Nederlands als tweede taal
Begrippen
ISABELLA BOS
, Sleutelwoorden/begrippen hoofdstuk 1 en 2
NT2 verwervende Leerlingen die vanuit huis een andere taal spreken dan Nederlands of
leerlingen die tweetalig opgroeien, met Nederlands en een andere taal als
moedertaal
Tweedetaalverwerving Kinderen die een andere taal spraken dan Nederlands pikken de taal
op in allerlei situaties. Grotendeels te vergelijken met de verwerving
van de moedertaal.
Tweedetaalleren Situaties op school waarin een kind Nederlands leert.
Onder instromers Kinderen die vanaf groep 1 op een Nederlandse school zitten
Neven-of zijinstromers Kinderen die sinds kort in Nederland zijn en naar een Nederlandse
school gaan.
Tweetaligheid Naast Nederlands wordt ook de taal gesproken waar hun ouders mee
opgegroeid zijn. Beide talen worden afwisselend en ook door elkaar
gesproken.
Taaldominantie Het kind spreekt één taal beter dan de andere. Dit kan met de jaren
nog verschuiven
Taalvaardigheid → De woorden en zinnen die het kind kan begrijpen
Receptief/passief
Taalvaardigheid → De woorden en zinnen die het kind kan gebruiken
Productief/actief
Stille periode Een periode waarin kinderen niks zeggen, maar goed luisteren en
daarbij actief bezig zijn de taal te leren. Lange stille periode hoeft
geen achterstand te betekenen
Imitatie Taalleerders verworven door imitatie een groot aantal bouwstenen
Reinforcement Door oefening en bekrachtiging uit hun omgeving leren ze snel en
weten ze die bouwstenen met elkaar te combineren
Transfer De overdracht zal optreden van T1-gewoontes naar de nieuw te leren
T2-gewoontes
Interferentie Het maken van fouten onder invloed van de eerste taal (negatieve
transfer)
Interferentie hypothese Verschillen tussen de eerste en de tweede taal weren als
leerproblemen beschouwd en moesten onderwezen worden.
Tussentaal Noodzakelijke tussenstappen om goed Nederlands te leren,
systematisch en voorspelbaar.
Universalistische Processen van de eerste-en tweedetaalverwerving verschillen niet
taalverwerving van elkaar. Taalontwikkelingsfouten worden veroorzaakt door
specifieke problemen die het Nederlands kent.
Overgeneralisatie Als een leerling een regen toepast op alle woorden dus: boeken en
pennen maar ook sleutelen en dakken.
Creatieve constructie De taalverwerver is geen imitator maar een creatieve bouwer aan de
nieuwe taal.
Ontwikkelingsvolgorde Deze hebben betrekking op de regels van de woordvorming en
zinsbouw, maar niet op alle aspecten van het taalverwervingsproces
(woordvolgorde en klanken)
Taalaanbod Input → vraag kan je op verschillende manieren stellen op het niveau
van de NT1 of NT2 leerling
1