1. Inleiding
Internationaal publiekrecht reguleert de samenwerking tussen staten onderling en speelt een
belangrijke rol bij grensoverschrijdende kwesties met gemeenschappelijke belangen zoals
klimaatverandering en vluchtelingenstromen. Het beïnvloedt ook de nationale rechtsordes,
vooral in landen zoals Nederland, waar internationaal recht vaak direct doorwerkt (Grondwet,
art. 94).
2. Geschiedenis
Internationaal recht ontwikkelde zich met de opkomst van soevereine en gelijke staten en het
netwerk van onderlinge rechtsbetrekkingen (1648, Vrede van Westfalen). De VN en
dekolonisatie versterkten het beginsel van zelfbeschikking (1945); het recht van volkeren om
over hun eigen lot te beschikken. De opkomst van bovennationale organisaties (EU, VN) en
niet-statelijke instituten (private ondernemingen) heeft het recht verder ontwikkeld. Recent heeft
de dominantie van staatssoevereiniteit weer aan belang gewonnen.
3. Omschrijving
● Het internationaal recht richt zich niet uitsluitend op volkeren (zoals het volkerenrecht
(ius gentium) dat doet), maar is meer gericht op de veelzijdigheid van internationale
rechtsbetrekkingen.
● Internationale regels worden bepaald door rechtsbronnen zoals verdragen,
gewoonterecht, besluiten van internationale organisaties en algemene rechtsbeginselen
(art. 38 Statuut IGH).
● Monisme vs. dualisme: Monisme beschouwt internationaal en nationaal recht als één
geheel, terwijl dualisme ze ziet als gescheiden systemen (in nationalistische landen
zoals VS). Nederland heeft een monistisch systeem.
● Publieke vs. private elementen: Internationaal publiekrecht legitimeert de uitoefening
van publiek (overheids-)gezag en richt zich op de publieke belangen (veiligheid, milieu),
terwijl internationaal privaatrecht grensoverschrijdende privaatrechtelijke geschillen
reguleert.
● Juridisch element: Internationaal recht is gebaseerd op rechtsbronnen (positivisme) en
de handhaving ervan (de schending van een norm is verbonden aan een sanctie),
ondanks het ontbreken van een centraal gezag (= fundamentele zwakte). Er bestaan
echter wel toezichthoudende instellingen die controleren of internationale verplichtingen
worden nageleefd. Staten zijn vaak gebonden aan internationale verplichtingen om hun
reputatie als betrouwbare partner te behouden.
,4. Organisatie
Internationaal publiekrecht wordt vooral gehandhaafd door staten zelf. Het decentrale karakter
komt voort uit het feit dat de internationale rechtsorde is ontstaan uit de soevereiniteit en de
gelijkheid van staten. Samenwerking kan leiden tot supranationale organisaties zoals de EU, die
centraal gezag kunnen uitoefenen over bepaalde onderwerpen.
5. Onderdelen
● Algemeen internationaal recht: Fundamentele beginselen (bijv. goede trouw, naleving
van verdragen, aansprakelijkheid na schending plicht) zijn op alle staten van toepassing.
● Bijzonder internationaal recht: Dit recht is specifiek voor bepaalde verdragen (bijv.
internationaal strafrecht, milieurecht).
● EU-recht: Hoewel technisch deel van het internationaal recht, heeft de EU een
zelfstandige rechtsorde en eigen toezichthoudende en sanctiebevoegdheden.
Hoofdstuk 2: Rechtssubjecten
1. Inleiding
● Rechtssubjecten zijn personen of entiteiten die de juridische bekwaamheid bezitten om
te kunnen deelnemen aan het rechtsverkeer in de internationale rechtsorde.
● Oorspronkelijk werden alleen staten als rechtssubjecten gezien, maar tegenwoordig zijn
ook internationale organisaties, de facto-regimes en individuen rechtssubjecten.
2. Het begrip rechtssubjectiviteit
● Een persoon met internationaalrechtelijke rechtssubjectiviteit kan rechtshandelingen
verrichten, internationale rechten bezitten, deze rechten afdwingen op internationaal
niveau, internationale verplichtingen hebben en aansprakelijk gesteld worden wegens
schending van deze verplichtingen.
● Volledige rechtssubjectiviteit: Staten kunnen alle rechtshandelingen verrichten
(verdragen sluiten, internationale verplichtingen aangaan, etc.).
● Beperkte rechtssubjectiviteit: Andere entiteiten hebben slechts gedeeltelijke rechten
en plichten.
3. Criteria voor rechtssubjectiviteit
● Rechtssubjecten zijn entiteiten die bevoegdheden, rechten en plichten in de
internationale rechtsorde hebben. Rechtssubjectiviteit is dus ook een gevolg van en niet
per se een voorwaarde voor de toepasselijkheid van internationaal recht.
● Rechtssubjectiviteit kan politiek bepaald worden (bijv. erkenning van een staat) en wordt
vaak beïnvloed door het effectiviteitsbeginsel (feitelijke macht en gezag).
,4. Staten
● Staten zijn de belangrijkste rechtssubjecten, omdat ze onafhankelijk, effectief publiek
gezag uitoefenen over een bevolking en grondgebied (effectiviteitsbeginsel).
5. Internationale organisaties
● Internationale organisaties hebben rechtspersoonlijkheid en beperkte bevoegdheden op
basis van het specialiteitsbeginsel (alleen bevoegdheden die door staten zijn
verleend).
6. De facto-regimes
● Dit zijn niet-statelijke entiteiten die effectief gezag uitoefenen over delen van een staat,
maar slechts beperkte rechtssubjectiviteit hebben (bijv. FARC, ISIS). Deze
rechtssubjectiviteit is soms wenselijk om de-facto regimes aansprakelijk te stellen.
Echter, dit kan ook hun positie versterken.
7. Bevrijdingsbewegingen
● De internationale rechtsorde is geneigd aan bevrijdingsbewegingen een verdergaande
rechtssubjectiviteit toe te kennen dan aan de facto-regimes vanwege een solidair gevoel
van onrecht van koloniale overheersing en bezetting. Bovendien kent het internationaal
recht aan bevrijdingsbewegingen het eerdergenoemde recht op zelfbeschikking toe:
het recht om zelf over hun politieke lot te beslissen.
8. Internationale non-gouvernementele organisaties (NGO's)
● NGO’s zoals Amnesty International zijn private organisaties die grensoverschrijdend
opereren en een belangrijke rol spelen in het internationale recht, maar hebben over het
algemeen geen rechtssubjectiviteit en worden vooral beheerst door nationaal recht.
9. Multinationale ondernemingen
● Multinationals hebben voornamelijk nationale rechtssubjectiviteit, maar krijgen
internationale bescherming via investeringsverdragen.
10. Natuurlijke personen
● Individuen hebben rechten die internationaal zijn erkend (bijv. via het EVRM) en kunnen
aansprakelijk worden gesteld voor internationale misdrijven zoals genocide.
11. Overige subjecten
● Speciale entiteiten zoals het Rode Kruis en de Heilige Stoel hebben een beperkte, maar
erkende status in de internationale rechtsorde.
, Jurisprudentie
ICJ Case Concerning Barcelona Traction, Light, and Power Co., Ltd (Belgium v. Spain)
In de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in de zaak Barcelona Traction wordt een
belangrijk onderscheid gemaakt tussen twee soorten verplichtingen van staten in het
internationaal recht:
1. Verplichtingen jegens de internationale gemeenschap als geheel (erga
omnes-verplichtingen): Dit zijn verplichtingen die elke staat moet naleven tegenover alle
andere staten. Voorbeelden hiervan zijn het verbod op agressie, genocide, slavernij, en
raciale discriminatie. Alle staten hebben een juridisch belang bij het handhaven van
deze rechten.
2. Verplichtingen jegens een andere staat: Dit zijn specifieke verplichtingen die staten
aangaan tegenover andere staten, bijvoorbeeld in het kader van diplomatieke
bescherming van hun onderdanen.
Het Hof benadrukt dat erga omnes-verplichtingen vanwege hun belang universeel zijn en dat
elke staat een belang heeft om deze verplichtingen af te dwingen.
Hoofdstuk 3: Staten
1 | Inleiding
Staten zijn de belangrijkste actoren in de internationale rechtsorde. Ze organiseren zichzelf op
basis van internationale normen die hun soevereiniteit en identiteit beschermen.
2 | Soevereiniteit van de Staat
Soevereiniteit verwijst naar het exclusieve gezag van een staat ten aanzien van zijn
grondgebied en de daar levende bevolking, onafhankelijk van andere staten. Het omvat de
vrijheid om eigen politieke, economische en sociale systemen te kiezen, zoals bevestigd door
het Internationaal Gerechtshof in de Nicaragua-zaak (IGH). Hoewel staten juridisch
onafhankelijk zijn, kunnen ze politiek of economisch afhankelijk zijn (bijv. DDR en de
Sovjet-Unie), waardoor er geen sprake is van feitelijke onafhankelijkheid. Soevereiniteit
impliceert ook deelname aan internationale verdragen en organisaties, en is verbonden aan de
gelijkheid van staten (art. 2 lid 1 VN-Handvest). In de praktijk is er echter een verschil tussen
juridische en politieke gelijkheid, zoals te zien is aan het vetorecht in de VN-Veiligheidsraad en
zwaardere stemrechten in organisaties als het IMF.