PREKLINIEK GD | WEEK 4
MAANDAG – VOEDING
HOORCOLLEGE: OBESITAS
De schatting is dat 40% van de honden obesitas heeft en 60% van de katten heeft obesitas. Een hond met
obesitas gaat eerder dood dan een gezonde hond, dit kan maar zo anderhalf jaar schelen. Obesitas is
theoretisch gezien de meest makkelijker ziekte (input: voeding, output: beweging/energieverbruik). Het
heeft vaak te maken met een overvloed aan input. Daarnaast laten tegenwoordig veel mensen de telefoon
uit in plaats van de hond -> er is weinig activiteit in de beweging.
Geslachtshormonen zorgen ervoor dat het
verzadigingscentrum wordt gestimuleerd. Als je een dier dus
castreert, dan raakt het dier niet meer verzadigd. Waardoor
het dier steeds meer wil eten. Daarnaast heb je katten die in
een flat worden gehouden en dus niet veel meer bewegen. Er
zijn ook genetische oorzaken zoals een defect in het
verzadigingsreceptor bij de labrador. Deze oorzaken worden
vaak gebruikt als excuus voor obesitas, terwijl al je hier
rekening mee houdt in het voeren en extra beweging, dan
wordt een dier niet te zwaar.
Een kaasblokje is 10% van de energiebehoefte van een
gezonde hond!
Voedselinname -> nutriënten absorptie -> energie opslag -> leptine afgifte -> hypothalamus remt nutriënt
opname.
Vetweefsel wordt groter -> influx van ontstekingscellen. Stimuleren van glucogenese -> meer glucose in
de circulatie. Verlies van spiermassa, chronisch ontsteking
en insuline resistentie.
Je krijgt meer kraakbeenafbraak en uitgebreidere bot
remodellering (reabsorptie). Ze hebben hierdoor veel meer
pijn en het gewricht gaat veel sneller achteruit.
6% gewichtsreductie geeft minder klinische pijn bij artrose!
Gewichtsreductie geeft vaak dezelfde pijnverlichting als
NSAID’s.
Hepatisische lipidose bij katten -> leververvetting.
Daarnaast zorgt obesitas voor een verhoogd risico op
blaasontsteking zowel bij honden als katten. Het rondcirculerende vet zorgt voor lipidemische
omstandigheden hierdoor een grotere kans op pancreatitis. De operatie duurt daarnaast ook vaak langer,
ook echo en röntgenfoto’s worden lastiger te beoordelen.
Honden met obesitas leven minstens 6 maanden tot 1,5 jaar korter dan honden met een gezonde BCS.
1
, Prekliniek gezelschapsdieren – week 4 | Jonker, G.G. (Gemma)
Risico op diabetes mellitus type II
- TNF-α en resistin ↑
o induction of lipolysis
o down regulatie van IRS1 en GLUT4
- IL-6 ↑
o Inductie van gluconeogenesis
- Leptin ↑↑↑
o Inductie van suppressor cytokines
- Adiponectin ↓ ?
o Geen inhibitie van gluconeogenesis
less PPAR-α
more TNF-α
- Insuline resistentie
Gevolgen voor de patiënt met obesitas
- Ernstiger osteoarthrose
- Risico op diabetes mellitus type II
- Risico op hepatische lipidose
- Grotere belasting van het hart
- Chronische ontstekingsreactie in het gehele lichaam
- Verminderde weerstand
- Verminderde levensverwachting
- Verminderde kwaliteit van leven
- Urineweginfectie (K) incontinentie (H)
- Diagnostiek minder eenvoudig
- Narcose en operatierisico verhoogd
Prevalentie en trends
- 59% honden en 61% katten (2022)
- 25 jaar eerder 20-30% (1996)
- 18,4% van alle show honden
- 45,5% van alle show katten
- Normaalbeeld is veranderd
Dikke mensen – dikke dieren?
- Dikke mensen hebben vaker dikke honden
- Dikke katten hebben niet vaker dikke baasjes
- Trend naar dikkere huisdieren in westerse wereld
Risicofactoren
- Ras
- Castratie
- Middelbare leeftijd
- Onbeperkte toegang tot voeding
- Energierijke voeding
- Voeren van extraatjes en mensen eten
- Sedentary lifestyle
- Aandoening die beweging en/of uithoudingsvermogen negatief beïnvloedt
2
, Prekliniek gezelschapsdieren – week 4 | Jonker, G.G. (Gemma)
Het obesitasconsult
Tijdens het consult
- Signalement: ras, geslacht (intact of niet?), leeftijd, gewicht
- Anamnese:
o Gewichtsevolutie
o Voeding
Huidige voeding
Tussendoortjes
Toegang tot andere voedselbronnen
o Totaal aantal calorieën
o Activiteit
- Klinisch beeld
o Body condition score >5/9
Alles boven de 5 is te zwaar
Alles boven de 6 is obesitas
o Verminderd uithoudingsvermogen
o Aankomen ondanks verminderde voedselopname
o Moeilijk te onderzoeken
o Benauwdheid
o Obstipatie
o Urinewegproblemen
o Incontinentie
o Veel intra-abdominaal vet
- DDx
o Cushing
o Hypothyreoïdie
o Diabetes mellitus
o Pituitaire afwijkingen
o Hypothalame afwijkingen
o Insulinoom
Motivatie
- Eigenaren zien vaak niet dat een dier
overgewicht heeft
- Als een eigenaar het wel door heeft, dan
zien ze vaak de problemen er niet van
- Veel dierenartsen benadrukken niet dat een dier overgewicht heeft en de nadelen daarvan
- Aangeven bij de buren dat dier allergisch heeft en daardoor anafylactisch kan worden -> is niet
zo, maar het werkt wel
Gevolgen van obesitas
- Gezondheidsrisico’s
- Levensduur en kwaliteit van leven
- Incontinentie
- Benauwdheid
- Kreupelheid
- Diabetes Mellitus
- Obstipatie/megacolon
- Operatierisico
3
, Prekliniek gezelschapsdieren – week 4 | Jonker, G.G. (Gemma)
Therapiesucces versus therapiefalen
- Iedereen die betrokken is bij de verzorging van het dier moet erachter staan
- Buren vertellen dat het dier een allergie heeft
- Bedelgedrag
- Consequent zijn
- Levenslange behandeling
- Follow up en blijven motiveren (positieve benadering)
Dieet
- Dieren die net te dik zijn
o Uithongeren -> veel minder voer geven
o Sperziebonen voor meer verzadiging -> bij dieren die net iets te dik zijn
o Light voeding (15% minder energie) -> Europees vastgelegde norm
- Dieren die echt te dik zijn
o Energiebehoefte bepalen en daar dan onder gaan zitten
Energiebehoefte= 0,8 x RERi (RER ideaal = BW kg 0,75 x 70)
o Grootste hindernis -> bij gekraak komt het schattige dier bij je staan, daarnaast kan een
kat ook agressief zijn
o Dier die eerst iets moet doen voordat ze kunnen eten zijn vaak meer verzadigd en
daarnaast gebruiken ze iets meer energie
o Voer geven dat meer verzadiging zorgt (vezelvoer): zorgt wel voor meer gasvorming -> dus
geleidelijke voerwisseling
o Voeding afzonderlijk van eigenaar geven -> met een automatische voerbak -> kleine
beetjes voer per keer
o Je moet wel rekening houden met als je minder voer geeft, je ook minder nutriënten geeft
die het dier nodig hebben -> in sommige voedermiddelen zit er meer van die nutriënten.
o Snoepje geven -> haal het van het voer af -> het gaat het dier niet om wat voor snoepje
het is, maar om de interactie
o Meerdere katten? -> voerbak met een chip of katten in een aparte ruimte voeren
o Meten is weten -> dus afwegen en geen maatbeker gebruiken
o Energieverbruik -> speeltjes, hydrotherapie of gewoon zwemmen, voedselspeeltje
Follow up
- Iedere 2 weken wegen
o 1-3% per week bij honden
o 0,5-2% per week bij katten
- Wat motiverend werkt is foto’s maken tijdens het proces
- Een doel om naartoe te werken
o Ook tussendoelen zijn heel belangrijk
- Je hoeft niet direct naar het juiste BCS
- Ieder dier krijgt een plateau fase tijdens het afvallen
o Belangrijk om dan door te zetten
- Iedere 2 weken controleer je dus of het dier genoeg afvalt, als het genoeg afvalt dan kan je zo
doorgaan, als het niet genoeg is dan het voedsel met 10-20% verminderen.
4
, Prekliniek gezelschapsdieren – week 4 | Jonker, G.G. (Gemma)
Gewichtsbeheersing
- Na bereiken streefgewicht op gewicht houden
- 10-20% meer dan tijdens gewichtsverlies
- Eventueel over naar ander dieet
- Iedere week wegen gedurende 4 weken
- Daarna iedere 2 weken
- Indien gewicht stabiel blijft langere intervallen tot maximaal 1x per 2 maanden
- Levenslange therapie
Preventie
- Groeicurve pups en kittens
- Ieder dier, ieder bezoek wegen en BCS
- Extra aandacht bij castratie
- Tijdig ingrijpen
- Belang van slank zijn benadrukken
- Betrek de eigenaar in de optimale verzorging en het behoud van het optimale lichaamsgewicht
van het dier
Samenvatting en conclusie
- Obesitas is een ernstige endocriene ziekte
- Obesitas is een “groeiend” probleem
- Obesitas verkort de levensduur en vermindert de kwaliteit van leven
- Obesitas predisponeert voor andere ziektes
- Ieder dier, ieder bezoek wegen en BCS
- Specifieke voedingsadviezen
- Voorkomen is beter dan genezen
- Castratie is een belangrijke trigger
- Behandeling vraagt een lifestyle verandering
- Behandeling is levenslang
5
, Prekliniek gezelschapsdieren – week 4 | Jonker, G.G. (Gemma)
ZELFSTUDIE: OBESITAS
6
, Prekliniek gezelschapsdieren – week 4 | Jonker, G.G. (Gemma)
Signalement:
- Kat, Fluffy Jacobs Pantoffel de Derde
- Maine Coon
- 6 jaar.
- Gecastreerde kater.
- Gewicht: 13,5 kg
- BCS: 9/9
Uitleg over het probleem/overtuigen van de eigenaar:
- Zeggen: Uw kat is te zwaar. Dit kan zorgen voor gezondheidsproblemen. Mijn advies is om dit aan
te pakken.
- Uitleg: uw kat heeft bij een hoger gewicht meer kans op ziekten als diabetes, artrose en
problemen aan zijn hart en nieren. Daarnaast zijn er meer risico’s bij eventuele operaties die uw
dier moet ondergaan.
- Ik kan u hiermee helpen door een plan te maken voor het gewichtsverliestraject van Fluffy. Maar
daarvoor moet u wel gemotiveerd zijn, anders gaat het niet werken.
Diagnostiek:
- Inspectie + palpatie: BCS.
- Eventueel (staat in het boek): echo of röntgen.
- Of zo’n dexascan.
Plan van aanpak:
- We willen dat Fluffy ongeveer 7 kg gaat wegen, in ieder geval 40% daling in zijn gewicht (8,1kg)
- Foto’s maken aan de start van het traject
- Adviezen
o Enkel voeding geven die voorgeschreven is
o Voer Fluffy alleen, houd alle andere dieren weg → eventueel voerbak op chip /
voerautomaat
o Geen snacks
o Beweging volgens voorgeschreven → voerspelletjes met zijn eigen eten
o Raak of maak geen eten klaar met Fluffy in dezelfde ruimte
o Kom met Fluffy op controle
- Follow-up
o Iedere week wegen
0,5-2% per week
Als er meer afgaat in de week -> leververvetting
o Als het dier niet genoeg afvalt dan geef je 10-20% minder voedsel
Online calorie calculator: https://petnutritionalliance.org/resources/calorie-calculator?type=dogs
RERi = 7^0.75 x 70 = 301 kcal ME/dag
13,5^0,75 x 70 = 493 kcal ME/dag → x 0,8 → 394 kcal ME/dag
3.455 kcal/kg → 1000x394/3455 = 114 gram per dag
https://www.hillspet.nl/cat-food/pd-feline-prescription-diet-metabolic-tuna-
dry?_gl=1*1c3q1as*_up*MQ..*_gs*MQ..&gclid=CjwKCAiAzvC9BhADEiwAEhtlNx5TPd73-
Sr56kmVfxUYNfK_OK3FY5xPv9udkafm8BpYQ4Fd0F2ONhoCAKkQAvD_BwE&gclsrc=aw.ds
3.455 kcal/kg → 1000x301/3455 = 87 gram per dag
7
, Prekliniek gezelschapsdieren – week 4 | Jonker, G.G. (Gemma)
MTE: OBESITAS
Het ideale gewicht bepalen
BCS Percentage lichaamsvet
4 Ideaal
5 Ideaal
6 10%
7 20%
8 30%
9 40%
Vuistregel voor een voerwisseling in 6 dagen
- 1-2 dagen -> 25% nieuw voer
- 3-4 dagen -> 50% nieuw voer
- 5-6 dagen -> 75% nieuw voer
Dit is ook afhankelijk van de patiënt en eerdere voerwisselingen
HOORCOLLEGE: DE KRITIEKE PATIËNT
Oorzaken waardoor een dier minder eet
- Braken
- Chirurgische ingrepen
- Andere omgeving
Lichaam probeert de eiwitten zo lang mogelijk te bewaren. Eerst gaat het glycogeen op, dan daalt eiwit en
vet een beetje. Dan gaat het lichaam over op de vetverbranding om de eiwitten te behouden.
Bij zieke dieren gaat dit anders. Cytokines zorgen via de hypothalamus dat het dier minder eten opgaat
nemen. Daarnaast krijgt het dier een stimulatie van de gluconegenese, hierdoor komt er meer glucose in
het lichaam. Daarnaast gaat het lipid metabolisme op een lager pitje -> want immuuncellen kunnen daar
toch niet zo veel mee.
Eiwitverlies: Een negatieve stikstof balans/energiebalans en insuline resistentie. De wondgenezing is
verlaagd/vertraagd, daarnaast zijn ze nodig voor de aanmaak. Albumine verminderde. Spierafbraak ->
reserves raken op voor de andere functie -> onvoldoende spierkracht voor de ademfunctie (dyspneu)
Eiwitverlies geeft dus een slechtere prognose door een slechter immuunsysteem
Naast eiwitverlies ook verminderde proliferatie van de villi in de darmen. Dit treedt al op na 6 dagen. De
bacteriën kunnen de darm makkelijker binnendringen -> kans op sepsis. Daarnaast is er een verminderde
functie van de oesophagus, vertraagde maag lediging, functionele ileus/motiliteitsafwijkingen van de
darmen. Dit gebeurt al na 3-5 dagen.
73% van de honden met hyporexie in de opname heeft een negatieve stikstofbalans en dus een
eiwitverlies.
Doelen:
- Eiwit en calorie malnutritie voorkomen
- Voorkomen van deteriotatie van Lean Body Mass
Je moet dus snel ingrijpen, hierdoor wordt het dier eerder ontslagen uit de opname. Verder zorgt het voor
een betere wondgenezing en een verhoging van de overlevingskans.
8