductie)
➢ kenmerken van een goede wetenschappelijke theorie:
○ ondersteund door data
○ falsifieerdbaar: een theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van
verzamelde gegevens
○ spaarzaam (parsimonious): als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig
om deze complexer te maken
➢ verschillende biases:
○ availability heuristic: informatie die nog vers in het geheugen zit wordt eerder voor
waar aangenomen, oftewel informatie waar je makkelijk bij kan
○ present/present bias: er wordt alleen gekeken naar informatie die er is, niet naar
informatie die ontbreekt. vaak wordt er niet gekeken naar goede vergelijkingsgroep
○ confirmation bias: neiging om alleen maar te kijken naar informatie die overeenkomt
met je overtuigingen
○ bias blind spot: denken dat je niet aan bias lijdt, wanneer we over vooroordelen
lezen concluderen we dat ze niet op ons van toepassing zijn.
○ good story: voorkeur voor informatie die gepresenteerd wordt in de vorm van een
goed, samenhangend verhaal. ook als dat verhaal niet noodzakelijk accuraat of
representatief is voor de werkelijkheid.
➢ inductie: observaties of waarnemingen leidt tot nieuwsgierigheid, hieruit volgen hypothesen.
observeren > data verzamelen > patroon ontdekken > hypothese opstellen
➢ deductie: een hypothese wordt opgesteld, deze wordt getest. op basis van de resultaten
worden conclusies getrokken, bijv hypothese verwerpen, aannemen of modificeren
(aanpassen). theorie > hypothese > observeren/data verzamelen > aannemen,
verwerpen of modificeren
➢ soorten onderzoeksvragen:
○ fundamenteel: kijken hoe iets werkt, hoe iets ontstaat (algemeen)
○ toegepast: hoe iets opgelost kan worden, waar de onderzoeker een interventie
toepast (specifieker)
○ translationeel: hoe de oplossing geïmplementeerd kan worden, combinatie tussen
fundamenteel en toegepast.
, ➢ SPICE:
○ S: setting; waar, in welke context vindt het onderzoek plaats?
○ P: populatie; wie, welke groep mensen wordt onderzocht?
○ I: interest; wat wordt er onderzocht?
○ C: comparison; vergelijking, niet altijd aanwezig
○ E: evaluation; de uitkomst, het resultaat
➢ soorten interviews:
○ open interview: hoofdonderwerp opgesteld, daarbuietn vrij, geen vastgestelde
inhoud, volgorde of vragen
○ semi-gestrucuteerd interview: binnen hoofdonderwerp een topic lijst, volgorde
redelijk bepaald, vragen rondom topiclijst vrij om op te stellen
○ gestrucuteerd interview: hoofdonderwerp, topiclijst, van tevoren opgestelde vragen,
inhoud, volgorde en vragen staan vast
➢ selecte steekproeven:
○ gemakssteekproef: participanten die makkelijk te bereiken zijn, bijv. enquete sturen
naar studenten van uni
○ doelgerichte steekproef: onderzoeker is op zoek naar participanten die aan
specifieke voorwaarden/kenmerken voldoen
○ quotasteekproef: voorkeuren voor aantallen binnen een groep participanten, bijv. je
wilt 50/50 man vrouw
○ sneeuwbalsteekproef: onderzoeker vraagt een deelnemer of deze nog meer
mensen kent die ook zouden willen participeren, voor groepen die bijv lastig te
bereiken zijn
○ sequentiële steekproef: eerst gemakssteekproef, dan doelgerichte steekproef.
karakteristieken kunnen worden aangepast gedurende het onderzoek
➢ focusgroep:
○ interviewer = moderator en heeft verschillende taken:
○ ervoor zorgen dat de volledige topiclijst aan bod komt
○ dat het gesprek niet te veel afdwaalt van het onderwerp
○ ervoor zorgen dat iedereen aan het woord komt
○ vooral de participanten met elkaar laten praten, dit is interesse van de onderzoeker
(onderlinge interactie)
○ bij voorkeur homogene groep: zelfde soort mensen, betere vergelijking
○ maar heterogene ervaringen: een breed scala aan ervaringen, veel verschillen
○ tijdens de focusgroep worden field notes gemaakt
➢ typen observatieonderzoek:
○ participerend vs niet-participerend; participerend: de onderzoeker neemt actief
deel aan de dagelijkse activiteiten van de groep of situatie die hij of zij observeert.
niet-participerend: onderzoeker observeert vanaf een afstand
○ verhuld vs onverhuld: verhuld: mensen weten niet dat ze geobserveerd worden.
onverhuld: mensen weten dat ze geobserveerd worden
○ systematisch vs niet-systematisch: systematisch: fenomenen waar naar gekeken
wordt zijn van tevoren vastgelegd. niet-systematisch: van tevoren is niks vastgelegd
➢ rollen als observator:
○ complete participant: verhuld en participerend > gevaar: going native: onderzoeker
gaat te veel op in de onderzoeksgroep en verliest daardoor objectiviteit
○ participant observer: onvehuld en participeren > gevaar: hawthorne effect: het idee
dat ze geobserveerd worden verandert het gedrag van participanten
○ observer: onverhuld en niet-participerend > gevaar: reactiviteit: aanwezigheid en
acties van de onderzoeker veranderen het gedrag van participanten
○ covert observer: verhuld en niet-participerend > gevaar: geen reactiviteit, maar
onethisch : personen hebben het recht om te weten dat ze in een experiment zitten.